Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4294

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
200.274.646/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onduidelijkheid over schuldenlijst. Hof kan niet beoordelen of schulden al dan niet te goeder trouw zijn ontstaan. Verzoek tot toepassing wsnp afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer 200.274.646/01

(zaaknummer rechtbank C/16/493910)

arrest van 4 juni 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M. van Woensel, kantoorhoudende te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 februari 2020 is het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 20 februari 2020, heeft [appellant] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en te bepalen dat hij wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlagen van 25 mei 2020 en de e-mail met bijlagen van 26 mei 2020, beide van mr. Van Woensel.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 27 mei 2020 in verband met de maatregelen ter bestrijding van het Covid-19 virus plaatsgehad door middel van een skype-videoverbinding. [appellant] heeft, bijgestaan door zijn advocaat, zijn stellingen toegelicht.

3 De beoordeling

Vaststaande feiten

3.1

[appellant] heeft een aantal ondernemingen gehad die zich bezig hielden met asbestsanering en het geven van adviezen daarover, te weten de geconsolideerde besloten vennootschappen [appellant] Beheer B.V., Environment Consultancy B.V. en A.S.A.P Group B.V. (voorheen Contraa B.V.) en twee voorheen met een compagnon gedreven ondernemingen te weten Asbest Inspectie Centrum B.V. en World Wide Inspection Centre B.V. [appellant] heeft al deze ondernemingen uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel op 28 januari 2020. Op dat moment hadden de meeste van deze ondernemingen een aanzienlijke belastingschuld, waaronder onbetaalde omzetbelastingschulden.

[appellant] heeft een schuld aan de schoonouders van zijn voormalige compagnon die met zijn bedrijfsactiviteiten samenhangt. Daarnaast heeft hij een schuld uit de verkoop van zijn woning als gevolg van zijn echtscheiding.

Oordeel van de rechtbank

3.2

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen en heeft hiertoe het volgende overwogen. [appellant] ontvangt een uitkering krachtens de Participatiewet van € 978,90 per maand. Hij heeft een vrij te laten bedrag (vtlb) berekend van € 2.621,88 en is daarom afhankelijk van derden om zijn vaste lasten te betalen. Er bestaat daarom gegronde vrees dat hij tijdens de schuldsaneringsregeling zijn verplichtingen niet naar behoren zal kunnen nakomen. Zonder toereikend inkomen is de kans groot dat er ook tijdens de regeling nieuwe schulden zullen ontstaan, nu het in de schuldsaneringsregeling niet toestaan is om geld te lenen. Daarnaast kent de schuldenlijst onduidelijkheid over de privé-schulden van [appellant] . Op de schuldenlijst staan voornamelijk schulden die betrekking hebben op de ontbonden ondernemingen van [appellant] . Niet duidelijk is waarom deze vorderingen op de privé-schuldenlijst van [appellant] staan. Ter zitting heeft [appellant] ook nog privé-schulden genoemd die niet op de schuldenlijst staan.

Beroep van [appellant]

3.3

kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft daartoe in het beroepsschrift het volgende aangevoerd. De vtlb-berekening van € 2.621,88 was gebaseerd op basis van de betalingsverplichtingen die op dat moment actueel waren. Voordat [appellant] in de financiële problemen raakte, had hij een goed inkomen. Zijn uitgaven en lasten waren op dat inkomen afgestemd. [appellant] heeft de heer [B] gemachtigd om zijn woning onderhands te verkopen. Er is al een bod op de woning. Een eventuele restschuld zal dan nog in de schuldenlijst opgenomen moeten worden. Met de verkoop van de woning zullen de vaste lasten van [appellant] drastisch afnemen. Hierna zal [appellant] een woning huren. Door deze gewijzigde omstandigheden heeft [appellant] nu zijn vrij te laten bedrag opnieuw uitgerekend op bedrag van € 958,44. Voorts is er in de schuldenlijst een duidelijk onderscheid gemaakt tussen zakelijke schulden en privé-schulden. Het opnemen van de zakelijke schulden heeft als doel gehad de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen deze schulden te verifiëren. [appellant] legt in hoger beroep een schuldenlijst over waarop alleen zijn privé-schulden ter hoogte van € 60.240,94 zijn vermeld. De privé-schuld die [appellant] ter zitting van de rechtbank zou hebben genoemd, is geen privé-schuld. Dit betrof een leasecontract dat was aangegaan door een inmiddels ontbonden vennootschap.

Oordeel van het hof

3.4

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is het hof - voor zover van belang - het volgende gebleken. Ter zitting van het hof heeft [appellant] verklaard dat de gezamenlijke ondernemingen slechts - aanzienlijke - belastingschulden kennen. Zijn privéondernemingen kennen zowel belastingschulden als huurschulden, maar de voormalige huurbaas zou nog geen actie hebben ondernomen.

Voorts is in de meest recente schuldenlijst een geschatte restschuld aan de ING Bank in verband met de woning opgenomen van € 50.000,-. De woning is recentelijk verkocht voor € 380.000,-. Uit de door de ING Bank verzonden aflosnota van 24 april 2020 blijkt dat [appellant] (en zijn ex-vrouw) in totaal € 405.832,19 dienen af te lossen op hun hypotheek. Hierbij zijn ook achterstallige betalingen meegenomen, waardoor de geschatte restschuld waarschijnlijk aanzienlijk lager uitvalt.

3.5

Het hof stelt voorop dat het aan [appellant] is om voldoende aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de vereisten (artikel 288 lid 1 sub a tot en met c Fw) om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering. Bij het hof zijn twijfels gerezen of het door [appellant] overgelegde privéschuldenoverzicht een heldere weergave geeft van zijn schuldenlast.

Door [appellant] zijn twee schuldenlijsten in het geding gebracht, een schuldenlijst met de zakelijke schulden en een schuldenlijst met enkel privéschulden. Gelet op de wijze waarop de vennootschappen zijn ontbonden – ze zijn uitgeschreven, zonder dat een vereffening heeft plaatsgehad terwijl in de vennootschappen onder meer (omzet)belastingschulden aanwezig waren - loopt [appellant] het risico dat de Belastingdienst deze schulden op hem in privé gaat verhalen. Dit zou betekenen dat die schulden als niet te goede trouw kunnen worden aangemerkt. Ter zitting van het hof heeft [appellant] geen duidelijkheid kunnen geven, omdat hij niet op de hoogte is van het standpunt van de Belastingdienst ter zake.

3.6

Daar komt bij dat de meest recente schuldenlijst ook verdere vragen oproept. De daarin opgenomen restschuld na verkoop van de woning lijkt gezien de opgave van de ING Bank en de verkoopprijs niet te kloppen. Daarnaast is mogelijk sprake van niet nagekomen alimentatieverplichtingen in verband met de kinderen van [appellant] en andere schulden aan zijn voormalige echtgenote, met wie [appellant] naar zijn zeggen in diverse procedures is verwikkeld, waarover ook onvoldoende opheldering kon worden gegeven.

3.7

Gelet op het vorenstaande kan het hof met de huidige informatie niet beoordelen of [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van al zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, hetgeen aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg staat.

Slotsom

3.8

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. Dit oordeel staat er niet aan in de weg dat [appellant] , indien hij zijn schuldenpositie beter in kaart heeft gebracht, een nieuw verzoek indient bij de rechtbank.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 februari 2020.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. I. Tubben en mr. J. Smit en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2020.