Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4214

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
03-06-2020
Zaaknummer
21-006495-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006495-19

Uitspraak d.d.: 3 juni 2020

TEGENSPRAAK

PROMIS

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 11 december 2019 met parketnummer 05-117242-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in Penitentiaire Inrichting Achterhoek - Gev. Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. I.A. van Straalen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van de duur van het voorarrest voor -kort gezegd- brandstichting (feit 1) en wederspannigheid (feit 2). Daarnaast heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1.
Hij op 13 mei 2019 op/aan het [adres 1] en/of in de nabijheid van de [adres 2] te [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland opzettelijk brand heeft gesticht door, één of meerdere ke(e)ren, een aansteker en/of een vlam(men) en/of (een) vonk(en) van enig(e) (brandba(a)r(e)) voorwerp(en) en/of open vuur in aanraking te brengen met (een) (droge) tak(ken) en/of heide(grond), althans (met) (een) brandba(a)r(e) materia(a)l(en), en/of ten gevolge waarvan één of meerdere bo(o)m(en) en/of struik(en) en/of plant(en) en/of een bosperceel, althans diverse flora, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan - gemeen gevaar voor omringend(e) bomen, struiken, planten, bospercelen en/of (een) in de nabijheid gelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was, en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner(s) van de nabijgelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.


2.
Hij op of omstreeks 13 mei 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, tegen (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] , brigadier van politie en/of [verbalisant 2] brigadier van politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet, immers heeft hij verdachte - (met gebalde vuist) in de richting van die verbalisant [verbalisant 1] en/of verbalisant [verbalisant 2] geslagen en/of - zich uit de greep van die verbalisant [verbalisant 1] en/of verbalisant [verbalisant 2] geprobeerd los te rukken en/of zich losgetrokken uit de greep van die verbalisanten en/of - zich in tegengestelde richting bewogen van de richting waarin verbalisant(en) hem, verdachte, wilden bewegen en/of - één of meerdere slaande beweging(en) in de richting van die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] gemaakt;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie, vanwege de vele vormfouten, omissies en slordigheden in het onderzoek, niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. De raadsman heeft er in dit verband op gewezen dat de in beslag genomen voorwerpen niet deugdelijk fotografisch zijn vastgelegd voor het dossier en ooggetuigen nimmer zijn geconfronteerd met deze gegevens. Voorts zijn, aldus de raadsman, de verklaring van verdachte in het bijzonder het door hem opgegeven alibi, onvoldoende, namelijk te laat en ontoereikend, geverifieerd. Verslaglegging omtrent de herkomst van bij het cellencomplex afgegeven kleding ontbreekt. Een ‘anoniem’ meldformulier is op onverklaarbare wijze verdwenen en het onderzoek naar het kenteken is niet volledig geweest. Bovendien heeft, aldus de raadsman, de verhoorregistratie niet conform de Aanwijzing Auditief en Audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten plaatsgevonden.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging. Niet-ontvankelijkverklaring in de vervolging van verdachte in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is in slechts zeer uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak zijn tekortgedaan. De advocaat-generaal heeft in dit verband verwezen naar de rechtspraak van de Hoge Raad van 30 maart 2004, LJN AM 2533 (het Afvoerpijparrest) en het Zwolsman-criterium.

De verhoren van verdachte en de getuigen hadden inderdaad moeten worden geregistreerd, maar uit dit vormverzuim vloeit geen nadeel voor verdachte. Het niet registreren van de verhoren en verklaringen van verdachte is gecompenseerd door de aanwezigheid van een advocaat. Voorts is er geen enkele aanleiding om te denken dat de getuigen, twee mensen op leeftijd, de intentie hadden om verdachte ten onrechte als dader aan te wijzen.

Oordeel van het hof

Met de raadsman is het hof van oordeel dat het onderzoek zoals dat is uitgevoerd, onvolledig is geweest. Echter niet kan worden gesteld dat met de door de raadsman geschetste omissies, ook niet in onderling verband en samenhang beschouwd, doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Derhalve zal het beroep op de niet-ontvankelijk van het openbaar ministerie niet worden gehonoreerd.

Voorts wordt nog het navolgende overwogen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het niet deugdelijk fotografisch vastleggen van de in beslag genomen voorwerpen, het niet confronteren van de getuigen met de (foto’s van) deze voorwerpen en het niet zorgvuldig onderzoeken van het door de getuige [getuige 1] genoemde kenteken, geen vormverzuimen zijn in de zin van artikel 359a Sv. Het hof is niet gebleken dat door het ontbreken van deze onderzoekshandelingen een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Het door verdachte opgegeven alibi is naar het oordeel van het hof (uiteindelijk) waar mogelijk toereikend geverifieerd.

Vanwege het gebrekkig registreren van de kleding die naar het politiebureau dan wel de gevangenis is gebracht, zal het hof de in het dossier opgenomen gegevens betreffende deze kledingstukken niet voor het bewijs gebruiken, zodat verdachte op dit onderdeel niet in zijn verdediging wordt geschaad.

De anonieme melding zal vanwege het anonieme karakter niet als bewijsmiddel worden gebruikt, zodat verdachte ook op dit onderdeel niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat het verhoor van verdachte niet conform de Aanwijzing Auditief en Audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten is geregistreerd. De raadsman van verdachte was bij het verhoor aanwezig en verdachte heeft de door hem afgelegde verklaring bij die gelegenheid ondertekend. Naar het oordeel van het hof is het niet registreren van dit verhoor conform genoemde Aanwijzing onder deze omstandigheden niet een verzuim dat moet leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie.

Ook het niet conform de genoemde Aanwijzing registreren van de verhoren van de getuigen leidt naar het oordeel van het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging reeds nu de verdediging de betreffende getuigen bij de rechter-commissaris heeft ondervraagd.

Vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken en overweegt daartoe als volgt.

Door getuige [getuige 1] is verklaard dat hij op de heide in [gemeente] zag dat een man op een aantal plaatsen de heide in brand stak. Die man reed vervolgens weg op een scooter. De op dat moment 72-jarige getuige is toen de heuvel waarop hij zich met zijn echtgenote bevond, afgerend en trof de persoon op de scooter op het fietspad. Getuige wilde de man op de scooter laten stoppen. Hij pakte hem daartoe bij zijn schouder beet. De man gaf echter gas en reed weg. De getuige kon op dat moment het kenteken opnemen. De getuige is toen terug gerend naar zijn echtgenote op de heuvel. Daar aangekomen heeft hij het gedeelte van het kenteken dat hij op dat moment nog onthouden had in het zand geschreven. Dit was [kenteken] .

Het aldus bekend geworden deel van het scooter-kenteken is een belangrijke opsporings-indicator. Als bewijsmiddel is het echter met terughoudendheid te gebruiken. De omstandigheden waaronder het kenteken is waargenomen en in het zand is geschreven en het feit dat de getuige zich, teruggekomen bij zijn echtgenote, het kenteken niet meer geheel kon herinneren, maken naar het oordeel van het hof een vergissing in het wel gememoreerde deel van het kenteken immers geenszins denkbeeldig.

Buiten het gegeven dat verdachte de middag van de brandstichting in [gemeente] en omgeving in het bezit was van de scooter met kenteken [kenteken] is er geen bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij de brandstichting.

De getuige heeft op de dag van het incident als signalement opgegeven: een breed en stevig postuur, integraal helm, ik dacht zilverkleurig, in ieder geval licht van kleur, wazig uit zijn ogen kijkend, een lichtkleurig jack, blauw grijs, rijdend op een glimmende zilverkleurige scooter. Dit signalement is naar het oordeel van het hof te algemeen om daarmee verdachte te koppelen aan het incident, zelfs als het signalement al van toepassing is op verdachte; op dit punt zijn de resultaten van het onderzoek namelijk nogal onduidelijk gebleven.

Zo wordt uit het dossier niet, althans onvoldoende, duidelijk welke kleding verdachte de middag van het incident gedragen heeft. Daarmee is het niet meer mogelijk te beoordelen of het kledingsignalement zoals opgegeven door de getuige, past bij de kleding die verdachte die middag droeg.

Hierdoor kon echter ook ander belangrijk onderzoek niet uitgevoerd worden, te weten DNA-onderzoek op de kleding die verdachte die middag gedragen had. Met dergelijk DNA-onderzoek had vastgesteld kunnen worden of DNA-materiaal van de getuige – die heeft aangegeven de dader bij de schouder vastgepakt te hebben teneinde hem tot stoppen te dwingen – op de kleding van verdachte was achtergebleven.

Ook blijkt uit het dossier niet van enige confrontatie van de onder verdachte in beslaggenomen scooter, helm of kleding met de beide getuigen.

Het hof is van oordeel dat deze omissies in het onderzoek thans niet meer hersteld kunnen worden door nader onderzoek uit te voeren. Het hof concludeert dan ook dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de hem onder 1 ten laste gelegde brandstichting heeft gepleegd. Verdachte dient derhalve van dit feit te worden vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd [getuige 2] als getuige te horen ingeval het hof het voorliggende bewijs onvoldoende zou vinden om verdachte te veroordelen. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat genoemde [getuige 2] de enige andere in Nederland geregistreerde grijze scooter met een kenteken beginnend met [kenteken] op zijn naam had op de dag van het incident. Het uitsluiten van deze persoon als mogelijke dader zou derhalve aanvullend bewijs richting verdachte opleveren.

Het hof wijst het verzoek om [getuige 2] als getuige te horen af. Gelet op het vorenstaande ligt er immers onvoldoende bewijs dat verdachte de hem ten laste gelegde brandstichting heeft gepleegd, ook als onomstotelijk vast zou komen te staan dat de op naam van [getuige 2] geregistreerde scooter op de dag van het incident niet in [gemeente] was.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder feit 2 tenlastegelegde

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
hij op of omstreeks 13 mei 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, tegen (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] , brigadier van politie en/of [verbalisant 2] brigadier van politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet, immers heeft hij, verdachte

- (met gebalde vuist) in de richting van die verbalisant [verbalisant 1] en/of verbalisant [verbalisant 2] geslagen en/of

- zich uit de greep van die verbalisant [verbalisant 1] en/of verbalisant [verbalisant 2] geprobeerd los te rukken en/of zich losgetrokken uit de greep van die verbalisanten en/of

- zich in tegengestelde richting bewogen van de richting waarin verbalisant(en) hem, verdachte, wilden bewegen en/of

- één of meerdere slaande beweging(en) in de richting van die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte, door zich bij zijn aanhouding te verzetten tegen de verbalisant, er blijk van heeft gegeven geen respect te hebben voor het bevoegde gezag. In het nadeel van verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 april 2020 blijkt dat hij vele malen eerder is veroordeeld voor tal van misdrijven, hetgeen hem er blijkbaar niet van weerhouden heeft opnieuw een strafbaar feit te begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Wijst af het verzoek tot het horen van de heer [getuige 2] als getuige door de raadsheer-commissaris.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.P. Bordes, voorzitter,

mr. M. Keppels en mr. M.H.D.M. van Leent, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.G. Nijenhuis, griffier,

en op 3 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Y.M.G. Nijenhuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 3 juni 2020.

Tegenwoordig:

mr. M. Keppels, voorzitter,

mr. drs. I.E.W. Gonzales, advocaat-generaal,

mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.