Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4175

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
21-001423-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft een verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden onvoorwaardelijk. Verdachte heeft met een scherp/puntig/gekarteld voorwerp het slachtoffer bij de hals geraakt.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer omdat onvoldoende duidelijk is geworden hoe en met welke kracht verdachte het scherp/puntig/gekarteld voorwerp heeft gehanteerd en in hoeverre het betreffende voorwerp geschikt was om dodelijk letsel toe te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001423-19

Uitspraak d.d.: 2 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 14 maart 2019 met parketnummer 18-830184-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 19 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het primair ten laste gelegde (poging tot doodslag) tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 2.727,12, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. R. Gijsen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 14 maart 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake het primair ten laste gelegde (poging tot doodslag) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank heeft tevens de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2.727,12, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:


hij op of omstreeks 26 augustus 2018 in [plaats] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, op die [benadeelde partij] is afgesprongen/gegaan en/of (vervolgens) met een scherp en/of puntig en/of gekarteld voorwerp die [benadeelde partij] bij de keel/hals/nek heeft gestoken en/of gesneden, althans geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat


hij op of omstreeks 26 augustus 2018 in [plaats] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, op die [benadeelde partij] is afgesprongen/gegaan en/of (vervolgens) met een scherp en/of puntig en/of gekarteld voorwerp die [benadeelde partij] bij de keel/hals/nek heeft gestoken en/of gesneden, althans geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat


hij op of omstreeks 26 augustus 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , al dan niet met voorbedachten rade, [benadeelde partij] heeft mishandeld door, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, op die [benadeelde partij] af te springen/gaan en/of (vervolgens) met een scherp en/of puntig en/of gekarteld voorwerp die [benadeelde partij] bij de keel/hals/nek te steken en/of snijden, althans raken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren raadsman

Betrouwbaarheidsverweer getuige

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de verklaring van penitentiair medewerker [getuige 1] als onbetrouwbaar van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu de verschillende verklaringen die hij heeft afgelegd onderling op onderdelen afwijken.

Het hof acht genoemde verklaringen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Weliswaar is de inhoud van de verschillende verklaringen niet exact gelijkluidend, maar de essentie blijft onveranderd. Het hof ziet ook overigens geen enkele aanleiding deze verklaringen niet betrouwbaar te achten. Het hof verwerpt het verweer en zal de verklaringen van [getuige 1] bezigen voor het bewijs.

Aanwezigheid bloed op shirt en broek verdachte

Het bloed dat is aangetroffen op de kleding van verdachte zal niet voor het bewijs worden gebruikt, het verweer van de raadsman omtrent een eventuele contaminatie van het bloed, behoeft op dat onderdeel dan ook geen verdere bespreking.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 22 oktober 2016 heeft [benadeelde partij] aangifte gedaan en verklaard dat hij door een medegedetineerde met iets scherps in zijn hals is gesneden. [benadeelde partij] heeft niet gezien wie hem heeft verwond, maar vlak na het incident zag hij dat ‘ [naam] ’ (het hof begrijpt: verdachte) een vuist naar hem balde.

Het dossier bevat voorts een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] , d.d. 27 augustus 2018. [getuige 1] , die werkzaam is als penitentiair medewerker, heeft – kort gezegd - verklaard dat hij bezig was [benadeelde partij] in te sluiten en dat verdachte op dat moment op [benadeelde partij] kwam afgerend en een stekende beweging maakte naar de hals van [benadeelde partij] . Getuige [getuige 1] heeft deze verklaring op 29 november 2018 herhaald bij de rechter-commissaris.

Het dossier bevat tevens een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] , d.d. 28 augustus 2018. [getuige 2] , beveiligingsmedewerker, heeft – kort gezegd – verklaard dat hij tijdens de insluitingsprocedure op een noodoproep afging en dat hij door een collega werd gewezen op verdachte. Toen [getuige 2] bij verdachte in de cel kwam en hem aansprak hoorde hij verdachte (onder andere) zeggen: ‘(..) Ik heb hem gewoon geslagen’. Getuige [getuige 2] heeft deze verklaring op 29 november 2018 herhaald bij de rechter-commissaris.

Ten slotte bevat het dossier een letselrapportage d.d. 27 november 2018 waaruit blijkt dat bij aangever letsel in de hals is geconstateerd. Uit voornoemd rapport blijkt: ‘Het aspect van de wond kan het beste passen bij een oppervlakkige snijwond met een krasvormige uitloop, toegebracht met een scherprandig puntig voorwerp. Het betreft een oppervlakkig snijletsel. Het onderhuidse vetweefsel is zichtbaar maar de oppervlakkige spieren in de hals zijn niet zichtbaar. Er zijn geen vitale structuren geraakt of bedreigd. Er is nauwelijks sprake geweest van bloedverlies. Het letsel had derhalve niet tot de dood kunnen leiden. (..) Het letsel is waarschijnlijk ontstaan door inwerking van scherp geweld met een puntig voorwerp. Hierbij kan ik aan de hand van de letsels niet onderscheiden of dit met een (scheer)mes of een afgebroken sleutel is toegebracht’.

Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 22 oktober 2016 met een scherp en/of puntig en/of gekarteld voorwerp [benadeelde partij] bij de hals heeft geraakt.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde partij] . Onvoldoende duidelijk is geworden hoe en met welke kracht verdachte het scherp/puntig/gekarteld voorwerp heeft gehanteerd en in hoeverre het betreffende voorwerp geschikt was om dodelijk letsel toe te brengen, mede gelet op de plaats op het lichaam waar verdachte aangever heeft geraakt. Dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel opleverde, kan daarom niet genoegzaam worden vastgesteld. Het enkel raken van het slachtoffer in de hals met een onbekend scherp/puntig/gekarteld voorwerp is daarvoor in de gegeven omstandigheden onvoldoende.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat evenmin kan worden vastgesteld dat het handelen van verdachte potentieel zwaar lichamelijk letsel kon veroorzaken. Het dossier bevat daaromtrent onvoldoende informatie.

Verdachte zal daarom van het primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Het meer subsidiair ten laste gelegde acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen. Door [benadeelde partij] met een scherp/puntig/gekarteld voorwerp in zijn hals te raken heeft verdachte het [benadeelde partij] opzettelijk mishandeld.

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat niet bewezen kan worden dat er bij verdachte sprake is geweest van voorbedachten rade. Verdachte zal dan ook van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een proces-verbaal, proces-verbaalnummer: PL0100-2018226230, d.d. 28 augustus 2018, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland, bevattende diverse processen-verbaal, waaronder:

1.1

Een proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer: 2018226230, d.d 27 augustus 2018, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , brigadier en hoofdagent van politie Eenheid Noord Nederland, inhoudende – zakelijk weergegeven -:

Als verklaring van [benadeelde partij] (blz. 13 tot en met 14):

Op 26 augustus 2018 ben ik gestoken door een medegedetineerde in de P.I. Ter Apel. Sinds ongeveer een maand is ‘ [naam] ’ bij mij op de afdeling gekomen. Ik noem hem ‘ [naam] ’ omdat hij uit Somalië komt. Wij werden gisteren door [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1] ) teruggebracht naar onze cellen. Ik stond voor mijn celdeur en wilde net naar binnen. Ik heb het niet zien aankomen, maar plotseling zag ik bloed op de grond. Ik was in shock.

Even later zag ik ‘ [naam] ’ op de eerste verdieping staan en zag ik dat hij een vuist naar mij balde. Bleek dat ik in mijn hals was gesneden. Later in het ziekenhuis is de wond gehecht.

1.2

Een proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt door de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Nederland, d.d. 29 november 2018, inhoudende:

als verklaring van [getuige 1] :

Ik was bezig met insluiten. [verdachte] kwam in een keer naar beneden vliegen. [verdachte] haalde ineens uit. Ik ken hem. Ik herken hem gewoon. Ik stond er een meter vanaf. Ik stond achter het slachtoffer, [benadeelde partij] . Ik herinner mij dat [verdachte] met iets in de hals stak van [benadeelde partij] . Ik kon niet zien waarmee. Ik heb letsel bij het slachtoffer gezien. Ik zag een behoorlijke snee. Hij is naar het ziekenhuis geweest. Daar is hij gehecht. Ik heb [verdachte] aangewezen en toen hebben twee collega’s [getuige 2] en [naam] , [verdachte] naar de isoleercel gebracht.

1.3

Een proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , opgemaakt door de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Nederland, d.d. 29 november 2018, inhoudende:

als verklaring van [getuige 2] :

Ik stond er 10 a 20 meter vanaf toen het alarm ging. Het slachtoffer bloedde en mijn collega wees de dader aan. Ik ging achter verdachte aan. Ik ben voor zijn cel blijven staan en heb gezegd dat hij zijn steekwapen of wat hij had gebruikt, moest inleveren. De man zei toen dat hij niet had gestoken, maar geslagen.

1.4

Een schriftelijk stuk, te weten een letselrapportage van de Forensische Geneeskunde, GGD Groningen, opgemaakt door T. van Mesdag, forensisch arts, d.d. 27 november 2018, inhoudende:

als verklaring van T. van Mesdag:

Naam : [benadeelde partij]

Voornaam : [benadeelde partij]

Datum letsel : 26 augustus 2018

Beoordeling (interpretatie) van de letsels

Het aspect van de wond kan het beste passen bij een oppervlakkige snijwond met een krasvormige uitloop, toegebracht met een scherprandig puntig voorwerp.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 augustus 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [benadeelde partij] heeft mishandeld door op die [benadeelde partij] af te springen/gaan en vervolgens met een scherp en/of puntig en/of gekarteld voorwerp die [benadeelde partij] bij de hals te raken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door [benadeelde partij] , een medegedetineerde, met een scherp/puntig/gekarteld voorwerp in de hals te raken. Door aldus te handelen heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 16 april 2020 blijkt dat verdachte veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen en voor een groot aantal strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof heeft rekening gehouden met hetgeen door de raadsman ter zitting naar voren is gebracht omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte verblijft als ongewenst vreemdeling in Nederland en hij woont illegaal in [plaats] . Vanwege zijn status is het voor verdachte moeilijk om werk te vinden en een leven in Nederland op te bouwen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.227,12. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.227,12. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.227,12 (€ 227,12 materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade). Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.227,12 (duizend tweehonderdzevenentwintig euro en twaalf cent) bestaande uit € 227,12 (tweehonderdzevenentwintig euro en twaalf cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.227,12 (duizend tweehonderdzevenentwintig euro en twaalf cent) bestaande uit € 227,12 (tweehonderdzevenentwintig euro en twaalf cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 22 (tweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 26 augustus 2018.

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. E.M.J. Brink, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. L.J. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,

en op 2 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.