Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4189

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
05-06-2020
Zaaknummer
200.242.842
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedrog, wanprestatie en onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.242.842

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 411698)

arrest van 2 juni 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Blaustein CS B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

2. [appellant2] ,

wonende te [A] ,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk: Blaustein, en afzonderlijk: Blaustein CS respectievelijk V. Blaustein,

advocaat: mr. Y.A.E. Vlassenroot

tegen:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Folly Group Corp.,

gevestigd te Panama-Stad, Panama,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Folly,

advocaat: mr. S.R. Damminga.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 8 oktober 2019.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de namens Blaustein toegezonden aanvullende stukken (prod. 10 tot en met 14);

- het verhandelde ter comparitie op 24 februari 2020.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

1.4

Deze zaak is gevoegd met de zaak met zaaknummer 200.239.736 tussen [B] , de ex-echtgenote van [appellant2] en medegedaagde in eerste aanleg, als appellante en Folly als geïntimeerde. In die gevoegde zaak wordt eveneens heden arrest gewezen.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het vonnis van 28 februari 2018.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

Het gaat in dit geding kort samengevat om het volgende. Folly vertegenwoordigt de Russische familie [C] (hierna: de familie), voor zover hier relevant bestaande uit [D] ( [C] ), diens moeder [E] ( [E] ) en haar partner [F] ( [F] ). De familie heeft zich in 2012 gewend tot [appellant2] , de directeur van de Blaustein-groep, die bestaat uit veel rechtspersonen in veel landen, op het gebied van trusts en financiële en juridische dienstverlening. [appellant2] heeft door middel van zijn vennootschappen diensten verleend aan de familie. De familie heeft 20 betalingen gedaan, deels aan Blaustein-vennootschappen, deels aan derden. Op grond van haar stelling dat Blaustein de familie heeft bedrogen dan wel op grond van dwaling, toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad vorderde Folly terugbetaling van de betaalde bedragen tot een bedrag van € 735.303 althans schadevergoeding tot hetzelfde bedrag. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is geweest van bedrog, en heeft de vordering tot schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 536.088,10, met wettelijke rente.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Blaustein bestrijdt die beslissing met 22 grieven (grief 18 komt tweemaal voor), die zich grotendeels lenen voor gezamenlijke behandeling. Het hof zal hieronder eerst de vier belangrijkste geschilpunten tussen partijen bespreken en daarna de overige grieven behandelen. Die vier geschilpunten zijn:

- Is Blaustein opgetreden als advocaat of adviseur of geen van beide? Waren zijn adviezen deugdelijk? (grieven 5 tot en met 9)

- Heeft Blaustein de volmacht vervalst die is gebruikt bij de notariële overdracht van aandelen in Kimnet? (grieven 10 en 11)

- Heeft de familie de zeggenschap over Kimnet en Marg Invest behouden dan wel verkregen? (grieven 12 tot en met 15)

- Is sprake geweest van bedrog? (grieven 3, 4, 16 tot en met 18 (2x) en 20)

Is Blaustein opgetreden als advocaat of adviseur of geen van beide? Waren zijn adviezen deugdelijk?

4.2

Partijen zijn het erover eens dat de familie zich heeft gewend tot [appellant2] in verband met problemen die zij had met [G] , hierna: [G] . De familie had aan [G] in 2011 € 4,5 mio uitgeleend via Kimnet Holding B.V. (hierna: Kimnet), waarvan [G] aanvankelijk enig aandeelhouder was. [C] werd vervolgens meerderheidsaandeelhouder (60%) in Kimnet, tezamen met [G] . [G] bleek het geld te verduisteren en Kimnet leeg te halen, en bedreigde de familie.

4.3

Volgens Folly heeft de familie [appellant2] benaderd omdat die zich presenteerde als deskundig advocaat die bovendien Russisch sprak, om haar te adviseren en bij te staan bij de aanpak van deze situatie. Blaustein adviseerde onder meer om de aandelen in Kimnet te verkopen maar wel de zeggenschap te behouden, en vervolgens [G] te ontslaan.

4.4

[appellant2] , die geen advocaat is, stelt evenwel dat de familie zijn advies niet vroeg en ook niet nodig had, omdat zij kwam met een kant en klaar plan van aanpak, dat haar al door andere adviseurs was geadviseerd. Blaustein behoefde alleen trustdiensten te verlenen. De familie nam de initiatieven en instrueerde Blaustein wat te doen. Blaustein heeft geen advies gegeven, en kan dus ook geen onjuiste adviezen hebben gegeven. Dit thema komt terug in de grieven 5 tot en met 9, 16 en 20.

4.5

Het hof stelt voorop dat in ieder geval sprake is van een overeenkomst van opdracht, waarbij Blaustein opdrachtnemer is en de familie opdrachtgever. Van belang is dat Blaustein zich op het internet (www.blaustein.pro) presenteert als een wereldwijd conglomeraat van zeer deskundige juridische en financiële dienstverleners met verstand van personal finance, trusts, belastingen, verzekeringen en nog veel meer. Van de man aan de top van een dergelijk concern mag hoe dan ook deugdelijk advies worden verwacht. Dat geldt ook als [appellant2] zich niet zou hebben gepresenteerd als advocaat (maar als ‘lawyer’), zodat dat verder in het midden kan blijven. Dat een man in die positie zich zou laten inschakelen voor louter de uitvoering van een door anderen bedacht plan, is op voorhand niet erg aannemelijk. Gelet op die presentatie komt een zeker gewicht toe aan het feit dat Blaustein in zijn contacten met de familie (hoofdzakelijk bestaande uit Russische e-mails en skype-gesprekken) nimmer heeft bevestigd wat de omvang was van zijn opdracht, noch wat de verschillende te nemen stappen waren. Het hof neemt in aanmerking dat stelplicht en bewijslast met betrekking tot de door Folly aan Blaustein gemaakte verwijten op Folly rust, maar stelt vast dat het in ieder geval op de weg lag van Blaustein, als professionele dienstverlener, om de opdracht te bevestigen.

4.6

Nu een dergelijke opdrachtbevestiging ontbreekt, kan daaraan niet worden ontleend of juist is dat de familie Blaustein niet inschakelde voor advies. Dat de familie Blaustein benaderde met een vooropgezet plan, blijkt ook overigens uit niets. Blaustein heeft geen stukken laten zien waaruit dat plan blijkt en heeft niet aangevoerd wie dat plan zou hebben opgesteld, noch dat hij contact heeft gezocht met die adviseur om de verschillende te nemen acties af te stemmen. Het hof gaat er dan ook vanuit dat van een dergelijk vooropgezet plan geen sprake is geweest, zodat moet worden aangenomen dat Blaustein de verschillende genomen acties heeft geadviseerd. Zou al worden aangenomen dat Blaustein uitsluitend was ingeschakeld voor de uitvoering van zo’n vooropgezet plan, dan mag van een professioneel dienstverlener als Blaustein in ieder geval worden verwacht dat hij dat plan zelf ook beoordeelt op deugdelijkheid, en (desnoods ook ongevraagd) adviseert om het plan te wijzigen als het hem niet deugdelijk voorkomt. In het dossier zijn echter geen adviezen van Blaustein aan de familie te vinden. Evenmin heeft Blaustein vastgelegd dat hij afzag van advisering, omdat de familie die niet wenste.

4.7

Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank (r.o. 2.45) dat het in de (hiervoor onder 4.2 aangeduide) situatie waarin de familie zich tot Blaustein wendde (en waarover partijen het eens zijn), in ieder geval voor de hand lag om [G] onmiddellijk te schorsen, waartoe [C] als meerderheidsaandeelhouder de mogelijkheid had. Blaustein heeft aangevoerd dat het tijd kostte om Blaustein CS in positie te brengen als trustee van Kimnet. Hij maakt daarbij echter niet duidelijk waarom de schorsing van [G] daarop zou moeten wachten.

4.8

Het hof is ook met de rechtbank eens (r.o. 2.49) dat de overdracht van de aandelen in Kimnet aan een trustvennootschap (Marg Invest LLP, hierna: Marg Invest) onnodig was. Een goede reden daarvoor is niet gebleken. Blaustein voert terzake daarvan aan dat [C] de aandelen moest afstoten wegens een zogenaamde Poetinregel, die inhoudt dat Russische ambtenaren geen ondernemingen buiten Rusland mogen bezitten. Blaustein heeft dat verweer echter onvoldoende onderbouwd, gelet op de gemotiveerde betwisting door Folly zowel van de Poetinregeling zelf als ten aanzien van de vraag of die regel wel op [C] van toepassing is. Ook over dit onderwerp ontbreekt overigens een schriftelijk advies van Blaustein. Deze reden voor de aandelenoverdracht kan dan ook niet worden aangenomen; als Blaustein zulks heeft geadviseerd, was dat onjuist.

4.9

Folly stelt van haar kant dat Blaustein adviseerde (ook weer zonder schriftelijke vastlegging) dat [C] de aandelen moest afstoten om te voorkomen dat hij als aandeelhouder aansprakelijk zou kunnen worden gehouden voor de malversaties van [G] . Voor een dergelijke aansprakelijkheid kent het Nederlandse recht geen grondslag. Als deze versie juist is, is het advies van Blaustein eveneens onjuist.

4.10

Als Blaustein over dit onderwerp helemaal niet heeft geadviseerd, zoals hij stelt, is dat eveneens onjuist. Dan zag hij zich immers geconfronteerd met een plan van de familie waarvoor geen goede reden kenbaar is. In dat geval had hij moeten nagaan of de omslachtige constructie van een trustvennootschap en een interim-directeur wel zinvol was, en zo niet, had hij die constructie moeten afraden. Blaustein is dan ook tekortgeschoten in de uitvoering van zijn opdracht en heeft niet als goed dienstverlener gehandeld.

Heeft Blaustein de volmacht vervalst die is gebruikt bij de notariële overdracht van [C] ’s aandelen in Kimnet aan Marg Invest?

4.11

Met betrekking tot deze volmacht staat het volgende tussen partijen vast. Er is een volmacht ondertekend (beweerdelijk door [C] , maar dat staat niet vast, nu [C] dit ontkent) waarin de koper van de aandelen nog niet was ingevuld en waarin was opgenomen dat de purchase price € 100.000 bedroeg. Bij e-mailbericht van 31 oktober 2013 aan BlauStein Lawyers berichtte een medewerkster van de notaris aan Blaustein: ‘Beste [appellant2] , … Graag je akkoord op het concept van de akte en de eerste pagina van de volmacht op jullie gele papier afdrukken. Ik heb in de volmacht bij de koopsom nog toegevoegd dat de koopsom wordt omgezet in een lening. Ik zie [B] (mogelijk [B] , hof) om 2 uur verschijnen met de volmacht van MARG Invest LLP en de eerste pagina van de volmacht van de heer [C] .’1De notaris heeft op basis van die volmacht2, die dus is voorzien van een nieuwe eerste pagina, de akte van aandelenoverdracht gepasseerd op 31 oktober 2013. Zowel de gewijzigde volmacht als de akte bepaalde dat de koopprijs werd omgezet in een lening. De notaris heeft de stukken niet tevoren, noch achteraf aan [C] toegezonden en heeft evenmin gecontroleerd of de in de volmacht aangebrachte wijzigingen de instemming van [C] hadden, zo blijkt uit de uitspraak van de Kamer voor het notariaat, waarin aan de notaris voor onder meer deze tekortkomingen een schorsing is opgelegd3. Uit die uitspraak blijkt verder dat de notaris de contacten over deze overdracht onderhield met [appellant2] , die vaker als tussenpersoon bij hem optrad.

4.12

Uit die feiten rijst het beeld op dat Blaustein eigener beweging, althans zonder opdracht van [C] , de eerste pagina van de volmacht heeft gewijzigd. Dit had verstrekkende gevolgen, omdat [C] vervolgens € 110.000 heeft betaald, volgens hem grotendeels als koopprijs voor de aandelen, terwijl die koopprijs blijkens de akte (tevens) verschuldigd bleef. Blaustein heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Hij heeft geen stukken geproduceerd waaruit blijkt dat hij over de wijzigingen overleg heeft gevoerd met [C] , noch ook verklaard waarom de koopprijs is omgezet in een lening. Nu niet blijkt dat [C] is geraadpleegd over de wijzigingen, moet het ervoor worden gehouden dat Blaustein de volmacht heeft vervalst. Mogelijk was het doel daarvan om [C] de koopprijs van de aandelen afhandig te maken. Dat blijkt niet, en het voegt ook niet veel toe, nu de enkele vervalsing al een zeer ernstig vergrijp is.

Heeft de familie de zeggenschap over Kimnet en Marg Invest behouden dan wel verkregen?

4.13

Hierboven bleek dat [C] zijn aandelen in Kimnet heeft overgedragen aan Marg Invest. Partijen twisten over de vraag of het Blaustein of de familie was die met Marg Invest op de proppen kwam. Folly heeft haar stelling dat Blaustein Marg Invest destijds heeft opgericht en tot kort voor de aandelenoverdracht daarin partner is gebleven, onderbouwd met uittreksels uit het handelsregister, en Blaustein ontkent dat ook niet. Voorts heeft zij een brief van mr. Baljet overgelegd, waarin deze verklaart dat de notaris ter zitting heeft gezegd dat Blaustein de UBO (ultimate beneficiary owner) was van Marg Invest.4 Zij wijst verder op de aangifte van [B] tegen Blaustein bij de FIOD, waarin [B] [H] , de indirecte eigenaar van Marg Invest, aanmerkte als katvanger voor Blaustein, wat betekende dat [H] zijn identiteit ter beschikking stelde; op zijn naam kwamen bedrijven en bankrekeningen en creditcards te staan5. Uit de verklaring van [H]6 blijkt dat hij eigenaar is van Eurocapital Ltd in Hong Kong en Eurocapital Ltd in Belize, welke beide rechtspersonen de ‘members’ zijn van Marg Invest. Folly heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat beide Eurocapital-rechtspersonen kantoor houden op dezelfde adressen waar ook Blaustein-vennootschappen kantoor houden en dezelfde telefoonnummers gebruiken7. Ook hier geldt dat Blaustein daar onvoldoende tegenover heeft gesteld. Blaustein erkent bovendien dat hij tot kort voor de overdracht bij Marg Invest betrokken is geweest. Het hof houdt het er daarom voor dat Blaustein degene is geweest die Marg Invest heeft aangedragen als de nieuwe aandeelhouder van Kimnet.

4.14

De overdracht van de aandelen in Kimnet aan Marg Invest zou er niet toe leiden dat de familie de zeggenschap in Kimnet zou verliezen, als de familie dan wel de zeggenschap over Marg Invest zou verkrijgen. Partijen stellen beide dat dat de bedoeling was: [H] , de eigenaar van Marg Invest, zou aan [E] een volmacht verstrekken om voor Marg Invest op te treden. Blaustein heeft die volmacht (power of attorney, ondertekend op 24 oktober 2013 te Holon, Israel) overgelegd8 en [H] heeft in bovenbedoelde verklaring vermeld dat [E] de bedoelde volmacht heeft ontvangen. Folly stelt evenwel dat [E] de volmacht nooit gekregen heeft. De volmacht is pas in een laat stadium door Blaustein overgelegd, en uit niets blijkt dat die volmacht eerder bestond of [E] heeft bereikt. Folly onderbouwt die stelling met meerdere verzoeken om informatie en toegang tot de bankrekening van Kimnet van de kant van de familie, en stelt voorts dat uit niets blijkt dat [E] ooit gebruik heeft gemaakt van de volmacht.

4.15

Volmachtverlening is een eenzijdige gerichte rechtshandeling. Aldus is vereist dat deze [E] heeft bereikt. Nu Blaustein zich beroept op het bestaan van deze volmacht en Folly gemotiveerd heeft gesteld dat [E] deze volmacht niet heeft ontvangen is het aan Blaustein om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat [E] de volmacht heeft ontvangen. De rechtbank heeft vastgesteld (r.o. 2.61) dat Blaustein geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de volmacht daadwerkelijk aan [E] is toegezonden. Als die toezending daadwerkelijk had plaatsgevonden, zou daarvan enig bewijs in de administratie van Eurocapital of [H] voorhanden moeten zijn. Een dergelijk bewijsstuk is evenwel ook in hoger beroep niet overgelegd. Blaustein verwijst op dit punt (in zijn toelichting op grief 13) slechts naar de verklaring van [H] . Dat is onvoldoende, nu, zoals eerder overwogen, aangenomen moet worden dat [H] als stroman voor Blaustein optrad en zijn verklaring dat Blaustein bij Marg Invest helemaal niet betrokken was, niet betrouwbaar voorkomt. Evenmin zijn stukken overgelegd waaruit blijkt dat [E] op grond van de volmacht heeft gehandeld. Ook het hof komt daarom tot de conclusie dat de volmacht niet aan [E] is verstrekt. Blaustein heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door Folly onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om tot bewijs van ontvangst van de volmacht door [E] te worden toegelaten.

4.16

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de familie geen zeggenschap meer had over Kimnet en Marg Invest, en dat die zeggenschap uitsluitend berustte bij Blaustein. [B] , de ex-echtgenote en zakenpartner van Blaustein, was benoemd als interim-directeur van Kimnet. Marg Invest had als aandeelhoudster zeggenschap over Kimnet, maar de familie had bij gebrek aan de volmacht geen invloed binnen Marg Invest. Bij e-mailbericht van 7 oktober 2015 bevestigde een medewerker van de notaris dat de familie geen belang meer had in Kimnet, en dat zij de aandelen in Kimnet wellicht tegen betaling zou kunnen terugkopen van Marg Invest.9 Door een en ander aldus te construeren, heeft Blaustein de belangen van de familie in ernstige mate verwaarloosd.

4.17

Tussen partijen heeft uitvoerige discussie plaatsgevonden over de vraag of de advocaat Gabel en het onderzoeksbureau IRS, die ten behoeve van de familie zijn ingeschakeld, werkten in opdracht van Blaustein of van de familie (waarover ook grief 7 handelt). De formele opdrachtgever van beiden was Kimnet, die werd bestuurd door [B] , en waarin de familie, zoals hiervoor overwogen, geen zeggenschap meer had. De facturen van beiden werden aan Kimnet gericht (dikwijls t.a.v. Blaustein) en door Kimnet betaald. IRS heeft voorts later aan de familie laten weten dat niet zij, maar Kimnet haar opdrachtgeefster was10. Het hof concludeert gelet daarop dat Gabel en IRS werkten in opdracht van Blaustein. De familie droeg hiervan de kosten, doordat zij gelden overmaakten aan Kimnet voor betaling van de facturen.

Is sprake geweest van bedrog?

4.18

Al het voorgaande overziende concludeert het hof dat Blaustein de familie heeft bedrogen. Hij heeft hen dik laten betalen voor een constructie die ertoe leidde dat de familie niets meer te zeggen had. Het oorspronkelijke doel van zijn interventie, de aanpak van [G] , is daarbij uit het oog verloren en van vele genomen acties – zoals de aandelenoverdracht en de inzet van een trustvennootschap – is ook niet duidelijk hoe deze tot dat doel konden bijdragen. Blaustein heeft zich voorts schuldig gemaakt aan vervalsing (van de volmacht) en leugens (b.v. met betrekking tot zijn verhouding tot [H] ).

4.19

Het hof kan in het midden laten in hoeverre de andere gestelde handelingen en adviezen van Blaustein (zoals de oprichting van een trust op Curaçao en het in dienst nemen van [E] bij Completor, een vennootschap waarvan [B] bestuurder was, waarover grief 19 handelt) eveneens bedrog (of wanprestatie of onrechtmatig handelen) opleveren. Hetgeen in het voorgaande is gebleken, vormt een voldoende grondslag voor de toewijzing van de vordering zoals de rechtbank heeft gedaan.

4.20

Blaustein heeft gelijk waar hij stelt (grieven 3 en 4) dat de vordering tot vernietiging wegens bedrog niet kan worden gecedeerd. Folly kon die vernietiging dus niet inroepen. Blaustein heeft daarbij echter geen belang. Het feit dat Blaustein de familie heeft bedrogen, brengt immers in de geschetste omstandigheden zonder meer mee dat Blaustein tevens toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de hem als professioneel dienstverlener verleende opdracht en bovendien onrechtmatig heeft gehandeld jegens de familie. De rechtbank heeft in het vonnis (dan ook) niet de vordering uit onverschuldigde betaling, maar de aan Folly overgedragen vordering tot schadevergoeding toegewezen. De vernietiging van de gesloten overeenkomsten is daartoe niet noodzakelijk.

4.21

Het hof is met de rechtbank (r.o. 2.85) eens dat alle betalingen (ook die aan derden) die de familie naar aanleiding van de inschakeling van Blaustein heeft gedaan, schade vormen die de familie door de wanprestatie/het onrechtmatig handelen van Blaustein heeft geleden. In aftrek moet slechts worden gebracht het nettoloon dat aan [E] ten goede is gekomen en de (tweemaal gevorderde) koopsom/waarde van de aandelen, zoals in r.o. 2.85 uitgelegd.

4.22

Het hof zal thans de grieven die met het bovenstaande nog niet zijn besproken, kort behandelen.

4.23

Grief 1 betreft de geldigheid van de cessie van de vorderingen van de familie aan Folly. Die cessie vermeldt een onjuiste naam van Folly, te weten Folly Group Inc. in plaats van Folly Group Corp. Nu Folly Group Inc. niet bestaat, is het voor alle partijen duidelijk geweest dat Folly Group Corp. bedoeld was. Blaustein heeft op geen enkele wijze aangetoond dat hij door deze onjuiste naam op enigerlei wijze is benadeeld. De grief faalt.

4.24

Bij grief 2 heeft Blaustein geen belang, nu het slagen daarvan niet tot een andere uitkomst leidt.

4.25

Met grief 21 bestrijdt Blaustein dat er voldoende aanleiding was om het bedrag van het salaris dat volgt uit het liquidatietarief te vermenigvuldigen met 5, in verband met de proceshouding van Blaustein.

4.26

Het hof heeft in het bovenstaande geconcludeerd dat Blaustein zich heeft bediend van vervalsingen, leugens en bedrog. Hij heeft Folly daardoor genoodzaakt tot uitvoerige proceshandelingen om een en ander te weerleggen. Zulks vormt een voldoende grondslag voor de door de rechtbank uitgesproken kostenveroordeling. De grief faalt.

bewijsaanbod

4.27

Blaustein heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen dat

a. a) de familie zelf een ‘plan van aanpak’ had en Blaustein de familie niet heeft geadviseerd;

b) de familie moet worden beschouwd als opdrachtgever van Gabel en IRS;

c) de handelwijze van Blaustein niet als bedrog kan worden aangemerkt.

4.28

Het bewijsaanbod ad a) is niet relevant, nu het hof heeft geconstateerd dat Blaustein, als hij niet heeft geadviseerd, ook onjuist heeft gehandeld omdat zijn positie als professioneel dienstverlener meebracht dat hij juist wel moest adviseren. Het bewijsaanbod sub b) is niet relevant omdat Blaustein steeds heeft betoogd dat de opdrachtgeefster Kimnet was en het hof heeft geoordeeld dat de familie geen zeggenschap meer had in Kimnet. Wat de kwestie sub c) betreft, is het bewijsaanbod te vaag. De vraag of sprake is van bedrog, is een juridische; welke feiten en omstandigheden Blaustein zou willen bewijzen ter verdediging van zijn standpunt dat daarvan geen sprake was, heeft hij niet voldoende concreet duidelijk gemaakt. Het hof passeert daarom het bewijsaanbod.

5 De slotsom

5.1

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Het hof ziet geen aanleiding om Blaustein te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten, zoals Folly heeft gevorderd. Het neemt daarbij in aanmerking dat de aanzienlijke vordering grotendeels wordt toegewezen, en dat in eerste aanleg de proceskostenveroordeling al aanmerkelijk is verhoogd in verband met de proceshouding van Blaustein.

5.3

Het hof zal Blaustein als de verliezende partij dan ook veroordelen in de kosten van het hoger beroep volgens het gebruikelijke tarief. Die kosten worden aan de kant van Folly

vastgesteld op:

- griffierecht € 5.270

- salaris advocaat € 9.356 (2 punten x tarief VII).

5.4

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 28 februari 2018;

veroordeelt Blaustein in de kosten van het geding, aan de kant van Folly vastgesteld op € 5.270 voor griffierecht van € 9.356 voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt Blaustein in de nakosten, vastgesteld op € 157, te vermeerderen met € 82 in geval Blaustein niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, H. Wammes en R.A. van der Pol en is bij afwezigheid van de voorzitter door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2020.

1 prod. 50b bij akte d.d. 15 maart 2017

2 prod. 13 bij de inleidende dagvaarding

3 prod. 36 bij akte d.d. 15 maart 2017

4 prod. 44 bij akte van 15 maart 2017

5 prod. 6 bij conclusie van dupliek van Makavej

6 prod. HDA 13 bij conclusie van antwoord tevens voorlopige voorziening

7 prod. 47 bij akte van 15 maart 2017

8 prod. HDA 9 bij conclusie van antwoord tevens voorlopige voorziening

9 prod. 50d bij akte van 15 maart 2017

10 prod. 39 bij akte van 15 maart 2017