Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4202

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
200.261.224
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buurweg. Het punt is dat de buurpercelen in elk geval tussen 1989 en 1993 in één hand zijn geweest. Naar het oordeel van het hof houdt die buurweg dan op te bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.261.224

(zaaknummer rechtbank Gelderland NL18.7729)

arrest van 2 juni 2020

in de zaak van

1 [appellant] en

2 [appellante],

beiden wonende te [A] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers van de vordering, verweerders op de tegenvordering,

hierna: [appellant] (mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. A. van Weverwijk,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: verweerder op de vordering, eiser van de tegenvordering,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. S.J. Bruins Slot.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 23 juli 2019 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van descente en comparitie van partijen ter plaatse van 24 oktober 2019

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

1.3

[appellant] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - de vernietiging van het vonnis van 27 februari 2019 en een verklaring voor recht dat de weg een buurweg is het nevenvorderingen.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

2.1

Partijen zijn buren van elkaar. [appellant] is in december 1993 eigenaar geworden van het perceel, plaatselijk bekend [a-straat] 4-6. In 2008 is [geïntimeerde] eigenaar geworden van het perceel, plaatselijk bekend [a-straat] 2. Tussen de woningen ligt een grindbed. Op dat grindbed komt een weg vanaf de [a-straat] uit (hierna: de weg). Vanaf het grindbed is er ook een achteruitgang naar de [b-straat] (hierna: de achteruitgang). Op onderstaande luchtfoto ligt links de [a-straat] , rechts de [b-straat] . De nummers 4 en 6 liggen boven en nummer 2 ligt onder de doorgaande grijs/witte lijn (vanaf links: de weg, het grindbed en de achteruitgang).

2.2

Beide percelen waren in de 18e en 19e eeuw in één hand. Eerst is de geschakelde woning met nummers 4 en 6 gebouwd (in het laatste kwart van de 18e eeuw). In 1922 is de woning met nummer 2 gebouwd. De eigenaar van beide percelen was toen [B] . Deze [B] is in nummer 2 gaan wonen en heeft de nummers 4 en 6 verhuurd.

2.3

In 1951 heeft [B] nummer 4 geschonken aan zijn zoon, hierna [C] . Nummer 6 bleef verhuurd. Na het overlijden van [B] waren zijn echtgenote en zoon erfgenaam. In 1989 is de echtgenote overleden. Op dat moment werd [C] - als enig erfgenaam - de eigenaar van de percelen en de woningen met nummers 2, 4 en 6.

2.4

In 1993 heeft [C] het perceel gesplitst en de nummers 4 en 6 verkocht aan [appellant] . De achteruitgang ligt op het perceel van [appellant] , de weg op het perceel met nummer 2. Ten gunste van [B] is een erfdienstbaarheid gevestigd om te komen en te gaan via de achteruitgang. Over de weg hebben partijen geen (notariële) afspraken gemaakt. [appellant] , zijn bezoek en derden hebben de weg gebruikt om te komen en te gaan naar en van het perceel van [appellant] en als doorgangsweg/sluiproute naar de [b-straat] .

2.5

In 2008 heeft [geïntimeerde] nummer 2 verworven inclusief de weg. In 2017 heeft hij op zijn perceel aan het einde van de weg, bij het grindbed, een hulsthaag geplant. Daardoor kan [appellant] niet meer via de weg in- en uitwegen naar de [a-straat] . Wel kan hij via de achteruitgang op de [b-straat] komen en via zijn garageoprit naar de [c-straat] .

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg - kort samengevat - een verklaring voor recht gevorderd dat hij door verjaring een erfdienstbaarheid van weg heeft gekregen met nevenvorderingen. De tegenvordering van [geïntimeerde] was voorwaardelijk.

3.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 27 februari 2019 de vordering van [appellant] afgewezen en kwam daarom niet meer toe aan de tegenvordering.

4 De beoordeling van het hoger beroep

4.1

[appellant] beroept zich in hoger beroep op het ontstaan van een buurweg en dat hij bezitter is van het recht van buurweg. [geïntimeerde] bestrijdt dat een buurweg is ontstaan en, voor zover die zou hebben bestaan, stelt hij dat deze niet meer bestaat.

4.2

Voor zover een buurweg heeft bestaan, is het inderdaad de vraag of die nu nog bestaat. Dit onderwerp is in het vonnis van de rechtbank summier aan de orde geweest. Tijdens de zitting ter plaatse in hoger beroep is dit onderwerp een paar keer aan de orde geweest en besproken. Het punt is namelijk dat de percelen in elk geval tussen 1989 en 1993 in één hand zijn geweest, te weten van [C] . Daarbij komt dat het nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1992 is ingevoerd. Na die datum kon een buurweg niet meer ontstaan. [appellant] is na de invoering van het Burgerlijk Wetboek eigenaar geworden.

4.3

De vraag is dan wat het lot van de buurweg is als de buurpercelen in één hand komen. Naar het oordeel van het hof houdt die buurweg dan op te bestaan. Juridisch kan dit op verschillende manieren worden beargumenteerd, maar dat leidt steeds tot dezelfde conclusie. [appellant] kan zich als eigenaar vanaf 1993 niet beroepen op een buurweg. Het hof legt hierna uit hoe het tot zijn oordeel is gekomen.

4.4

Onder het oude burgerlijk wetboek bepaalde artikel 719: “Voetpaden, dreven of wegen aan verscheidene geburen gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve zijn bestemd geweest.” De gemene toestemming van de verscheidene geburen kon een einde maken aan de buurweg. In dit geval is de omstandigheid dat er verscheidene geburen waren, tussen 1989 en 1993 opgehouden. De vraag is wat dan juridisch aan de hand is.

4.5

Het recht van gebruik van de buurweg kan de buur inroepen jegens de eigenaar van de buurweg. Als mogelijke rechthebbenden op het recht van buurweg worden aangemerkt de eigenaars (of zij die een zakelijk genotsrecht aan de eigenaar ontlenen) van de erven die op de weg uitkomen.1 Algemeen wordt verder aangenomen dat het recht een persoonlijk recht betreft uit hoofde van een kwalitatieve verbintenis op grond van de wet.

4.6

Als de rechthebbende op het recht van buurweg en de eigenaar van de weg in één persoon worden verenigd en er geen derden-eigenaren zijn die gebruik maken van de buurweg, moet worden aangenomen dat het recht van buurweg van rechtswege teniet gaat door vermenging. Dat is zo als het recht moet worden aangemerkt als een persoonlijk recht (door schuldvermenging) maar ook als het recht moet worden opgevat als een beperkt recht op een zaak (door zaaksvermenging)2.

4.7

Onder het oude recht kon een erfdienstbaarheid door bestemming - een erfdienstbaarheid die door splitsing van percelen ontstond - herleven als de percelen later waren samengevoegd en nadien opnieuw gesplitst. Voor zover de toestand van de onderhavige percelen gelijkenissen vertoont met het splitsen, samenvoegen en weer splitsen van twee aanliggende percelen én de mogelijkheid van herleven ook moet worden aangenomen voor de buurweg in een dergelijk geval, helpt dat [appellant] niet. Met de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek is de mogelijkheid van herleven vervallen.

4.8

Bij deze stand van zaken hoeft het hof niet meer in te gaan op de vraag of in het verleden een buurweg is ontstaan. Het hof passeert in dit kader dan ook het bewijsaanbod van [appellant] , omdat de te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden, indien bewezen, niet tot een andere conclusie kunnen leiden.

Slotsom

4.9

Het hoger beroep faalt zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten van [geïntimeerde] stelt het hof vast op € 324 aan griffierecht en op
€ 2.148 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II). Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 27 februari 2019;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 324 voor griffierecht en op € 2.148 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, F.J. de Vries en R.W.E. van Leuken, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2020.

1 HR 5 juni 1914 ECLI:NL:HR:1914:187 (https://www.navigator.nl/document/id8e6dd13d374fa1f921068a0e47974353?anchor=id-caf963dfa700bcea24e8a85f35971076) NJ 1914/845 en HR 1 maart 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB6640 NJ 1968/76.

2 Thans art. 3:81 sub e BW, dat overeenstemt met het vóór 1 januari 1992 geldende recht.