Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4176

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
21-001408-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft een verdachte veroordeeld wegens twee keer diefstal en het aanwezig hebben van amfetamine tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Het hof heeft tevens de vordering van de benadeelde partij toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001408-19

Uitspraak d.d.: 2 juni 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 maart 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-227350-18 en 18-021959-19, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het in de zaak met parketnummer: 18-227350-18 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer: 18-021959-19 onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. G.A. Pots, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 14 maart 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van twee keer diefstal en het aanwezig hebben van amfetamine veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 18-227350-18:

1.
hij op of omstreeks 23 juli 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] een scooter (Yamaha YN50), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak met parketnummer 18-021959-19 (gevoegd):

1.
hij op of omstreeks 4 december 2018, te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4.79 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 4 december 2018, te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , een handdoek en/of een fles motorolie en/of een lamp, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Action BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-227350-18 en in de zaak met parketnummer 18-021959-19 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 18-227350-18:

1.
hij op 23 juli 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] een scooter (Yamaha YN50), dat geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak met parketnummer 18-021959-19 (gevoegd):

1.
hij op 4 december 2018 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 4.79 gram, van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;


2.
hij op 4 december 2018 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , een handdoek en een fles motorolie, dat geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan Action BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18-227350-18 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het in de zaak met parketnummer 18-021959-19 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het in de zaak met parketnummer 18-021959-19 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal feiten. Verdachte heeft een scooter weggenomen die geparkeerd stond bij de Albert Heijn en hij heeft bij de Action B.V. een winkeldiefstal gepleegd waarbij hij meerdere goederen heeft weggenomen. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de benadeelden. Toen verdachte na de diefstal bij de Action B.V. werd aanhouden is bij hem amfetamine aangetroffen. Naast het feit dat deze stoffen schadelijk zijn voor de volksgezondheid is het gebruik van deze drugs bezwarend voor de samenleving vanwege de daarmee vaak gepaard gaande door gebruikers gepleegde criminaliteit.

Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 16 april 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van drugs- en vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gekomen en blijken uit het rapport van Reclassering Nederland, d.d. 10 september 2019. Gebleken is dat verdachte een verstandelijk beperkte jongeman is (IQ 55) die zich maatschappelijk, maar ook op sociaal gebied moeilijk staande weet te houden. Verdachte woont nog thuis en zijn moeder is aangesteld als zijn curator. Verdachte kampt met problematisch drugsgebruik waarbij met name het harddrugsgebruik veel zorgen baart. De tot nu toe ondernomen pogingen verdachte, zowel in vrijwillig maar ook in verplicht kader, te helpen, hebben tot op heden niet tot verbetering van de situatie geleid. Verdachte blijft aangeven dat hij niets wil veranderen aan zijn middelengebruik en hij wijst alle hulp van de hand.

Ter zitting heeft verdachte desgevraagd meegedeeld dat hij inmiddels geen speed meer gebruikt, maar wel dagelijks GHB. Verdachte heeft verklaard dat hij weet dat hij helemaal met de drugs moet stoppen, maar dat hij dat op dit moment inderdaad niet wil, omdat hij daar nog niet klaar voor is. Verdachte heeft momenteel verplichte begeleiding vanuit de Reclassering van dhr. L. Blok, werkzaam bij Traject 58, een jeugdhulpinstantie gevestigd te Haren. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij veel steun krijgt van dhr. Blok en dat dhr. Blok hem heeft laten inzien dat het ook allemaal anders kan. Verdachte weet dat hij daar zelf aan moet werken. Samen met dhr. Blok bespreekt verdachte zijn drugsproblematiek en wordt er geprobeerd om uiteindelijk met de drugs te stoppen. Volgens verdachte gaat dit goed, omdat hij inmiddels – zoals gezegd - geen speed meer gebruikt en ook al minder GHB gebruikt.

Het hof is van oordeel dat gezien de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats zou zijn. Het hof zal hier, gezien de persoon van verdachte en het feit dat verdachte inmiddels een stabiele relatie met dhr. Blok heeft opgebouwd, van afwijken. Het hof zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest van verdachte.

Het hof zal aan het voorwaardelijke deel als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering koppelen, zodat de samenwerking tussen verdachte en dhr. Blok langer in een verplicht kader kan plaatsvinden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 18-227350-18 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 36f, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-227350-18 en in de zaak met parketnummer 18-021959-19 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-227350-18 en in de zaak met parketnummer 18-021959-19 onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 (eenendertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-227350-18 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-227350-18 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 juli 2018.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Bosch, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,

en op 2 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.