Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4169

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
03-06-2020
Zaaknummer
21-005497-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging van het vonnis waarvan beroep met verbetering en aanvulling van gronden. Verkrachting. Verdachte heeft het slachtoffer in haar eigen woning vastgepakt en meerdere keren bij haar keel gegrepen en daarin geknepen. Het slachtoffer heeft daarbij het bewustzijn verloren. Daarnaast heeft verdachte het slachtoffer bedreigd en daarmee willen voorkomen dat zij over de verkrachting zou gaan vertellen. Het slachtoffer is heel angstig geweest en heeft tijdens de verkrachting gedacht dat verdachte haar zou doden. Gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest en met oplegging van de bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005497-19

Uitspraak d.d.: 3 juni 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 10 oktober 2019 met parketnummer 18-730098-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

thans gedetineerd in de PI Veenhuizen, locatie Norgerhaven te Veenhuizen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.P. Snorn, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 10 oktober 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van de primair ten laste gelegde verkrachting veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht en onder oplegging van de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland, zich onder behandeling zal stellen van de Polikliniek Forensische Psychiatrie GGZ Friesland, op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen met aangeefster en zich niet zal bevinden in de straat van aangeefster. Voorts heeft de rechtbank de teruggave gelast aan respectievelijk verdachte en aangeefster van enkele in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis bevestigen met dien verstande dat de gronden worden verbeterd en aangevuld.

Verbetering en aanvulling van gronden

Wat betreft de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het bewijs van de primair ten laste gelegde verkrachting voert het hof navolgende verbetering en aanvulling van gronden door.

Verbetering van gronden

Het hof schrapt de overweging van de rechtbank omtrent het bewijs op pagina 6 van het vonnis voor zover inhoudende dat het naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk is dat aangeefster, door aan de getuige [naam getuige] voor te doen hoe verdachte haar bij de keel heeft vastgepakt, zichzelf dusdanig hard heeft geknepen dat daaruit het bij aangeefster geconstateerde letsel zou kunnen volgen.

Het hof schrapt deze overweging van de rechtbank als te stellig en verbetert deze in die zin dat het naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat aangeefster, toen zij aan de getuige [naam getuige] voordeed hoe zij door verdachte bij haar keel is vastgepakt, zichzelf dusdanig hard heeft geknepen dat daaruit het bij aangeefster geconstateerde letsel is ontstaan. Dit nu het bij aangeefster geconstateerde letsel in de hals past bij de door aangeefster afgelegde verklaring over de geweldshandelingen van verdachte. Die verklaring van aangeefster vindt bovendien voldoende ondersteuning in het rapport van forensisch arts C. Oostdam, waarin wordt geconcludeerd dat sprake is van enigermate overeenkomst met de door aangeefster geschetste toedracht.

Aanvulling van gronden

Met betrekking tot de strafmaat heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep nog expliciet aandacht gevraagd voor de consequentie van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur voor de vreemdelingenstatus van verdachte.

Het hof overweegt met betrekking tot dit aspect aanvullend op de strafmaatoverweging van de rechtbank het volgende.

Het hof neemt bij de beoordeling van het verweer het gehele dossier in ogenschouw. De ernst en aard van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd, maken dat het hof in het verweer geen aanleiding en mogelijkheid ziet de door de raadsman genoemde aanmerkelijk lagere gevangenisstraf op te leggen. Het hof acht ook gegeven de inhoud van het verweer van de raadsman de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren onder oplegging van de bijzondere voorwaarden, passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. A.H. toe Laer, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,

en op 3 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.