Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4204

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
05-06-2020
Zaaknummer
200.267.180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verstekzaak, non-conformiteit van een boxspring, consumentenkoop, ontbinding en terugbetaling koopsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof A.200.267.180/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 7558044)

arrest van 2 juni 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. T.P. Boer, kantoorhoudend te Arnhem,

tegen

Cirkel Wonen B.V.,

gevestigd te Breukelen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Cirkel Wonen,

in hoger beroep niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

4 september 2019 dat de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 30 september 2019,

- de memorie van grieven (met producties).

2.2

Tegen Cirkel Wonen is verstek verleend.

2.3

Vervolgens heeft [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.1

Cirkel Wonen gebruikt de handelsnaam Meubelhoek.

3.2

[appellante] heeft op 5 maart 2018 een bed (boxspring) gekocht in de showroom van Meubelhoek te Zeist. Daarvoor heeft zij € 1.740,- aan Meubelhoek betaald; € 500,- als aanbetaling bij de koop en het resterende bedrag op 24 juli 2018.

3.3

Op 24 juli 2018 is bij [appellante] een boxspring bestaand uit één deel afgeleverd, dat zij niet heeft afgenomen.

3.4

Op 4 november 2018 is bij [appellante] een boxspring bestaande uit twee delen afgeleverd. Dit bed heeft [appellante] wel afgenomen, maar zij is ontevreden over de staat daarvan.

3.5

[appellante] heeft Meubelhoek daarom bij brief van 16 november 2018 in gebreke gesteld en haar de gelegenheid gegeven om binnen tien dagen alsnog de boxspring te leveren in de staat zoals [appellante] deze heeft gekocht en had mogen verwachten. Voor zover Meubelhoek haar verplichtingen niet binnen de gestelde termijn zou nakomen, heeft [appellante] de tussen partijen gesloten koopovereenkomst ontbonden.

3.6

Meubelhoek heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft in eerste aanleg bij de kantonrechter gevorderd Cirkel Wonen te veroordelen tot terugbetaling van de betaalde koopsom van € 1.740,- en betaling van een bedrag van € 260,- aan schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten.

4.2

De kantonrechter heeft in het vonnis van 4 september 2019 de vorderingen van [appellante] afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vorderingen in hoger beroep

5.1

[appellante] vordert in hoger beroep dat het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigt en de vorderingen van [appellante] alsnog toewijst, onder veroordeling van Cirkel Wonen in de kosten van beide instanties. [appellante] heeft daartoe twee grieven voorgedragen. Grief I heeft betrekking op het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] er niet in is geslaagd om aan te tonen dat het bed dat in tweede instantie is geleverd non-conform is. Met grief II keert [appellante] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de termijn in de ingebrekestelling van 16 november 2018 onredelijk kort is.

Non-conformiteit

5.2

Ambtshalve stelt het hof vast dat hier sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW, zodat daarop de dwingendrechtelijke bepalingen als genoemd in artikel 7:6 BW van toepassing zijn.

5.3

Net als de kantonrechter stelt het hof vast dat ter beoordeling voorligt of het bed dat Cirkel Wonen op 4 november 2018 bij [appellante] heeft afgeleverd, aan de overeenkomst beantwoordde.

5.4

[appellante] heeft in eerste aanleg gesteld dat dat niet het geval is. Het afgeleverde bed voldeed niet aan de staat die zij op basis van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst mocht verwachten. Er was sprake van beschadigingen, afwijkingen in de uitvoering ten opzichte van het bed zoals dat in de showroom was bezichtigd en vervolgens is overeengekomen, montageproblemen en ontbrekende montagevoorschriften.

In hoger beroep heeft [appellante] haar stellingen nader onderbouwd met foto’s van de gebreken en schriftelijke getuigenverklaringen van haar zoon [B] en van [C] .

Uit die getuigenverklaringen volgt dat het geleverde bed incompleet en beschadigd was.

Ook blijkt daaruit dat [appellante] direct contact met Cirkel Wonen heeft opgenomen en desgevraagd foto’s via WhatsApp heeft verzonden.

5.5

De door [appellante] geformuleerde gebreken betekenen naar het oordeel van het hof dat het bed niet heeft beantwoord aan de overeenkomst. Voor een bed van die prijs mag de koper een onbeschadigd en compleet bed verwachten dat met inbegrip van montagevoorschriften wordt afgeleverd. Uit de getuigenverklaringen volgt verder dat de gebreken zich binnen een termijn van zes maanden na de aflevering van het bed hebben geopenbaard. Gelet op het bepaalde in artikel 7:18 lid 2 BW wordt dan vermoed dat het bed reeds bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Tegenover dit wettelijk vermoeden kan de verkoper - Cirkel Wonen - tegenbewijs leveren. Dergelijk tegenbewijs is niet geleverd met de enkele - in eerste aanleg geponeerde - stelling van Cirkel Wonen dat de geleverde zaak niet gebrekkig is en dat zij niet tekortgeschoten is. Cirkel Wonen heeft in eerste aanleg ook nog de blote stelling betrokken dat [appellante] voor de goede ontvangst van de nalevering heeft getekend. Daargelaten welke conclusies daaraan verbonden zouden kunnen worden wat betreft de staat van het afgeleverde bed, is in de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt te vinden dat [appellante] voor de goede ontvangst van het afgeleverde bed op 4 november 2018 heeft getekend terwijl het op de weg van Cirkel Wonen had gelegen om haar stelling op dit punt van een nadere onderbouwing te voorzien. In hoger beroep is Cirkel Wonen niet verschenen, waarmee er ook geen reden bestaat haar toe te laten tot het leveren van het hier bedoelde tegenbewijs. Het gevolg van dit alles is dat het hof ervan uitgaat dat het bed bij aflevering op 4 november 2018 niet aan de overeenkomst beantwoordde.

Herstel of vervanging

5.6

Uitgaande van die toerekenbare tekortkoming in de nakoming had [appellante] recht op correcte nakoming daarvan. Uit de getuigenverklaringen die in hoger beroep zijn overgelegd volgt dat [appellante] tijdig bij Cirkel Wonen heeft geklaagd en dat ( [appellante] uit de mededelingen van Cirkel Wonen mocht afleiden dat) Cirkel Wonen niet bereid was om alsnog correct na te komen. Cirkel Wonen heeft in strijd met artikel 7:21 lid 3 BW dan ook nagelaten binnen redelijke termijn en zonder overlast voor [appellante] haar in artikel 7:21 lid 1 BW bedoelde verplichting na te komen. Voor zover vereist, constateert het hof dat Cirkel Wonen in verzuim is komen te verkeren ten aanzien van haar verplichting als bedoeld in artikel 7:21 lid 3 BW. Gesteld noch gebleken is immers dat Cirkel Wonen heeft gereageerd op de telefonische klacht van [appellante] en de in de brief van 16 november 2018 genoemde

aanmaning, die Cirkel Wonen naar eigen zeggen op 20 november 2018 heeft ontvangen; zij heeft ook niet aangegeven dat zij op een wat langere tijd wel de gebreken aan het bed kon herstellen. Uit het uitblijven van enige reactie van Cirkel Wonen mocht [appellante] in redelijkheid afleiden dat Cirkel Wonen niet bereid was om alsnog deugdelijk na te komen. Hieruit volgt dat ook als [appellante] aan Cirkel Wonen een langere termijn voor herstel zou hebben gegeven dat hoe dan ook niet tot een correcte nakoming door Cirkel Wonen zou hebben geleid.

Ontbinding en ongedaanmaking

5.7

Gelet hierop heeft [appellante] ingevolge artikel 7:22 lid 2 BW de bevoegdheid om op grond van artikel 7:22 lid 1 BW de koopovereenkomst te ontbinden. Ontbinding van de koopovereenkomst leidt tot ongedaanmakingsverbintenissen. Dit betekent dat [appellante] het bed dient terug te geven aan Cirkel Wonen en dat Cirkel Wonen de koopprijs terug dient te betalen aan [appellante] . Het hof zal Cirkel Wonen tot deze terugbetaling veroordelen. Over dit bedrag is Cirkel Wonen (als onweersproken) wettelijke rente verschuldigd, die het hof zoals gevorderd zal toewijzen vanaf de datum van dagvaarding (21 januari 2019).

Schadevergoeding

5.8

[appellante] vordert ook nog vergoeding van de kosten van de nodeloze reis die zij naar de showroom in Zeist heeft gemaakt, renteverlies, gemaakte telefoonkosten en immateriële schade. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen omdat met de brief van 16 november 2018 niet is voldaan aan het verzuimvereiste. Voor zover [appellante] met haar grieven is opgekomen tegen dit oordeel van de kantonrechter, overweegt het hof dat in het kader van een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW die hier aan de orde is, [appellante] dient te stellen en te bewijzen dat zij de gevorderde schade heeft geleden. Voor zover vereist, geeft het hof als zijn oordeel te kennen dat [appellante] onvoldoende gegevens heeft aangedragen waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat zij de door haar genoemde schade als gevolg van de incorrecte nakoming door Cirkel Wonen heeft geleden.

Buitengerechtelijke kosten

5.9

[appellante] heeft vergoeding gevorderd van door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 363,-. Zij heeft echter niet onderbouwd dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning. De kosten waarvan zij vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden. Dit gedeelte van de vordering van [appellante] zal daarom worden afgewezen.

6 De slotsom

6.1

De grieven slagen deels, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Cirkel Wonen in de kosten van beide instanties veroordelen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 4 september 2019 en doet opnieuw recht;

veroordeelt Cirkel Wonen om aan [appellante] binnen twee weken na betekening van dit arrest € 1.740,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2019 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Cirkel Wonen in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 81,- voor verschotten en op € 360,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 324,- voor verschotten en op € 759,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Willemse, J.H. Kuiper en W.F. Boele en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

2 juni 2020 .