Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4226

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
21-001108-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld ter zake twee afpersingen, kort achter elkaar gepleegd, tot een taakstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001108-19

Uitspraak d.d.: 3 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 19 februari 2019 met parketnummer 16-705792-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 3 juli 2019 en 20 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het aan hem onder 1 en 2 primair tenlastegelegde tot jeugddetentie voor de duur van twee maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden begeleiding van een buddy-coach en een contactverbod met [medeverdachte] . Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een werkstraf zal worden opgelegd voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen jeugddetentie en toewijzing van de benadeelde partijen conform de toewijzing door de rechter in eerste aanleg. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. R. Zwiers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 19 februari 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde afpersingen, gepleegd door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot:

- jeugddetentie voor de duur van twee maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

  • -

    zal meewerken aan FAST en behandeling bij De Waag, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht;

  • -

    zal meewerken aan verdere begeleiding/coaching van de buddy-coach of een ander soortgelijk traject;

  • -

    volgens rooster naar school en stage zal gaan;

  • -

    direct en indirect geen contact zal leggen of laten leggen met de medeverdachte [medeverdachte] ,

waarbij de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers opdracht is gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank – samengevat - de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toegewezen tot een bedrag van € 499,15, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2018, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 973,19 en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] hoofdelijk toegewezen tot

€ 937,40, beiden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2018 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de strafoplegging. Ten aanzien van de strafoplegging komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank zodat het vonnis op dit onderdeel zal worden vernietigd. Gelet op het onderzoek dat in hoger beroep heeft plaatsgevonden zal het hof de gronden van het vonnis aanvullen met een nadere bewijsoverweging.

Aanvullende bewijsoverweging

Naast de door de rechtbank in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, bezigt het hof als bewijs de verklaring van getuige [medeverdachte] , afgelegd op 24 oktober 2019 bij de raadsheer-commissaris te Leeuwarden, welke verklaring in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zal worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van dit bewijsmiddel te twijfelen.

[medeverdachte] bevestigt in de verklaringen zoals hij die bij de politie heeft afgelegd en blijft bij zijn verklaring over de rol van verdachte bij de tenlastegelegde feiten. [medeverdachte] verklaart bij de raadsheer-commissaris gedetailleerd en belastend over de rol van verdachte en ook over zijn eigen rol bij de twee berovingen. Deze verklaring van [medeverdachte] vindt steun in diverse andere bewijsmiddelen, waaronder met name ook het WhatsApp-verkeer tussen verdachte en [medeverdachte] . Het hof ziet dan ook geen aanleiding om - zoals naar voren gebracht in hoger beroep door de verdediging - aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] te twijfelen.

Oplegging van straf

Het hof sluit zich aan bij de strafmotivering van de rechtbank inhoudende:

“Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan twee berovingen. Deze berovingen vonden plaats in de nachtelijke uren op een voor het publiek toegankelijke plek. De slachtoffers werden tegengehouden en onder bedreiging met messen werden zij gedwongen hun spullen af te staan. Tegen één van de slachtoffers is geweld gebruikt door hem een klap in het gezicht te geven. Wat het naast het gebruik van messen extra angstaanjagend maakte voor de slachtoffers is dat er gebruik werd gemaakt van gezichtsbedekking. Dergelijke gewelddadige en intimiderende feiten zijn zeer bedreigend en versterken de gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Verdachte heeft bij het plegen van de berovingen kennelijk niet stilgestaan bij de heftige gevolgen voor de slachtoffers, maar alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.”

Daarnaast heeft het hof gelet op het Uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 21 april 2020. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, onder meer ter zake van geweldsdelicten.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft het hof acht geslagen op meerdere rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en op hetgeen door en namens verdachte in hoger beroep naar voren is gebracht.

Voor wat betreft de op te leggen straf overweegt het hof dat, gelet op de ernst van de feiten en de brutale en intimiderende manier waarop deze hebben plaatsgevonden, de oplegging van een forse, onvoorwaardelijke, jeugddetentie gerechtvaardigd zou zijn. Ter terechtzitting van het hof is echter gebleken dat verdachte al enige tijd hulp en begeleiding krijgt van een buddy-coach, dat hij daar profijt van heeft en dat hij zijn leven langzaam op orde lijkt te krijgen. Hierin, en in de nog jeugdige leeftijd van verdachte, ziet het hof aanleiding om nu geen onvoorwaardelijke jeugddetentie meer op te leggen, maar - naast een onvoorwaardelijke taakstraf - thans te volstaan met voorwaardelijke jeugddetentie. Aan deze straf zijn nader te noemen bijzondere voorwaarden gekoppeld met een proeftijd van twee jaren. Deze voorwaardelijke bestraffing heeft mede tot doel verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan. Voor wat betreft de duur van de voorwaardelijk op te leggen jeugddetentie overweegt het hof het volgende. Naar het oordeel van het hof doet de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde duur van twee maanden onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de feiten – zoals hiervoor vermeld – brutaal en intimiderend waren, dat het feiten betreft welke voorbereiding vergden, dat het een tweetal feiten betreft, dat het dus niet gaat om een eenmalig impulsdelict, dat er in een (mede door de verdachte gecreëerde) conflictsituatie t.w. een straatroof een mes, zijnde een potentieel dodelijk wapen, is geïntroduceerd hetgeen zeer grote veiligheidsrisico’s met zich pleegt te brengen. Daarnaast neemt het hof bij de bepaling van de op te leggen straf in aanmerking dat de verdachte – naar het oordeel van het hof - tegen beter weten in – volhardt in zijn ontkenning en geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor de door hem begane misdrijven. Laatstgenoemd aspect, de persoon van de verdachte betreffende, geeft aanleiding vraagtekens te plaatsen bij het moreel besef van de verdachte, bij zijn zicht op c.q. inzicht in ‘goed en kwaad’, de verantwoordelijkheid die wij als burgers van dit land met en voor elkaar hebben en onderstreept het belang van een duidelijk justitieel signaal dat feitelijk tevens fungeert als stok achter de deur. Uiteraard hoopt het hof, zowel in het belang van de verdachte als van derden c.q. potentiële slachtoffers, dat die stok als stok achter de deur blijft, dat de verdachte

de hem hiermee geboden kans op een detentievrij bestaan met beide handen aangrijpt en dat hij inziet dat die keuze nu aan hem is. De duur van de voorwaardelijke jeugddetentie die het

hof aan de verdachte zal opleggen betreft zes (6) maanden. Deze straf is onder de gegeven omstandigheden passend en geboden.

Benadeelde partijen

Met de vernietiging van de straf wordt van rechtswege ook de beslissing van de rechtbank omtrent de benadeelde partijen vernietigd. Het hof kan zich echter verenigen met de beslissing van de rechtbank inzake de benadeelde partijen en sluit zich hierbij aan zoals hieronder weergegeven.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.098,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 499,15. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vordering tot het bedrag van € 998,30 voor toewijzing in aanmerking komt. Verdachte heeft het feit samen met een mededader gepleegd en het hof zal net als de rechtbank de vordering toewijzen in die zin dat verdachte 50% van de schade en dus een bedrag van € 499,15 aan de benadeelde partij dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte zal hier geen gijzeling aan gekoppeld worden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 973,19. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, hoofdelijk, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte zal hier geen gijzeling aan gekoppeld worden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 937,40. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, hoofdelijk, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte zal hier geen gijzeling aan gekoppeld worden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 70 (zeventig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2

(twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als

bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zal meewerken aan FAST en behandeling bij De Waag, indien en zolang de jeugdreclassering dat (nog) nodig acht;

- zal meewerken aan verdere begeleiding/coaching van de buddy-coach of soortgelijk traject;

- direct en indirect geen contact zal leggen of laten leggen met de medeverdachte [medeverdachte] ,

- waarbij de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 499,15 (vierhonderdnegenennegentig euro en vijftien cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd, [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 499,15 (vierhonderdnegenennegentig euro en vijftien cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening en bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 februari 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 973,19 (negenhonderddrieënzeventig euro en negentien cent) bestaande uit € 123,19 (honderddrieëntwintig euro en negentien cent) materiële schade en € 850,00 (achthonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd, [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 973,19 (negenhonderddrieënzeventig euro en negentien cent) bestaande uit € 123,19 (honderddrieëntwintig euro en negentien cent) materiële schade en € 850,00 (achthonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening en bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 maart 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 937,40 (negenhonderdzevenendertig euro en veertig cent) bestaande uit € 87,40 (zevenentachtig euro en veertig cent) materiële schade en € 850,00 (achthonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd, [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 937,40 (negenhonderdzevenendertig euro en veertig cent) bestaande uit

€ 87,40 (zevenentachtig euro en veertig cent) materiële schade en € 850,00 (achthonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening en bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 maart 2018.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter

mr. W. Foppen en mr. A.J. Rietveld, voorzitter,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Schulte, griffier,

en op 3 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.