Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4216

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
18/00555 t/m 18/00557
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:2866, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

VPB. Van bank verkregen financiering is door vennootschap gebruikt voor verstrekken leningen aan haar aandeelhouder. Niet doorberekenen door bank in rekening gebrachte kosten renteswap. Verkapte winstuitdeling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2020-1778 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2020/1566
NLF 2020/1445 met annotatie van Ronald van den Brekel
NTFR 2020/2267 met annotatie van mr. N.I. Groenland
V-N 2020/43.9 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 18/00555 tot en met 18/00557

uitspraakdatum: 3 juni 2020

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almelo (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 juni 2018, nummers AWB 16/5077, AWB 16/5078 en AWB 16/6391, ECLI:NL:RBGEL:2018:2866, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2010 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en is een vergrijpboete opgelegd.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag Vpb opgelegd. Bij beschikking is heffingsrente berekend.

1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag Vpb opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een vergrijpboete opgelegd.

1.4.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag over het jaar 2010 verminderd naar een belastbaar bedrag van € 473.859 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. De vergrijpboete is verminderd tot nihil.

1.5.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag voor het jaar 2011 verminderd naar een belastbaar bedrag van € 490.197 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.6.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag voor het jaar 2012 verminderd naar een belastbaar bedrag van € 432.704 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De vergrijpboete is verminderd tot nihil.

1.7.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep voor het jaar 2010 ongegrond, en de beroepen voor de jaren 2011 en 2012 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2011 en 2012 van de Inspecteur vernietigd, de aanslag voor het jaar 2011 verminderd naar een belastbaar bedrag van € 474.678 en de aanslag voor het jaar 2012 verminderd naar een belastbaar bedrag van € 401.665. Voorts heeft de Rechtbank de beschikkingen heffingsrente en belastingrente over de jaren 2011 en 2012 dienovereenkomstig verminderd.

1.8.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep van de Inspecteur beantwoord.

1.10.

Belanghebbende heeft ter zake van haar hoger beroep een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.11.

De Inspecteur heeft ter zake van zijn incidentele hoger beroep een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.12.

Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben verklaard van dat recht geen gebruik te willen maken. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Op 16 december 2004 koopt [A] (hierna: [A] ) samen met zijn partner, [B] (hierna: [B] ), het landgoed “ [C] ” (hierna: het landgoed) te Laren. Het landgoed bestaat uit een vrijstaand woonhuis en andere opstallen, tuin, erf en weiland. [A] is voor twee derde deel onverdeeld eigenaar van het landgoed en [B] voor een derde deel.

2.2.

Op 31 maart 2006 richt [A] belanghebbende op en brengt de economische eigendom van het tot het landgoed behorende vrijstaande woonhuis met tuin en erf, ter grootte van ongeveer 1 hectare, in belanghebbende in. [A] is sinds de oprichting enig aandeelhouder van belanghebbende.

2.3.

Op 21 december 2007 verkrijgt [B] een vergunning voor de bouw van een herenboerderij met bijgebouwen op een deel van het landgoed dat tot het privévermogen van [A] en [B] behoort.

2.4.

Bij overeenkomst van 2 januari 2008 leent belanghebbende aan [A] en [B] een bedrag van € 252.500 in het kader van de financiering van de onder 2.3. bedoelde herenboerderij met bijgebouwen (hierna: de herenboerderij) op het landgoed. De overeenkomst kent onder meer de volgende voorwaarden:

– de lening is aangegaan voor onbepaalde tijd;

– de lening behoeft niet te worden afgelost voordat schuldeiser teruggave van de geleende som vordert;

– de lening is te allen tijde opeisbaar;

– schuldenaar is te allen tijde bevoegd tot gehele of gedeeltelijke aflossing op de geleende som;

– de rente bedraagt 4%.

2.5.

Op 17 juli 2008 accepteert belanghebbende een financieringsvoorstel van [de a-bank] . Het financieringsvoorstel omvat een investeringskrediet van € 1.900.000 met een looptijd van circa twee jaar. Het investeringskrediet dient ter financiering van de nieuw te bouwen herenboerderij, gedurende de bouwperiode. Het financieringsvoorstel voorziet tevens in een tweetal geldleningen, te weten een lening met een hoofdsom van € 774.865 met een looptijd van twintig jaar (maandelijkse aflossing € 3.335) en een aflossingsvrije lening van € 1.200.000 met een looptijd van tien jaar. Na realisatie van de herenboerderij wordt het investeringskrediet omgezet in de twee genoemde leningen. De rente voor zowel het investeringskrediet als voor beide leningen is gelijk aan de 1-maands Euribor vermeerderd met een opslag van één procentpunt.

2.6.

Belanghebbende mag het investeringskrediet en de geldleningen op grond van het financieringsvoorstel uitsluitend gebruiken voor investeringen met betrekking tot de realisatie van de herenboerderij op het landgoed. Het financieringsvoorstel bepaalt verder dat belanghebbende aan een aantal verstrekkingsvoorwaarden dient te voldoen, alvorens [de a-bank] kan overgaan tot het verstrekken van de gevraagde financiering. Een van deze verstrekkingsvoorwaarden betreft de voorwaarde dat het renterisico volledig is afgedekt door de inzet van off balance sheet instrumenten.

2.7.

Bij brief van 30 juli 2008 bevestigt [de a-bank] aan belanghebbende de op 17 juli 2008 gesloten renteswapovereenkomst (het off balance sheet instrument). De renteswapovereenkomst dient ter afdekking van het renterisico op de door belanghebbende bij [de a-bank] opgenomen geldleningen en kent de volgende voorwaarden:

– de ingangsdatum is 1 december 2009;

– de einddatum is 1 december 2019;

– het nominale bedrag waar de rente swap op ziet is variabel en start op € 1.900.000 en neemt met € 3.335 per maand af tot € 1.509.805;

– belanghebbende betaalt aan [de a-bank] vanaf 4 januari 2010 maandelijks een vaste rente van 5% over het nominale bedrag;

– [de a-bank] betaalt aan belanghebbende vanaf 4 januari 2010 maandelijks een variabele rente gelijk aan de 1-maands Euribor.

2.8.

Bij overeenkomst van 2 januari 2009 leent belanghebbende aan [A] en [B] , in aanvulling op de op 2 januari 2008 verstrekte lening, een aanvullend bedrag van € 2.032.500 in het kader van de financiering van de herenboerderij. De overeenkomst kent onder meer de volgende voorwaarden:

– de lening is aangegaan voor onbepaalde tijd;

– een bedrag van € 1.485.000 behoeft niet te worden afgelost voordat schuldeiser teruggave van de geleende som vordert;

– een bedrag van € 800.000 dient te worden afgelost in maandelijkse termijnen van € 3.335 per maand;

– de lening is te allen tijde opeisbaar;

– de schuldenaar is te allen tijde bevoegd tot gehele of gedeeltelijke aflossing op de geleende som;

– de rente voor de totale lening wordt gesteld op 2,9%.

2.9.

Bij overeenkomst van 2 januari 2010 leent belanghebbende, in aanvulling op de onder 2.4. en 2.8. genoemde overeenkomsten, een aanvullend bedrag van € 850.000 aan [A] en [B] in het kader van de financiering van de eerder genoemde herenboerderij. Op het aanvullend geleende bedrag behoeft niet te worden afgelost voordat schuldeiser teruggave van de geleende som vordert. De rente over het totaal verschuldigde bedrag wordt gesteld op 1,9% per jaar. De lening blijft onverminderd direct opeisbaar en de schuldenaar blijft gerechtigd tot boetevrije vervroegde aflossing.

2.10.

[A] en [B] wonen vanaf 1 juli 2010 in de herenboerderij.

2.11.

In de jaren 2010, 2011 en 2012 betaalt belanghebbende in verband met de renteswap per saldo de volgende bedragen aan [de a-bank] :

– in 2010 € 85.783;

– in 2011 € 72.502; en

– in 2012 € 83.705.

2.12.

In het kader van de behandeling van de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2009 verzoekt de Inspecteur bij brief van 25 september 2012 belanghebbende om, onder andere, nadere informatie te verstrekken over de vordering op de aandeelhouder.

2.13.

Bij brief van 5 oktober 2012 verstrekt belanghebbende de onder 2.4., 2.8. en 2.9. genoemde leningsovereenkomsten aan de Inspecteur.

2.14.

De Inspecteur legt de definitieve aanslag Vpb voor het jaar 2009, na ontvangst van de gevraagde informatie, zonder correcties op aan belanghebbende.

2.15.

Vanaf medio 2015 treedt belanghebbende in contact met [de a-bank] over de voor belanghebbende nadelige gevolgen van de renteswapovereenkomst. Met het oog op de nadelige gevolgen van vervroegde aflossingen op de leningen heeft belanghebbende afgezien van extra aflossingen waardoor zij meer rente heeft betaald dan zij zou hebben betaald indien in de renteswapovereenkomst wel rekening zou zijn gehouden met extra aflossingen.

2.16.

Bij brief van 1 november 2016 beëindigt [de a-bank] de renteswapovereenkomst met ingang van 1 december 2016.

2.17.

Bij brief van 21 april 2017 dient belanghebbende met betrekking tot de in het kader van de financiering afgesloten renteswapovereenkomst een klacht in bij Klachteninstituut Financiële Dienstverlening.

2.18.

Op 3 oktober 2017 sluit belanghebbende een vaststellingsovereenkomst met [de a-bank] om het geschil over de renteswapovereenkomst te beëindigen. Op grond van deze overeenkomst vergoedt [de a-bank] een bedrag van € 300.000 aan belanghebbende.

2.19.

Belanghebbende heeft de kosten van de renteswapovereenkomst niet doorberekend aan [A] en [B] .

2.20.

Naar aanleiding van een controle van de aangiften Vpb voor de jaren 2009 tot en met 2012 heeft de Inspecteur de belastbare winst van belanghebbende over de jaren 2010 tot en met 2012 gecorrigeerd in verband met (onder andere) de niet-doorbelaste bedragen genoemd onder 2.11. ter zake van de renteswapovereenkomst.

3 Geschil en standpunten van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende winstuitdelingen heeft gedaan aan haar enig aandeelhouder door de kosten van de door belanghebbende afgesloten renteswapovereenkomst niet door te berekenen aan [A] en [B] .

3.2.

Voor het geval de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat de door [de a-bank] aan belanghebbende onder 2.4., 2.8. en 2.9. genoemde geldleningen en renteswapovereenkomst als één overeenkomst moeten worden beschouwd, is tussen partijen in geschil of het ontbreken van een nieuw feit, dan wel het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan de door de Inspecteur in de opgelegde aanslagen en navorderingsaanslag aangebrachte correcties ter zake van het niet doorberekenen van de kosten van de renteswapovereenkomst.

3.3.

Indien het niet doorberekenen van de kosten van de renteswap aangemerkt moet worden als verkapte winstuitdelingen waarover de Inspecteur gerechtigd is om na te vorderen dan wel belastingaanslagen op te leggen, is in incidenteel hoger beroep in geschil of de door [de a-bank] aan belanghebbende betaalde vergoeding in mindering mag worden gebracht op de winstuitdelingen in de jaren 2010 tot en met 2016 zoals de Rechtbank heeft bepaald.

3.4.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van winstuitdelingen en, voor het geval het Hof tot een ander oordeel komt, dat deze uitdelingen moeten worden toegerekend aan het jaar 2008. Voor zover sprake is van winstuitdelingen, moet de waarde daarvan op nihil worden gesteld omdat belanghebbende ter zake van het afsluiten van de renteswapovereenkomst geen vergoeding aan [de a-bank] heeft betaald. In het geval de Inspecteur de genoemde geldleningen en renteswapovereenkomst als één overeenkomst beschouwt, betoogt belanghebbende primair dat de Inspecteur niet beschikt over het voor navordering vereiste nieuwe feit en dat de Inspecteur bij belanghebbende het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de fiscale gevolgen van de overeenkomsten van geldlening op een juiste wijze zijn verwerkt, zodat de correcties uit dien hoofde niet in stand kunnen blijven. Indien het Hof van oordeel is dat het niet doorberekenen van de kosten van de renteswapovereenkomst moet worden aangemerkt als een winstuitdeling welke opkomt in de jaren 2010 en later, zoals de Rechtbank heeft geoordeeld, is belanghebbende van mening dat de door [de a-bank] betaalde schadevergoeding in mindering dient te komen op de in aanmerking genomen winstuitdelingen overeenkomstig het oordeel van de Rechtbank. Het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur is volgens belanghebbende ongegrond. Voorts doet belanghebbende een beroep op vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten ter zake van het verweer inzake het incidenteel hoger beroep van de inspecteur.

3.5.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het niet doorberekenen van de kosten van de renteswapovereenkomst moet worden aangemerkt als uitdelingen van winst in de jaren waarin de kosten zijn opgekomen. De Inspecteur stelt zich voorts op het standpunt dat hij over een nieuw feit beschikt op grond waarvan navordering is toegestaan en dat van gewekt vertrouwen geen sprake is zodat hij ook uit dien hoofde bevoegd is het door belanghebbende aangegeven belastbare bedrag te corrigeren met de verkapte winstuitdelingen. In zijn incidenteel hoger beroep stelt de Inspecteur dat, in afwijking van het oordeel van de Rechtbank, de vergoeding van [de a-bank] moet worden toegerekend aan het jaar 2017.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Uit proceseconomische overwegingen behandelt het Hof eerst de vraag of belanghebbende winstuitdelingen heeft gedaan aan haar enig aandeelhouder door de kosten van de renteswapovereenkomst niet door te berekenen aan [A] en [B] .

4.2.

Op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel a, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) komen de niet onder artikel 9 Wet Vpb vallende onmiddellijke of middellijke uitdelingen van winst, onder welke naam of in welke vorm ook gedaan niet in aftrek bij het bepalen van de winst. Van een winstuitdeling is sprake in het geval van een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder, als gevolg waarvan aan het vermogen van de vennootschap enig geldbedrag of andere waarde, gedekt door de daarin aanwezige winst, ten gunste van de aandeelhouder wordt onttrokken. Voor het in aanmerking nemen van een verkapte winstuitdeling is, naast de genoemde vermogensverschuiving, vereist dat de vennootschap haar aandeelhouder heeft willen bevoordelen en dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich hiervan bewust waren dan wel redelijkerwijs bewust hadden moeten zijn (dubbele bewustheid). De bewijslast dat sprake is van een winstuitdeling rust op de Inspecteur.

4.3.

Volgens de Inspecteur moet het feit dat belanghebbende de kosten van de renteswapovereenkomst niet heeft doorberekend aan [A] en [B] worden aangemerkt als een verkapte winstuitdeling omdat de 1-maands Euribor rente die belanghebbende van [de a-bank] ontving, vanaf 2005 altijd lager is geweest dan de vaste rente van 5% die belanghebbende aan [de a-bank] diende te betalen. Ten tijde van het sluiten van de renteswapovereenkomst konden belanghebbende en [A] en [B] , volgens de Inspecteur, dan ook voorzien dat de renteswap een nadeel op zou leveren voor belanghebbende. Door de kosten van de renteswap niet door te berekenen aan [A] en [B] heeft er, aldus de Inspecteur, een vermogensverschuiving plaatsgevonden. Volgens de Inspecteur hadden belanghebbende en haar aandeelhouder zich tevens bewust moeten zijn van het feit dat belanghebbende haar aandeelhouder bevoordeelde door de kosten van de renteswapovereenkomst niet door te berekenen, omdat belanghebbende de renteswapovereenkomst moest afsluiten om de noodzakelijke financiering aan [A] en [B] te kunnen verstrekken voor de bouw van de herenboerderij.

4.4.

Hoewel het Hof met de Inspecteur van oordeel is dat belanghebbende de renteswapovereenkomst heeft afgesloten om de, voor de bouw van de herenboerderij, noodzakelijke financiering te verkrijgen, is het Hof van oordeel dat hieruit niet volgt dat het niet doorberekenen van de kosten van de renteswap moet worden aangemerkt als een verkapte winstuitdeling door belanghebbende. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

4.5.

Belanghebbende heeft een tweetal overeenkomsten gesloten met [de a-bank] , te weten de onder 2.5. genoemde financieringsovereenkomst en de onder 2.7. genoemde renteswapovereenkomst. Door het aangaan van beide overeenkomsten heeft belanghebbende zich verzekerd van de benodigde financiering tegen een, per saldo, vaste rente van 6%, bestaande uit de opslag van 1% verschuldigd over het investeringskrediet c.q. de financieringsovereenkomst en de vergoeding van 5% uit hoofde van de renteswapovereenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat de voorwaarden waaronder beide overeenkomsten zijn gesloten zakelijk zijn.

4.6.

Belanghebbende heeft de onder 4.5. beschreven financiering gebruikt voor het verstrekken van een geldlening aan [A] en [B] ter financiering van de herenboerderij. Het betreft in wezen één overeenkomst van geldlening tussen belanghebbende enerzijds en [A] en [B] anderzijds die naar behoefte werd uitgebreid met aanvullende bedragen die te leen aan [A] en [B] zijn verstrekt. De over de totale leensom verschuldigde rente werd daarbij achtereenvolgens vastgesteld op 4% (2008), 2,9% (2009) en 1,9% (2010, 2011 en 2012). In zijn conclusie van dupliek in hoger beroep heeft de Inspecteur bevestigd dat de zakelijkheid van deze lening niet in geschil is. Het Hof gaat daarom uit van de zakelijkheid van de overeenkomst van geldlening en de daarin overeengekomen rente. Deze uitleg acht het Hof in overeenstemming met het feit dat de desbetreffende overeenkomsten aan de Inspecteur zijn overgelegd bij de beoordeling van de aangifte Vpb voor het jaar 2009 en de Inspecteur in deze overeenkomsten geen aanleiding heeft gezien om nadere vragen te stellen. In afwijking van hetgeen de Inspecteur veronderstelt, is het Hof van oordeel dat belanghebbende met [A] en [B] geen vaste maar een variabele rente is overeengekomen, nu de rente bij opvolgende gelegenheden is gewijzigd en een bepaling over de looptijd van de rente in de overeenkomsten ontbreekt.

4.7.

Aldus bezien heeft belanghebbende de lening van [de a-bank] waarover zij, als gevolg van de gesloten renteswapovereenkomst, per saldo een vaste rente verschuldigd was, gebruikt voor het verstrekken van een lening waarover zij een variabele rente ontving. Van een bevoordeling van haar aandeelhouder is sprake, wanneer belanghebbende op verzoek van haar aandeelhouder een lening aangaat, om het geleende geld vervolgens onder voor haar aandeelhouder gunstiger voorwaarden aan haar aandeelhouder door te lenen. Van een dergelijke bevoordeling kan ook sprake zijn, wanneer belanghebbende – zoals in dit geval – onder zakelijke voorwaarden de geldlening aan haar aandeelhouder verstrekt. De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt, dat belanghebbende onder gunstiger voorwaarden een lening heeft verstrekt aan haar aandeelhouder. De enkele omstandigheid dat de rente op het uitgeleende geld lager is, dan op het ingeleende geld is daarvoor onvoldoende. De leningsovereenkomsten zijn immers niet onder dezelfde voorwaarden overeengekomen. De keuze van belanghebbende om het tegen een vaste rente ingeleende geld uit te lenen tegen een variabele rente kan voor haar zowel voor- als nadelig zijn, afhankelijk van de ontwikkelingen op de financiële markten. Naar het oordeel van het Hof was het, ten tijde van het verstrekken van de lening aan [A] en [B] , niet te voorzien dat de variabele rente op de financiële markten zich zodanig zou ontwikkelen dat belanghebbende uiteindelijk een lagere rente van [A] en [B] zou ontvangen dan zij per saldo aan [de a-bank] verschuldigd was. De Inspecteur heeft zijn standpunt dat belanghebbende had kunnen voorzien dat zij voor het uitgeleende geld minder zou ontvangen dan zij voor het ingeleende geld moest betalen, onderbouwd door er naar te verwijzen dat de variabele rente die [de a-bank] aan belanghebbende diende te vergoeden vanaf 2005 geen moment hoger is geweest dan de vaste rente van 5%. De Inspecteur heeft niet onderbouwd waarom belanghebbende en [A] en [B] economisch inzicht hebben in de toekomstige bewegingen op de geldmarkt. Hij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt, dat al bij het aangaan van de lening was te voorzien dat de financiering tot een nadeel voor belanghebbende en daarmee een begunstiging van [A] en [B] zou leiden.

4.8.

Gelet op de overwegingen 4.5. tot en met 4.7. acht het Hof de Inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat belanghebbende een voordeel heeft doen toekomen aan haar aandeelhouder door de kosten van de renteswapovereenkomst niet door te berekenen aan [A] en [B] .

4.9.

Nu het Hof heeft geoordeeld dat het niet doorbelasten van de kosten van de renteswapovereenkomst niet kan worden aangemerkt als een uitdeling van winst behoeven de overige standpunten van partijen geen behandeling meer.

4.10.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente en belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de navorderingsaanslag over het jaar 2010 alsmede de primitieve aanslagen voor de jaren 2011 en 2012 betreft.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond en het incidentele hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

De Rechtbank heeft de kosten voor de behandeling van het bezwaar en het beroep vastgesteld op € 1.252,50. Daartegen zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan zal uitgaan.

Naar het oordeel van het Hof zijn er geen bijzondere omstandigheden aanwezig die aanleiding geven af te wijken van het in artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief. Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen grond dat de Inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975) noch dat het door hem ingenomen standpunt in de daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden (HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802).

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.575 voor de kosten in hoger beroep (3 punten (hogerberoepschrift 1 punt, conclusie van repliek 0,5 punt, schriftelijke zienswijze incidenteel beroep 1 punt en conclusie van dupliek incidenteel hoger beroep 0,5 punt))  wegingsfactor 1  factor 1 voor samenhangende zaken  € 525).

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht,

– vernietigt de uitspraken op bezwaar,

– vermindert de navorderingsaanslag voor het jaar 2010 tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 388.076,

– vermindert de aanslag voor het jaar 2011 tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 417.695,

– vermindert de aanslag voor het jaar 2012 tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 348.999,

– vermindert de heffingsrente en de belastingrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 1.575, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 508 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2020.

De griffier is verhinderd De voorzitter,

de uitspraak te ondertekenen.

(T.H.J. Verhagen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 juni 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.