Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4212

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
200.249.300/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst zeiljacht. Hoogte herstelkosten gebreken. Uitleg overeenkomst. Ontbindingsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.249.300/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Zwolle: 6440252)

arrest van 2 juni 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.M. de Hair, kantoorhoudend te Venlo,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,

2. [geïntimeerde2],

wonende te [B] ,

3. Seawind Adventures V.O.F.,

gevestigd te Deventer,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: Seawind c.s.,

advocaat: mr. J.C. Klompé, kantoorhoudend te Loosdrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van
12 december 2017 en 24 juli 2018 die de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft gewezen (hierna: de kantonrechter).

2 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

2.1

Bij tussenarrest van 7 mei 2019 heeft het hof een comparitie van partijen gelast en deze bepaald op 9 april 2020 te 13.30 uur. De comparitie van partijen heeft door de corona-crisis en de daarmee gepaard gaande overheidsmaatregelen geen plaats gehad.

2.2

Het hof heeft partijen per brief gevraagd of zij op een later moment alsnog een mondelinge behandeling van hun geschil wensen dan wel wensen dat arrest wordt gewezen op het gefourneerde dossier. Partijen hebben op de rol van 14 april 2020 arrest gevraagd, waarna het hof een datum voor arrest heeft bepaald.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2

Op 17 augustus 2017 hebben partijen wilsovereenstemming bereikt over de verkoop

van het zeewaardig zeiljacht [C] (een Beneteau Oceanis 500 Clipper uit 1991 met 8 slaapplaatsen; hierna: het zeiljacht) door [appellant] aan Seawind c.s., voor een koopprijs van € 67.500,-.

3.3

Op 30 augustus 2017 hebben Seawind c.s. een proefvaart gemaakt met het zeiljacht, waarna partijen op dezelfde dag nog een schriftelijke koopovereenkomst hebben ondertekend.

3.4

In de schriftelijke koopovereenkomst is onder meer bepaald:

4.1.

Koper heeft het recht om binnen 10 werkdagen na ondertekening van deze

overeenkomst (echter vóór levering) het vaartuig voor eigen rekening te laten hellingen en/of

keuren door een erkend expertisebureau naar uitsluitend zijn/haar keuze. (...)

4.2.

Indien er bij de expertise, als onder punt 4.1. omschreven, wezenlijke gebreken aan

het schip blijken te zijn waarvoor door partijen geen voorbehoud is gemaakt, zal als volgt

worden gehandeld, waarbij het uitgangspunt dient te zijn dat zowel Koper als Verkoper naar

alle redelijkheid tot een oplossing proberen te komen:

a. a) Koper accepteert de geconstateerde gebreken als zijnde onderdeel van de koop.

b) Verkoper laat herstellen op vakbekwame wijze en binnen redelijke termijn voor zijn

rekening en tot tevredenheid van de expert.

c) Partijen verrekenen de door de expert vast te stellen kosten van herstel met de

overeengekomen verkoopprijs van het vaartuig, een en ander ter keuze van de Verkoper.

4.3.

Zowel Koper als Verkoper heeft het recht deze overeenkomst eenzijdig en zonder

tussenkomst van de rechter te ontbinden, wanneer de kosten van het in artikel 4.2. bedoelde

herstel meer dan 10% van de koopsom bedragen of wanneer de expert het schip afkeurt. (...)

5.1.

In geval partijen niet aan hun uit deze overeenkomst voortvloeiende betalings- of

andere verplichtingen voldoen, verbeurt de nalatige partij aan de andere partij een direct en

zonder formaliteit opeisbare en niet voor matiging of compensatie vatbare boete van 10%

van de verkoopprijs, één en ander onverminderd het recht van de niet nalatig partij om

boven voornoemde boete van zijn werkelijk geleden schade als gevolg van het verzuim te

vorderen, evenals het recht om alle eventuele buitengerechtelijke incassokosten te vorderen.

5.2.

Indien er sprake is van verzuim van de zijde van de Koper zoals omschreven in

artikel 5.1. heeft Verkoper tevens de keuze tussen het vorderen van nakoming van de

overeenkomst en het zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden van de overeenkomst. In

geval van dit laatste blijft Koper de boete verschuldigd en dient hij de schade als gevolg van

zijn verzuim te vergoeden.

3.5

Seawind c.s. hebben gebruik gemaakt van het in artikel 4.1. van de koopovereenkomst genoemde recht om het zeiljacht door een expert te laten keuren. In hun opdracht heeft bureau Blink Jachtexpertise te Harderwijk (hierna: de expert) op

1 september 2017 een expertise uitgevoerd en op 6 september 2017 daarover gerapporteerd.

3.6

In het rapport concludeert de expert dat het zeiljacht “in voldoende tot matige staat”

verkeert. In het rapport wordt een lijst met 29 punten genoemd, die als “wezenlijke gebreken” worden aangemerkt en een lijst met 82 punten die worden aangemerkt als

“aandachtspunten, maar geen wezenlijke gebreken”.

3.7

In een e-mail van 6 september 2017 heeft de expert als “richtprijs repareren wezenlijke gebreken” een bedrag van ongeveer € 12.000,- opgegeven.

3.8

Hierna hebben partijen overleg gehad over een mogelijke oplossing over de geconstateerde gebreken. [appellant] heeft gedurende dat overleg enige herstelwerkzaamheden uitgevoerd.

3.9

Op 15 september 2017 hebben Seawind c.s. per e-mail aan [appellant] laten weten alsnog van de koop van het zeiljacht af te zien. Zij schrijven dat zelfs als partijen nog prijsovereenstemming zouden bereiken, zij er niet op vertrouwen dat de verdere oplevering zonder problemen gaat. “Kortom”, zo schrijven zij, “wij hebben er geen vertrouwen meer in”.

3.10

In een brief van 17 september 2017 hebben Seawind c.s. [appellant] laten weten de koopovereenkomst op grond van artikel 4.3 van de koopovereenkomst te ontbinden.

3.11

In een brief van 23 september 2017 heeft de toenmalige advocaat van [appellant] aan Seawind c.s. bericht dat de ontbinding niet wordt aanvaard. Seawind c.s. worden gesommeerd tot onmiddellijke betaling van de koopsom en het verlenen van medewerking aan de levering en overdracht van het zeiljacht.

3.12

In een brief van 26 september 2017 heeft [appellant] op zijn beurt verklaard de koopovereenkomst op grond van artikel 5.2 te ontbinden en aanspraak gemaakt op de door Seawind c.s. verbeurde contractuele boete van € 6.750,-, met wettelijke rente en verdere schadevergoeding.

3.13

Op 16 oktober 2017 heeft [appellant] conservatoir derdenbeslag laten leggen op

de bankrekening van Seawind c.s. bij de bankinstelling Bunq B.V. te Amsterdam.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg - verkort weergegeven - gevorderd

a. a) een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst tussen partijen door [appellant] op 26 september 2017 rechtsgeldig is ontbonden;

b) betaling van een bedrag aan € 6.750,- aan contractuele boete;

c) betaling van een bedrag van € 3.000,- aan buitengerechtelijk kosten;

d) betaling van een bedrag van € 7.129,76 aan schadevergoeding,
alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van Seawind c.s. in de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen.

4.2

Seawind c.s. hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] . In voorwaardelijke reconventie hebben Seawind c.s. - samengevat - betaling gevorderd van een bedrag van € 733,75 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en reconventie.

4.3

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en die van Seawind c.s. toegewezen. Ook heeft de kantonrechter [appellant] in conventie en reconventie in de proceskosten veroordeeld en in de nakosten.

5 De beoordeling van de vorderingen en de grieven


De vorderingen

5.1

[appellant] vordert in hoger beroep - verkort weergegeven - vernietiging van de vonnissen van de kantonrechter van 12 december 2017 en 24 juli 2018, alsnog afwijzing van de vorderingen van Seawind c.s. en, na eiswijziging bij memorie van grieven,

1. een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst tussen partijen door [appellant] op

26 september 2017 rechtsgeldig is ontbonden;

2. Seawind c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [appellant] de contractuele boete van

€ 6.750,- te betalen;

3. Seawind c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [appellant] een bedrag van

€ 12.314,63 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen, althans een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten dat het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

4. Seawind c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [appellant] een bedrag van € 3.777,32 aan schadevergoeding te betalen, althans een bedrag aan schadevergoeding dat het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, met hoofdelijke veroordeling van Seawind c.s. tot betaling van de wettelijke rente over deze bedragen en tot betaling van de proceskosten in beide instanties, de beslagkosten en de nakosten daaronder begrepen.

De grieven

5.2

[appellant] heeft het vonnis van de kantonrechter van 24 juli 2018 in hoger beroep bestreden met een achttal grieven. Tegen het vonnis van 12 december 2017 zijn geen grieven gericht. [appellant] zal daarom niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn hoger beroep tegen dit vonnis. De grieven I tot en met V komen er naar de kern genomen op neer dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de herstelkosten van de wezenlijke gebreken meer dan 10% van de koopprijs van het zeiljacht hebben bedragen en dat Seawind c.s. daarom het recht hadden de koopovereenkomst met [appellant] te ontbinden. Het hof zal deze grieven hierna, deels gezamenlijk, bespreken aan de hand van de volgende onderwerpen.

Hoogte herstelkosten

5.3

Met de eerste twee grieven komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de in artikel 4.3 van de koopovereenkomst bedoelde herstelkosten aan het zeiljacht meer bedroegen dan 10% van de koopprijs. De grieven richten zich daarmee in feite tegen de uitleg die de kantonrechter aan artikel 4.3 van de koopovereenkomst heeft gegeven.

5.4

De vraag wat partijen in artikel 4.3 van de koopovereenkomst zijn overeengekomen, dient te worden beantwoord aan de hand van de zogeheten Haviltex-maatstaf.1 Toepassing van de Haviltex-maatstaf brengt mee dat de vraag wat partijen in artikel 4.3 zijn overeengekomen niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van die bepaling. Doorslaggevend bij de uitleg daarvan is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voor de uitleg van een specifieke bepaling, in dit geval artikel 4.3, geldt verder dat deze niet geïsoleerd dient te worden beoordeeld, maar in verhouding tot de rest van het artikel en de aard en strekking daarvan.

5.5

In artikel 4 (“Expertise”) staat dat de koper (Seawind c.s.) het recht heeft het vaartuig voor eigen rekening te laten keuren door “een erkend expertisebureau naar uitsluitend zijn/haar keuze”. Artikel 4.2 verwijst naar de expertise in artikel 4.1 en bepaalt vervolgens dat de expert de herstelkosten van de bij die expertise geconstateerde “wezenlijke gebreken” voor partijen vaststelt. Gelet op het uit beide artikelleden blijkende recht en belang van de koper bij het zèlf kunnen inschakelen van een expert en het door déze expert laten vaststellen van de herstelkosten (zie onder b van artikel 4.2) brengt een redelijke uitleg van het daarop volgende derde lid van artikel 4 met zich dat ook de in dat artikellid gebruikte woorden “kosten van herstel” zien op de kosten, zoals deze door de op grond van artikel 4.1 door de koper ingeschakelde expert aan de hand van zijn expertise zijn vastgesteld.

5.6

De stelling (zie randnummer 30 van de memorie van grieven) van [appellant] dat met de in artikel 4.3 genoemde “herstelkosten” slechts de (pas achteraf vast te stellen) ‘werkelijke kosten” van herstel zouden zijn bedoeld, verdraagt zich niet met de bewoordingen van artikel 4.3 en is bovendien ook niet te rijmen met het in dat artikel opgenomen recht van ontbinding van de koopovereenkomst door de koper. In dat geval zou namelijk niet eerder door de koper kunnen worden ontbonden dan nadat de werkelijke herstelkosten volledig aan partijen bekend zouden zijn geworden. Het is niet aannemelijk dat dit door partijen bedoeld zou zijn en [appellant] noemt ook geen argumenten die steun geven aan zijn uitleg en/of hem goede reden gaven om op die uitleg te vertrouwen. Integendeel: dat met de “herstelkosten” in artikel 4.3 inderdaad de door de expert vast te stellen kosten werden bedoeld en dat [appellant] dit ook zo heeft begrepen kan worden afgeleid uit de e-mail van de makelaar van [appellant] van 15 september 2017 (productie 4E van de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in voorwaardelijke reconventie). In die e-mail verwijst de makelaar van [appellant] naar de door de expert uitgevoerde keuring en merkt, kennelijk na overleg met [appellant] , op dat “een hoop van de gebreken (…) inmiddels (is) opgelost tot onder de genoemde 10% van de koopsom”. Ook de in de pleitnota (randnummer 20) van [appellant] in eerste aanleg gedane uitlating "dat de herstelkosten door de betrokken expert dienen te worden begroot" wijst erop dat ook [appellant] heeft begrepen dat de door de koper aangewezen expert – en niet partijen of andere derden - de herstelkosten voor partijen vaststelt.

5.7

Op grond van de hiervoor gegeven uitleg aan artikel 4.3 van de koopovereenkomst komt dus ook het hof tot het oordeel dat het aan de door Seawind c.s. ingeschakelde expert was om aan de hand van de door hem uitgevoerde keuring de hoogte van de herstelkosten

aan het zeiljacht vast te stellen. Nu deze kosten volgens een inschatting van de expert inderdaad (ruim) meer bedroegen dan 10% van de koopprijs, was in beginsel voldaan aan de voorwaarde waaronder Seawind c.s. hun bevoegdheid tot ontbinding konden inroepen en falen de beide grieven.

5.8

De derde grief van [appellant] bouwt voort op de eerste twee grieven en faalt eveneens. Zoals [appellant] terecht opmerkt (randnummer 48 van de memorie van grieven) was het niet aan partijen zelf om een inschatting te maken van de vraag of de herstelkosten onder of boven 10% van de koopprijs lagen. Zijn betoog dat die kosten onder de 10% lagen berust echter uitsluitend op zijn eigen, achteraf gemaakte inschatting van wat een reëel bedrag aan herstelkosten zou inhouden. Zoals uit het voorgaande al is gebleken is het echter de kennelijke (en begrijpelijke) bedoeling van partijen geweest om discussie over de hoogte van de herstelkosten te voorkomen door deze hoogte niet zelf te bepalen maar deze door de expert van de koper te laten vaststellen. Nu dit tussen partijen is overeengekomen kan [appellant] zich niet achteraf onttrekken aan die afspraak omdat hij (bij nader inzien) andere gedachten heeft over de hoogte van de herstelkosten. [appellant] heeft verder niet (voldoende gemotiveerd) aangevoerd dat de expert de hoogte van de herstelkosten onjuist zou hebben geschat. De door hem genoemde bescheiden en overzichten, waaruit naar zijn opvatting de werkelijke herstelkosten zouden blijken - maar waarvan de juistheid door Seawind c.s. is betwist - zijn daartoe in elk geval niet voldoende. Daaruit valt niet voldoende te herleiden hoe de situatie was toen deze door de expert is beoordeeld. Hetzelfde geldt voor zijn bedenkingen bij de samenstelling van de lijst met wezenlijke gebreken en de daaraan gekoppelde kosteninschatting van de expert.

Ontbreken afspraak tot herstel; ontbindingsrecht

5.9

Omdat [appellant] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet is gebleken van een afspraak tussen partijen dat [appellant] de door de expert geconstateerde gebreken zèlf zou herstellen, faalt de vierde grief bij gebrek aan belang. Het hof zal evenals de kantonrechter hierna tot uitgangspunt nemen dat een afspraak als bedoeld niet door partijen is gemaakt.

5.10

Dat brengt het hof op de vijfde grief. Ook deze grief faalt. Uit de elders in de memorie van grieven door [appellant] betrokken stellingen leidt het hof af dat hij kennelijk van mening is dat hij - door voor de herstelmogelijkheid onder b van artikel 4.2 te kiezen - aan Seawind de mogelijkheid heeft ontnomen om op grond van artikel 4.3 de koopovereenkomst te ontbinden. Dit standpunt is door Seawind c.s. bestreden. Seawind c.s. wijzen erop dat de mogelijkheden van artikel 4.2 en 4.3 - in elk geval bij overschrijding van de 10%-grens aan herstelkosten - naast elkaar bestaan. Volgens Seawind c.s. hebben zij eerst getracht langs de weg van artikel 4.2 tot een oplossing te komen, maar hebben zij, toen dat niet lukte, kunnen kiezen voor de optie van artikel 4.3. Het hof volgt Seawind c.s. hierin. Indien de artikelen 4.2 en 4.3 in samenhang worden gelezen kan redelijkerwijs geen andere conclusie worden getrokken dan dat, in elk geval bij overschrijding van de 10%-grens aan herstelkosten, Seawind c.s. het recht toekwam te ontbinden. Het hof verwerpt de door [appellant] gekozen alternatieve uitleg. Deze zou namelijk tot het onaannemelijke resultaat leiden dat het ontbindingsrecht ook bij overschrijding van genoemde 10%-grens door [appellant] (door voor de herstelmogelijkheid onder b van artikel 4.2 te kiezen) naar eigen inzicht buiten effect zou kunnen worden gesteld. Daardoor zou artikel 4.3 in hoge mate ineffectief worden.

5.11

De conclusie is dat Seawind c.s. de koopovereenkomst op goede gronden hebben ontbonden.

Proceskosten in conventie

5.12

De zesde grief ziet op de veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie. Nu ook het hof tot het oordeel komt dat de vorderingen van [appellant] door de rechtbank terecht zijn afgewezen, deelt deze grief het lot van de vorige grieven.

Reconventionele vordering

5.13

De zevende grief ziet op de toewijzing van de vordering van Seawind c.s. in voorwaardelijke reconventie. Nu uit het voorgaande blijkt dat de grieven tegen het oordeel van de kantonrechter in conventie falen, faalt deze grief tevens voor zover deze ziet op het door de kantonrechter behandelen van de eis in voorwaardelijke reconventie. Nu tegen de toewijzing van de in voorwaardelijke reconventie ingestelde vordering verder geen inhoudelijke bezwaren zijn gericht, faalt de grief ook voor het overige.

Proceskosten in conventie en reconventie

5.14

De achtste grief overlapt deels met de zesde grief en ziet op de veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en reconventie. Ook deze grief bouwt voort op de hiervoor verworpen grieven en deelt daarvan het lot, zonder dat nog een zelfstandige beoordeling nodig is.

6 Slotsom

Slotsom is dat de grieven falen. In het falen daarvan ligt besloten dat ook de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar zijn. Het vonnis van 24 juli 2018 van de kantonrechter zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van Seawind c.s. in hoger beroep worden veroordeeld (1 punt, tarief III).

7 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het (tussen)vonnis van 12 december 2017;

bekrachtigt het vonnis van 24 juli 2018 dat de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Seawind c.s. vastgesteld op € 1.978,- voor verschotten en op € 1.391,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten van € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- indien [appellant] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente over € 157,- vanaf 14 dagen na dit arrest en indien ook de verhoging van € 82,- verschuldigd is, met de wettelijke rente vanaf het moment dat de verhoging verschuldigd wordt.

Dit arrest is gewezen door mr. P.S. Bakker, mr. R.E. Weening en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

dinsdag 2 juni 2020.

1 HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex).