Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:4043

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2020
Datum publicatie
28-05-2020
Zaaknummer
200.229.568
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Letselschade, schadebegroting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.229.568

(zaaknummer rechtbank Overijssel 197655)

arrest van 26 mei 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. M.J.E.C. Camps,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht
Allianz Benelux N.V.,

gevestigd te Brussel, kantoorhoudende te Rotterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: Allianz,

advocaat: mr. H.A. Kragt.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 6 februari 2018;

- de comparitie van partijen, gehouden op 24 april 2018;

- de akte overleggen producties van Allianz van 24 april 2018;

- de voortzetting van de comparitie van partijen op 22 mei 2018, tijdens welke zitting [appellante] heeft verzocht twee voorlopige deskundigenberichten te gelasten;

- de akte overlegging stukken inzake twee deskundigenberichten van [appellante] van 31 mei 2018;

- de akte uitlaten tevens akte overleggen producties van Allianz van 18 juli 2018;

- de beschikking van dit hof van 30 augustus 2018 waarin psychiater Tilanus en internist Erwteman tot deskundigen zijn benoemd;

- het deskundigenbericht van J.J.D. Tilanus van 23 november 2018;

- de begrotingsbeschikking van 16 januari 2019;

- het deskundigenbericht van Th.M. Erwteman van 4 juni 2019;

- de begrotingsbeschikking van 8 juli 2019;

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord met producties.

1.2

Vervolgens heeft het hof opnieuw arrest bepaald.

1.3

[appellante] heeft in het hoger beroep vernietiging gevorderd van de vonnissen van 2 augustus 2017 en 1 november 2017, afwijzing van de vorderingen in conventie en toewijzing van de vorderingen van [appellante] in reconventie. In reconventie heeft [appellante] kort gezegd, en voor zover in hoger beroep aan de orde, gevorderd dat Allianz wordt veroordeeld tot betaling van alle door [appellante] geleden en te lijden schade, met veroordeling van Allianz in de kosten van beide procedures. Bij memorie van grieven heeft [appellante] haar eis vermeerderd en het gevorderde smartengeld verhoogd tot € 45.000, aan buitengerechtelijke kosten

€ 13.095,01 gevorderd en heeft zij een bijstandsgarantie gevraagd.

2 De vaststaande feiten

2.1

[appellante] had een eigen rijschool. Op 23 mei 2007 en op 22 oktober 2007 was zij betrokken bij auto-ongevallen terwijl zij als bijrijder naast een leerling zat.
Het hof gaat in hoger beroep verder uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.16 van het vonnis van 2 augustus 2017 en de in de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.5 van het vonnis van 1 november 2017. Ter vaststelling van de medische gevolgen van het ongeval zijn meerdere deskundigenrapportages uitgebracht. Voor de leesbaarheid van dit arrest wordt hierna geciteerd uit de in deze zaak van belang zijnde expertiserapporten.

Neuropsycholoog Van der Scheer in haar rapport van 27 maart 2014

“(…) Snelheid van werken en reageren

(…) Gebleken is dat het tempo van werken en reageren, gerelateerd aan leeftijdgenoten met dezelfde opleiding, wisselt en varieert van “traag” tot “uitzonderlijk traag”. Uit analyse van het gepresenteerde op snelheidstaken in combinatie met gedragsobservaties verkregen tijdens het onderzoek is gebleken dat het pijngedrag (reactie op ervaren pijn) alsmede haar depressieve stemming doorwerkt in de onderzoeksuitslag. Daarnaast geeft het scoreprofiel op beide symptoomvaliditeitstests (…) duidelijke aanwijzingen voor het bestaan van ‘onderpresteren’.

(…)

Eindconclusie

Aanwijzingen dat we te maken hebben met een verminderde cognitieve belastbaarheid, welke mogelijk toegeschreven kan worden aan structurele schade aan het brein, biedt het onderzoek niet. De normafwijkende scores op het gebied van de snelheids- en geheugentaken zijn secundair aan het pijngedrag en het depressieve stemmingsbeeld van betrokkene. Uit analyse van de gespreksgegevens, gedragsobservaties ten tijde van het onderzoek blijkt voorts dat er bij mevrouw [appellante] sprake is van een grote lijdensdruk (…), hetgeen niet consistent is met de indruk die zij ten tijde van het gesprek en testonderzoek wekt. Zij is namelijk veelal tot meer in staat dan zij aanvankelijk aangeeft. Ergo, andere, niet-organische factoren spelen volgens onderzoekster een onderhoudende en verklarende rol in het klachtenpatroon van betrokkene. Zo is sprake van evidente verwerkings- en acceptatieproblematiek, die thans het karakter hebben van een aanpassingsstoornis met angstige en depressieve kenmerken (a). Voorts is er sprake van inadequate coping (b) inzake haar pijnklachten, waarbij vermijdingsgedrag en een passieve coping op de voorgrond staan. Ook is betrokkene geneigd om ervaren spanning om te zetten in een toename van cognitieve en lichamelijke klachten en zich vervolgens te beroepen op deze in haar ogen structurele tekorten (c). Ook is het opmerkelijk dat zij op het gebied van de ervaren posttraumatische stressklachten de positieve effecten van de herhaald geboden begeleiding (…) niet heeft kunnen vasthouden (d). Tot slot is niet ondenkbaar dat de letselschadeprocedure (e) bij betrokkene een stagnerende werking uitoefent op het natuurlijk beloop ‘hoe’ effectief om te gaan met haar veranderde belastbaarheid en ‘hoe’ vorm te geven aan het oppakken van de draad van haar leven, waarbij zij haar eigen factoren van invloed leert benutten/benut om de balans in haar leven te herwinnen. (…)”
Neuroloog Brunt in zijn rapport van 2 april 2014:
“(…)
Diagnose en conclusie :
Chronische posttraumatische pijnklachten en polyforme somatische klachten, klachten over verminderd cognitief functioneren en emotionele verstoring na twee auto-ongevallen, waarvan met name het laatste een levensbedreigende situatie heeft betekend. Met onduidelijke resterende klachten in het kader van PTSS, met een ontbrekend aangetoond dan wel aannemelijk somatisch substraat voor haar lichamelijke klachten en met overtuigende aanwijzingen voor nog bestaande emotionele factoren en een niet afgeronde verwerking, kunnen de lichamelijke klachten van mevr. [appellante] mijns inziens het beste worden beschouwd als een lichamelijke uiting van haar emotionele reactie, aansluitend bij een oordeel van de neuropsycholoog dat mevr. [appellante] de neiging heeft om ervaren spanning om te zetten in een toename van lichamelijke en cognitieve klachten en dat er geen aanwijzingen zijn voor primair verminderd cerebraal functioneren als verklaring voor de afwijkende testresultaten en daarmee voor haar cognitieve klachten en beperkingen. Daarmee kunnen de door mevr. [appellante] ervaren huidige beperkingen als gevolg van haar klachten naar mijn oordeel niet worden beschouwd als een somatisch, medisch causaal gevolg van de onderhavige ongevallen.
(…)
ad vraag 1f:
(…) Er is sprake van chronische ernstige pijnklachten en andere somatische klachten en van resterende angst, depressiviteit en onzekerheid, met name als gevolg van het tweede, als duidelijk levensbedreigend ervaren, ongeval. Voor de somatische klachten ontbreekt een aangetoond of aannemelijk substraat en zijn er daarnaast overtuigende aanwijzingen voor bestaande niet-somatische, emotioneel bepaalde factoren. Deze neurologische beoordeling sluit aan bij de neuropsychologische beoordeling dat er geen aanwijzingen zijn voor een primaire cerebrale functiestoornis als oorzaak voor de gevonden achterblijvende prestaties en dat er met aanwijzingen voor onderprestatie en voor de aanwezigheid van depressiviteit en angst bij een niet afgerond of stagnerend verwerkingsproces, overtuigend sprake is van meespelende, niet-somatisch bepaalde factoren bij haar ervaren klachten en beperkingen op cognitief gebied.
(…)
Ad vraag 1g:
Bij ontbreken van een duidelijk aangetoond of aannemelijk somatisch substraat kunnen er naar mijn oordeel op neurologisch gebied geen beperkingen worden aangegeven als gevolg van het onderhavige ongeval (…)
Ad vraag 2a:
Er is geen sprake van afwijkingen op neurologisch gebied. De huidige pijnklachten had mevr. [appellante] grotendeels na het eerste ongeval, de bijkomende klachten op cognitief en emotioneel gebied en de toename van de pijnklachten en ervaren beperkingen zijn na het tweede ongeval ontstaan.
(…) Ad vraag 2c: Er is geen sprake van afwijkingen op neurologisch gebied. Het medisch dossier en de anamnese geven mij geen reden om te veronderstellen dat mevr. [appellante] op enig moment op neurologisch gebied klachten had gekregen, indien het ongeval haar niet was overkomen.”

KNO-arts Graamans in zijn rapport van 15 september 2014:
“(…) Consistentie
De feiten uit het medisch dossier komen in belangrijke mate overeen met de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf. (…) De bevindingen bij onderzoek en hulponderzoek stemmen slechts ten dele overeen met hetgeen wordt aangetroffen in het medisch dossier. Met name zijn de drempels in het toonaudiogram niet in overeenstemming met hetgeen eerder in het Medisch Spectrum Twente en in het UMCG te Groningen werd vastgesteld. De hier gemeten drempels stemmen ook niet overeen met het gehoorvermogen van betrokkene, dit blijkens het ontbreken van een communicatieve stoornis. Hier dient vermeld te worden dat het voor sommige personen moeilijk is correcte drempels aan te geven bij toonaudiometrie. Aandachtsproblemen en emotionele belasting kunnen hierbij een rol spelen. (…)

(…) Diagnose
Zoals aangegeven bij de onderzoeksresultaten is er twijfel over het gehoorverlies. Als vaststaand kan worden aangenomen dat het gehoorverlies als gering dient te worden aangemerkt. Dit in overeenstemming met de eerder elders verrichte onderzoekingen. Ten aanzien van het gehoorverlies kan dus geen duidelijke diagnose worden vastgesteld. Wel kunnen wij er vanuit gaan dat er geen gehoorverlies is dat leidt tot invaliditeit (…) Bij betrokkene is sprake van een algeheel onwelbevinden met een breed palet aan klachten waarvoor op mijn vakgebied geen diagnose kan worden gesteld. (…)
De beperkingen
De beperkingen van betrokkene vloeien voort uit onwelbevinden. Dit wordt veroorzaakt door een aanzienlijk aantal klachten die hun oorzaak hebben buiten mijn vakgebied. Voor wat betreft mijn vakgebied, de KNO-heelkunde, is hieraan alleen de aanwezigheid van tinnitus in enige mate bijdragend. (…) blijvende functionele invaliditeit van de persoon als geheel gelijk aan 1%. (…)”

(…) Ad 2c: (…) vooral gezien de temporele relatie tussen het ongeval en het debuteren van de klachten van de tinnitus dienen deze toch als ongevalsgevolg te worden aangemerkt. Er zijn geen klachten en afwijkingen bij betrokkene geweest of hadden op enig moment kunnen ontstaan als het ongeval betrokkene niet was overkomen. (…)”

2.3

Bij beschikking van 30 augustus 2018 heeft het hof psychiater Tilanus en internist Erwteman tot deskundigen benoemd.

Psychiater Tilanus in zijn rapport van 23 november 2018:


“(…) IV BESCHOUWING
(…)
Bij onderzochte worden bij de gerichte anamnese en biografie geen aanwijzingen gevonden voor een ontwikkelingsstoornis en/of persoonlijkheidsstoornis. Onderzochte heeft in ieder geval in de periode voor de beide ongevallen in 2007 altijd op adequate wijze kunnen functioneren in haar diverse werksituaties, haar gezins- sociale leven en relaties. Gelet op het gegeven dat onderzochte doorgaans op adequate wijze kon functioneren in werk, vrije tijd en relaties, wordt ook niet voldaan aan de algemene criteria van een persoonlijkheidsstoornis uit DSM-5.

(Differentiaal) Diagnose:
(…)

Gelet op de informatie uit de stukken, de anamnese en de omstandigheden met betrekking tot het auto-ongeval van 22 oktober 2007 werd – in het bijzonder – onderzocht of er bij onderzochte (nog) sprake is van een posttraumatische-stressstoornis (PTSS). Het is aldus aannemelijk dat onderzochte (alleen) het ongeval van 22 oktober 2007 als psychotraumatisch heeft ervaren. Er was immers sprake van de beleving van een dreigende dood en verwondingen (criterium A). Ten gevolge van deze psychotraumatisering, dat wil zeggen met een direct medisch causale relatie met dit ongeval, ontwikkelden zich bij onderzochte in de periode nadien intrusieve symptomen, zoals onvrijwillige en pijnlijke herinneringen, nachtmerries, mogelijk dissociatieve reacties en psychische lijdensdruk bij bepaalde prikkels (criterium B). Daarnaast was er vermoedelijk sprake van persisterende vermijding van prikkels, zoals het vermijden van autorijden, vergelijkbare situaties en de confrontatie met de plaats van het ongeval (criterium C). Tevens was er bij onderzochte sprake van negatieve veranderingen in cognities en stemming hieraan gerelateerd, met persisterende en overdreven negatieve overtuigingen en verwachtingen en een persisterende en overdreven overtuiging en verwachtingen en een persisterende negatieve gemoedstoestand (criterium D). Ook was er bij onderzochte sprake van veranderingen in de arousal en reactiviteit hieraan gerelateerd met prikkelbaar gedrag en het ervaren van concentratie- en slaapproblemen (criterium E). Deze klachten en symptomen hebben langer dan een maand geduurd, veroorzaakten een klinisch significante lijdensdruk en er zijn geen aanwijzingen dat deze klachten en symptomen werden veroorzaakt door een middel of een somatische aandoening.
Al in november 2007 werd vermoedelijk door de huisarts onderkend/herkend dat het ongeval van oktober 2007 bij onderzochte leidde tot angsten, spanning en flashbacks en in al in december 2007 werd een verwijzing naar een psycholoog overwogen. In januari 2008 werd door de huisarts uiteindelijk de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) gesteld en werd een indicatie gezien voor een verwijzing naar een GGZ-instelling. Onderzochte wilde hiervan echter geen gebruik maken en er volgde dan ook geen psychiatrische behandeling. Vervolgens werd onderzochte naar een GZ-psycholoog verwezen, die een psychotrauma constateerde, waarvoor een succesvolle behandeling met EMDR werd ingezet, zelfs zodanig dat er bij onderzochte ook niet meer sprake was van een depressie.
(…) Een consulterend psychiater consulteerde in 2010 een dissociatieve stoornis als laat posttraumatisch verschijnsel, zonder dat blijkbaar daadwerkelijk een posttraumatische stressstoornis werd gediagnostiseerd. In 2010 werd vervolgens ook door de huisarts gerapporteerd dat stress rondom de afhandeling van de letselschadezaak voor onderzochte als een belangrijke stressor werd gezien. In 2011 werd door een psycholoog een belangrijke verbetering beschreven, met afname van psychische klachten, waar op dat moment – wederom – werd geconcludeerd dat de letselschadezaak nog/zelfs de grootste invloed had op het begeleidingstraject. In 2011-2012 volgde een tweede EMDR-behandeling, die – ook deze keer – succesvol was, zodanig dat kon worden geconstateerd dat er niet meer sprake was van een trauma gerelateerde angststoornis. Ook door deze psycholoog werd een rol van de letselschadezaak benadrukt. Dat laatste gebeurde ook weer door een psycholoog in 2014 die bij onderzochte onderpresteren constateerde. De mogelijkheid werd geopperd dat de letselschadeprocedure een stagnerende werking had op het natuurlijk beloop van de klachten. In december 2017 werd uiteindelijk door een psychiater aangegeven dat er bij onderzochte sprake was van een chronische PTSS, waar onderzochte zelf aangaf dat ze een filmpje zag van artsen die rapportages schreven en dat onderzochte ondanks herhaald advies weigerde om medicatie te gebruiken. Daarom kon slechts worden gestart met imaginaire exposure. Onderzochte geeft thans zelf aan dat deze behandeling wel effect heeft. Ze is dankzij deze behandeling veranderd, kan inmiddels positiever denken en besteedt minder aandacht aan de door haar ervaren pijnklachten. De psychiater dacht aanvankelijk dat de behandeling minimaal zes maanden zou duren, maar na een jaar is de traumabehandeling zelfs gestopt vanwege de verergering van whiplashklachten, waar de klachten chronisch aanwezig blijven. Vooral afgaande op de informatie uit de stukken heeft nu aldus tenminste voor de vierde keer een psychologische/psychiatrische behandeling blijkbaar een gunstig effect op de door onderzochte ervaren klachten gehad. Afgaande op de anamnese kan onderzochte, inmiddels, de beleving van bepaalde lichamelijke klachten relateren aan een psychische oorzaak/klachten. De actueel behandelend psychiater ziet een stagnatie vanwege verergering van whiplashklachten. De huisarts benadrukt nog hoezeer het gegeven dat er voor onderzochte nog geen oplossing in deze procedure is, bij haar leidt tot spanningen.
Aldus is er bij onderzochte meest waarschijnlijk sprake geweest van een posttraumatische-stressstoornis, zulks met een direct medisch causale relatie met het ongeval van 22 oktober 2007.
Afgaande op de informatie uit de stukken, maar ook de anamnese en met name de bevindingen bij onderzoek zijn diverse klachten en symptomen in het kader van de PTSS in de afgelopen jaren – steeds – in remissie gekomen. Actueel wordt het beeld/beleid volgens de behandelend psychiater bepaald door een verergering van whiplashklachten. (…) Aldus wordt bij huidig onderzoek geconstateerd dat er bij onderzochte niet meer sprake is van een posttraumatische-stressstoornis. Het is overigens invoelbaar en voorstelbaar dat onderzochte nog wel in zekere mate een bepaalde, specifieke angst ervaart met betrekking tot het weer zelf geven van rijlessen, waarbij zij rekening moet houden met de vaardigheden van een leerling en vermoedelijk zelf minder controle kan hebben. Zulks met name bij confrontatie met vrachtwagens. Hoewel juist dit aspect/target in 2008/2012 succesvol kon worden behandeld, kan dit toch nog als een restverschijnsel van de PTSS worden beschouwd. Evenwel zonder dat er thans, in psychiatrische zin, nog sprake is van disfunctioneren. (…) Gelet op de bevindingen bij onderzoek en de gerichte anamnese met betrekking tot haar dagelijks functioneren is er bij onderzochte ook niet (meer) sprake van een klinisch significante lijdensdruk of beperkingen ten aanzien van haar functioneren. Integendeel, onderzochte is nog toekomstgericht, zou heel graag weer willen werken, kan positief denken, heeft nog vele sociale contacten en sport graag en veelvuldig.
In het bijzonder werd – differentiaal-diagnostisch – overwogen of er bij onderzochte sprake is van een somatisch-symptoomstoornis. Zulks gelet op de door onderzochte aangegeven diverse, pluriforme en opvallend vele lichamelijke klachten, waarvoor geen eenduidige oorzaak kon worden gevonden en die blijkbaar weer toenemen. Hiervoor worden geen aanwijzingen gevonden. Er is met name niet (meer) sprake van lichamelijke klachten die het dagelijks leven in significante mate verstoren.

Tot slot kan met betrekking tot het beloop van de door onderzochte nog aangegeven klachten (ten aanzien waarvan opvalt dat waar steeds werd beschreven dat bepaalde klachten in remissie kwamen, onderzochte zelf aangeeft dat het beloop in de afgelopen 11 jaar onveranderd is, er nog steeds sprake is van vele, pluriforme, weinig specifieke klachten, bij eerder neuropsychologisch onderzoek onderpresteren werd geconstateerd en de actueel behandelend psychiater beschrijft dat onderzochte inmiddels dagelijks een film ziet van artsen die rapporten schrijven maar geen behandelbare aandoeningen kunnen vinden), worden opgemerkt dat hierbij vermoedelijk diverse stressoren/factoren een luxerende en met name onderhoudende rol kunnen spelen. Mogelijk niet limitatief worden dan genoemd:

  • -

    Het verlies van haar onderneming en het niet meer werkzaam zijn;

  • -

    Toenemende financiële zorgen en het niet meer kunnen voldoen aan vaste lasten;

  • -

    Het verlies van haar vaardigheden/registratie als rijinstructeur;

  • -

    De immer voortdurende letselschadeprocedure, met voortdurende onderzoeken.

Gelet op de bevindingen bij onderzoek, de anamnese en dan met name de gerichte anamnese met betrekking tot bepaalde bevindingen en mogelijke inconsistenties in het dossier, komt – ook thans – naar voren dat meest waarschijnlijk de voortdurende letselschadeprocedure een belangrijke rol speelt bij het voortduren van de door onderzochte ervaren klachten/spanningen. Dat wordt ook al vanaf 2008 – zeer consistent – door diverse (vrijwel alle) behandelaars/onderzoekers beschreven/gerapporteerd en zeer recentelijk door de huisarts nog eens benadrukt. (…)

1 DE SITUATIE MET ONGEVAL
(…) h (…) Afgaande op de anamnese en de bevindingen bij onderzoek ervaart onderzochte nog steeds/inmiddels een verbetering van de thans ingezette psychiatrische behandeling. Ze geeft ook zelf aan te denken dat bepaalde klachten na de letselschadeprocedure weer over kunnen gaan en dat ze niet blijvend ziek is. Ook is onderzochte van mening dat het, als de zaak voorbij is, weer beter kan gaan en zegt ze te hopen dat ze na afloop van deze zaak weer een draai kan maken. Ondanks deze positieve verwachtingen van onderzochte, kan op dit moment aldus onvoldoende worden ingeschat of de angst voor het als instructrice/bijrijder deelnemen aan het snelverkeer voor haar beperkend is en/of zal persisteren (ook na een – herhaalde – gerichte behandeling).
(…)

2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

(…) c (…) Het wordt als niet aannemelijk ingeschat dat de PTSS (inmiddels in remissie) en de door onderzochte nog vermeldde specifieke angst-/restklacht, zich ook zouden hebben voorgedaan wanneer onderzochte het ongeval van 22 oktober 2007 niet was overkomen.

Internist Erwteman in zijn rapport van 19 juni 2019:


“(…) Beschouwing: het betreft hier een thans 57 jarige vrouw die naar haar zeggen in het verleden altijd goed gezond was, de door haar zelf opgebouwde zaak goed kon leiden en na twee ernstige auto-ongevallen 12 jaar arbeidsongeschikt is geraakt. In de loop van deze periode heeft mevrouw in de curatieve sector vele disciplines geraadpleegd. De conclusie telkenmale was dat hier sprake was van een chronisch, ernstig post-whiplash syndroom en een PTSS. Ook werd zij verschillende malen onderzocht in het kader van een expertise, waarbij een zelfde conclusie werd getrokken. Organische afwijkingen werden nooit gevonden. Gezien de consistentie van de bevindingen in beide sectoren lijkt de relatie met de ongelukken voor de hand te liggen. Voorts zou er sprake zijn (geweest) van een

niet goed functionerende schildklier. Als dat zo was, dan is dat met de door gebruikte medicatie niet meer het geval. Ook wordt melding gemaakt van een bloedarmoede en een hypovitaminose D. Deze worden thans niet aangetroffen. In de door haar verstrekte anamnestische gegevens en uit de bevindingen bij lichamelijk onderzoek en (uitgebreid) aanvullend onderzoek kwamen verder geen feiten naar voren die zouden kunnen wijzen op pathologie op het gebied van de interne geneeskunde.

Beantwoording van de vraagstelling: op basis van de IWMD

1. DE SITUATIE MET ONGEVAL

(…) A. voor de anamnese ik verwijs naar hetgeen hierboven in het desbetreffende hoofdstuk is gemeld. Zij heeft enig baat gehad van de ondersteunende psychologische therapie. Mevrouw heeft geen beperkingen aan die specifiek zijn voor mijn vakgebied.

(…)
D. consistentie: de gegevens die door mevrouw werden verstrekt komen overeen met datgene wat ik uit de verstrekte gegevens heb kunnen destilleren.
(…)

F. diagnose: ik kan op mijn vakgebied geen pathologie vaststellen en derhalve ook geen differentiaal diagnostische overwegingen opstellen.

G. beperkingen: op mijn vakgebied kan ik geen beperkingen vaststellen.

2
2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

A. Voor de ongevallen bestonden bij de onderzochte geen klachten of afwijkingen (op mijn vakgebied) die de onderzochte thans nog steeds heeft.

(…)

C. Er zijn daarnaast op mijn vakgebied geen klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als de ongevallen de onderzochte niet waren overkomen.

(…)

F. er zijn op mijn vakgebied geen ongevalsgerelateerde klachten of en afwijkingen; over een eventuele verbetering of verslechtering (vragen G, H en 1) kan ik derhalve geen uitspraak doen.

3. OVERIGE (…)

In de secties (1) en (2) van dit verslag heb ik de gestelde vragen beantwoord vanuit mijn invalshoek als internist. Het moge duidelijk zijn dat ik noch in het verleden noch bij mijn onderzoek vanuit deze discipline afwijkingen heb kunnen vaststellen. Dit laat echter onverlet dat mevrouw een consistent verhaal heeft van ernstige invaliderende klachten. De aanwezigheid van deze klachten en de ernst daarvan zijn herhaaldelijk vastgesteld door verschillende collegae in de curatieve en in de experterende sektor. Voor de ongevallen leidde mevrouw een succesvol leven als zelfstandig gevestigd ondernemer en waren er geen klachten op geestelijk en lichamelijk gebied. Er is een overduidelijke relatie tussen haar klachten en de ongevallen die haar overkomen zijn.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

In deze zaak gaat het om de gevolgen van de [appellante] op 23 mei 2007 en 22 oktober 2007 overkomen auto-ongevallen. [appellante] heeft in deze procedure gesteld dat zij als gevolg van deze ongevallen, in het bijzonder het tweede, ernstiger ongeval, lichamelijke klachten (onder meer nekpijn, rugpijn, hoofdpijn en vermoeidheid) en geestelijke klachten (cognitieve beperkingen, depressie, angsten) heeft ondervonden en ondervindt. Als gevolg van die klachten is zij sinds het tweede ongeval zodanig beperkt dat zij onder andere niet meer in staat is haar werkzaamheden, huishouding en onderhoud van huis uit te voeren. In deze procedure vordert [appellante] de schade die zij heeft geleden en zal lijden als gevolg van de haar overkomen ongevallen. De rechtbank heeft deze vordering van [appellante] (in reconventie) afgewezen en overeenkomstig de vordering van Allianz (in conventie) voor recht verklaard dat de door [appellante] geleden schade met de uitkering van Allianz van € 81.500,- is vergoed. De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor.

3.2

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of en, zo ja, welke lichamelijke en geestelijke gevolgen de ongevallen voor [appellante] hebben en hebben gehad. Partijen gaan daarbij, op een enkel kritiekpunt na, dat hierna, waar nodig, aan de orde komt, uit van de juistheid van de hiervoor weergegeven deskundigenrapportages. Het hof zal dat ook doen.

3.3

Van der Scheer heeft gerapporteerd dat sprake is van afwijkende scores op het gebied van snelheid en geheugentaken. Brunt heeft gerapporteerd dat bij [appellante] sprake is van chronische posttraumatische pijnklachten en polyforme somatische klachten. Zowel Van der Scheer als Brunt kunnen geen somatische oorzaak (schade aan het brein) aanwijzen voor deze klachten. De oorzaak van deze klachten is volgens hen gelegen in een verwerkings- en acceptatieproblematiek, inadequate coping en de neiging spanningen om te zetten in lichamelijke klachten. Deze klachten zou [appellante] volgens Brunt niet hebben ervaren wanneer de ongevallen haar niet waren overkomen.
Volgens Tilanus heeft [appellante] als gevolg van het ongeval op 22 oktober 2007 aan een posttraumatische stressstoornis geleden die de afgelopen jaren in remissie is gekomen en die bij onderzoek door Tilanus in 2018 niet meer aanwezig is, behoudens een specifieke angst bij [appellante] om zelf weer rijlessen te geven als restverschijnsel. Beperkingen in het functioneren - zowel op geestelijk als lichamelijk gebied - zijn er volgens Tilanus ten tijde van zijn onderzoek niet of nauwelijks meer. Zonder het tweede ongeval is het volgens Tilanus niet aannemelijk dat de PTSS zich zou hebben voorgedaan.

3.4

De omstandigheid dat op grond van de deskundigenrapporten van Brunt en Van der Scheer moet worden geconstateerd dat geen somatische oorzaak kan worden gegeven voor de klachten die [appellante] stelt te ondervinden, staat op zichzelf niet in de weg aan de mogelijkheid dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het tweede ongeval en de klachten. De door Brunt in zijn rapport genoemde klachten komen overeen met klachten die niet zelden ontstaan na een (ernstig) auto-ongeval zoals dat [appellante] is overkomen. Inherent aan dit soort klachten is dat ze moeilijk objectiveerbaar zijn, juist omdat bij deze klachten veelal een medisch (neurologisch) substraat ontbreekt. Aan het bewijs voor het bestaan van deze klachten kunnen daarom geen al te hoge eisen worden gesteld. Hiervoor is dan ook voldoende dat het bestaan van de – subjectief beleefde – klachten objectief kan worden vastgesteld. Daarvoor dienen de klachten reëel te zijn, dat wil zeggen niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven. Dit in de jurisprudentie ontwikkelde criterium komt er op neer dat de rechter , op grond van de beschikbare medische informatie, ervan overtuigd moet zijn dat het gaat om klachten die betrokkene daadwerkelijk heeft zonder dat hij of zij tracht de situatie bewust ernstiger te doen overkomen. Indien het bestaan van de klachten is vast komen te staan, kan aan het bewijs van het causaal verband tussen de klachten en het ongeval, waarbij een vergelijking dient te worden gemaakt tussen de situatie met ongeval en de situatie zonder ongeval, in de gegeven omstandigheden evenmin al te hoge eisen worden gesteld. Indien voor het ongeval deze gezondheidsklachten niet bestonden, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn.

Het bestaan en de oorzaak van de klachten

3.5

Uit de beschikbare medische stukken, waaronder het huisartsenjournaal over de periode 2004 tot en met 2017, maar ook de overige informatie afkomstig van de vele disciplines die [appellante] in de curatieve sector heeft geraadpleegd, volgt dat [appellante] aansluitend aan het tweede ongeval melding heeft gemaakt van hoofdpijn, rugpijn, nekpijn, vermoeidheid, cognitieve klachten en, iets later, PTSS-klachten. In de voorhanden informatie van de diverse behandelaars wordt telkens weer gesproken over een chronisch post-whiplash syndroom en een PTSS. In de expertiserapporten van Brunt, Van der Scheer en Tilanus wordt dit beeld bevestigd. Op grond van deze, niet ter discussie staande, informatie oordeelt het hof dat sprake is van objectief aanwezige gezondheidsklachten, waarbij het in het bijzonder gaat om hoofdpijn, nekpijn, rugpijn, vermoeidheid, cognitieve klachten en PTSS-klachten.

3.6

Het hof gaat niet mee in het betoog van Allianz dat [appellante] de klachten bewust ernstiger voordoet of geheel voorwendt. De hiervoor genoemde informatie uit de curatieve sector en de expertiserapporten bieden voor dat standpunt onvoldoende basis. Weliswaar heeft Van der Scheer het in haar rapport over onderpresteren maar dat zegt op zichzelf nog niet dat [appellante] haar klachten bewust ernstiger heeft gepresenteerd of dat zij (doel)bewust slechter heeft gescoord op onderdelen van het neuropsychologisch onderzoek. Uit het rapport van Van der Scheer, bezien in samenhang met dat van Brunt (in het bijzonder in zijn antwoord op vraag 1f), begrijpt het hof dat het onderpresteren, tezamen met andere aspecten zoals depressiviteit, een overtuigende aanwijzing vormt voor een niet-somatische oorzaak voor de cognitieve klachten, namelijk een verwerkings-en acceptatieproblematiek met angstige en depressieve kenmerken. Dat sprake is van bewust slecht presteren op testen, volgt niet uit het rapport van Van der Scheer en die opvatting verhoudt zich ook niet met de strekking van haar rapport, namelijk dat sprake is van cognitieve klachten als gevolg van niet-somatische oorzaken. Allianz heeft ook nog gewezen op het rapport van Graamans. Weliswaar heeft Graamans een discrepantie gesignaleerd tussen het medisch dossier en de drempels in het toondiagram, maar hij heeft in zijn rapport een voor de hand liggende oorzaak genoemd die naar het hof meent, bij [appellante] evident aanwezig is, namelijk aandachtsproblemen en emotionele belasting. Ook uit het rapport van Graamans volgen naar het oordeel van het hof dus geen aanwijzingen voor bewust onderpresteren.

3.7

Allianz heeft wat betreft de PTSS-klachten aangevoerd dat deze maar kort hebben bestaan: in 2008 zou deze stoornis volgens Allianz succesvol zijn behandeld zodat er van moet worden uitgegaan dat [appellante] in de periode daarna geen last meer had van PTSS-klachten. Het hof volgt Allianz niet in deze uitleg van het rapport van Tilanus. Uit dat rapport, dat teruggrijpt op de talrijke informatie uit de behandelende sector, volgt naar het oordeel van het hof duidelijk dat [appellante] in 2008 met succes een EMDR-behandeling heeft ondergaan, dat de klachten daarna een tijd weg zijn geweest maar in 2009/2010 weer lijken te zijn teruggekeerd, waarna [appellante] in 2012 opnieuw een EMDR-behandeling heeft ondergaan. Nadien wordt gesproken over een chronische PTSS. Sinds oktober 2017 is [appellante] in behandeling bij psychiater [C] en die behandeling duurde in ieder geval nog voort op het moment dat de memorie van grieven werd genomen. Het hof leidt uit het rapport van Tilanus dan ook af dat de PTSS- klachten de afgelopen jaren steeds, in wisselende ernst, hebben bestaan.

3.8

Uit het rapport van Tilanus blijkt ook dat ten tijde van zijn onderzoek geen sprake meer was van PTSS-klachten, op een enkel restverschijnsel (mogelijk angst om als rijinstructeur te werken) na. Het hof zal er dan ook vanuit gaan dat van die klachten nu nauwelijks nog sprake is. [appellante] heeft, na het uitbrengen van het rapport van Tilanus nog een bericht overgelegd van de behandelend psychiater [C] . In haar memorie van grieven onder 15 lijkt [appellante] zich op het standpunt te stellen dat de PTSS klachten chronisch zijn, waaruit het hof begrijpt dat zij stelt dat, in weerwil van de bevindingen van Tilanus, zij ook nu nog steeds last heeft van PTSS. Hoewel het hof wil aannemen dat zij mogelijk nog enige restverschijnselen heeft, gaat het in een zaak als de onderhavige erom dat bekeken wordt in hoeverre de klachten van [appellante] zijn terug te voeren op het ongeval en in hoeverre deze klachten leiden tot schade. Het hof stelt vast dat [appellante] na het uitbrengen van het rapport van Tilanus niet in voldoende mate heeft gesteld dat zij tot niets meer in staat is en dat dit zou moeten leiden tot voortdurende schade op de terreinen van verlies aan verdienvermogen, huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid. Uit het rapport van Tilanus volgt immers dat er volgens hem geen sprake meer is van lichamelijke klachten die het dagelijks leven in significante mate verstoren. Deze waarneming wordt in zekere zin bevestigd door wat [appellante] zelf tegenover Tilanus heeft geuit: zij wil graag weer werken, sport graag en veelvuldig, ze denkt niet blijvend ziek te zijn en hoopt dat, zodra deze procedure voorbij is, zij weer een draai kan maken. Sinds 2019 is [appellante] ook op vrijwillige basis als mantelzorger van haar vader aan het werk. Dit leidt ertoe dat het hof de conclusies van Tilanus overneemt. [appellante] heeft weliswaar aangegeven dat er nog steeds sprake is van vele, pluriforme, weinig specifieke klachten maar de oorzaak hiervan heeft Tilanus toegeschreven – en daarin wordt hij door vele behandelaars bevestigd – aan het luxerende effect van de nog steeds voortdurende letselschadeprocedure. Dat betekent dat op basis van de rapporten het hof tot de conclusie komt dat de klachten, voor zover die er nog zijn, in zeer sterke mate zullen afnemen zodra deze procedure voorbij is. Dit brengt het hof ertoe dat in het kader van de vaststelling van de omvang van de schade, hiermee rekening zal worden gehouden.

3.9

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het bestaan van de door [appellante] ervaren nekpijn, rugpijn, cognitieve klachten en de PTSS-klachten in voldoende mate objectief is aangetoond, zij het dat de PTSS-klachten en mogelijk ook de fysieke klachten nu niet meer althans nog maar in zeer geringe mate aanwezig zijn dan wel naar verwachting fors zullen verminderen wanneer de procedure voorbij is.

3.10

Er zijn geen aanwijzingen dat [appellante] deze lichamelijke en geestelijke klachten ook zou hebben ondervonden wanneer het ongeval op 22 oktober 2007 haar niet was overkomen. Tot het ongeval heeft [appellante] zonder beperkingen haar werk als zelfstandig rijinstructeur uitgeoefend. In het huisartsenjournaal dat vanaf 2004 is overgelegd zijn geen aanwijzingen te vinden dat [appellante] voor het ongeval vergelijkbare klachten had als die zij na 22 oktober 2007 heeft ondervonden. Tilanus en Brunt hebben in hun rapporten, in hun antwoord op vraag 2c, verklaard dat er geen aanwijzing is dat [appellante] de klachten ook zou hebben ondervonden wanneer haar het ongeval op 22 oktober 2007 niet zou zijn overkomen. Ten slotte biedt het rapport van Erwteman ook geen aanknopingspunten voor het standpunt van Allianz dat de klachten het gevolg zijn van een (niet-ongevalsgerelateerde) schildklieraandoening. Als dat al zo was, dan is door medicatie geen sprake meer van een niet goed functionerende schildklier. Hoewel niet expliciet is gevraagd of in het verleden de schildklierproblematiek de oorzaak kan zijn geweest van de klachten, heeft Erwteman die vraag toch impliciet beantwoord: de relatie tussen de ongevallen en de klachten lijkt ook volgens hem voor de hand te liggen. Het hof ziet verder in het hele beloop van de klachten, namelijk optredend aansluitend aan het tweede ongeval, door zowel behandelaars als de deskundigen geduid als ongevalsgevolg, in stand gehouden door de procedure, ook voldoende duidelijke aanwijzingen dat de aandoening aan de schildklier niet de oorzaak is van de klachten. De bezwaren van Allianz tegen het rapport van Erwteman werpen in dit kader geen ander licht op de zaak. Voor het hof is maatgevend dat de uitgebrachte deskundigenrapporten in onderling verband en samenhang dienen te worden bezien. Op basis daarvan komt het hof tot de conclusie dat de klachten het gevolg zijn van, en dus in causaal verband staan met, de ongevallen.

Beperkingen

3.11

Uit de vaststelling van het causale verband tussen de klachten van [appellante] (nekpijn, rugpijn, cognitieve klachten en de PTSS-klachten) en de haar overkomen ongevallen, vloeit naar het oordeel van het hof voort dat die klachten ook hebben geleid tot beperkingen op het terrein van arbeid, huishoudelijke taken en zelfwerkzaamheid. Uit het feit dat [appellante] , zoals hierboven al is overwogen, thans ook weer in staat is tot diverse zorgtaken, leidt het hof af dat de beperkingen die uit de klachten voortvloeien, niet meer zodanig zijn dat die aanleiding geven tot volledige uitval van [appellante] . Wel kan, met name uit het rapport van Tilanus, worden vastgesteld dat de PTSS klachten in het verleden zo ernstig waren dat de beperkingen die daaruit voortvloeiden, haar hebben verhinderd tot het verrichten van arbeid en het doen van de reguliere huishoudelijke taken en zelfwerkzaamheid. In dit opzicht is het illustratief dat het (al snel ingezette) arbeidsre-integratietraject door een emotionele uitbarsting van [appellante] voortijdig tot een einde is gekomen. Gezien de inhoud van de rapporten acht het hof het voldoende vaststaan dat dit is voortgekomen uit de aanwezige PTSS. Omdat het hof, op basis van de rapporten, voor de vaststelling van de toekomstige schade geen relevante klachten en daarmee samenhangende beperkingen vaststelt, heeft het hof (vooralsnog) geen behoefte aan verdere deskundige voorlichting door een verzekeringsarts of een arbeidsdeskundige.

Schade

3.12

[appellante] stelt zich op het standpunt dat zij als gevolg van de klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen sinds het ongeval van 22 oktober 2007 niet meer heeft kunnen werken en haar huishouding en het onderhoud van huis en tuin niet heeft kunnen verrichten. Verder heeft [appellante] allerlei kosten moeten maken in verband met blijvende invaliditeit en heeft zij ook smartengeld en buitengerechtelijke kosten gevorderd. Het debat over de schade is nog maar heel beperkt gevoerd. Het hof zal de diverse schadeposten bespreken.

Verlies van verdienvermogen

3.13

[appellante] stelt dat zij tot het ongeval van 22 oktober 2007 als zelfstandig rijschoolhoudster een inkomen verdiende en dat zij haar bedrijf tot de AOW-gerechtigde leeftijd (28 januari 2029) zou zijn blijven uitoefenen. Als gevolg van het ongeval is zij tot de AOW-gerechtigde leeftijd volledig arbeidsongeschikt en dus niet in staat enig inkomen te verdienen, aldus het uitgangpunt van [appellante] bij de berekening van het verlies aan verdienvermogen. Volgens Allianz is geen sprake van arbeidsongeschiktheid en had [appellante] op enig moment haar werk kunnen en moeten hervatten. Verder voert Allianz aan dat [appellante] tekort is geschoten in de op haar rustende schadebeperkingsplicht: zij heeft onvoldoende gedaan om te herstellen van haar geestelijke klachten en zij heeft zich in het kader van het re-integratietraject onvoldoende ingespannen.

3.14

De vraag of een door een ongeval getroffene als gevolg van het ongeval schade heeft geleden door verlies van inkomsten uit arbeid, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij zo’n vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting over toekomstige ontwikkelingen. Het gaat om een inschatting van goede en kwade kansen. Aan een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen mogen daarbij geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het leveren van (schade wegens het derven van) de arbeidsinkomsten die de benadeelde in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgehad; het is immers aan de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied.

Hypothetische situatie zonder ongeval

3.15

Allianz heeft niet betwist dat, het ongeval van 22 oktober 2007 weggedacht, [appellante] tot aan het moment dat zij AOW-gerechtigd is, als zelfstandig rijinstructeur zou hebben gewerkt en inkomen zou hebben gegenereerd. In de hypothetische situatie zal daarvan dan ook worden uitgegaan. Allianz heeft - onder meer onder verwijzing naar een rapport van Pott Expertises- de in de hypothetische situatie gehanteerde uitgangspunten met betrekking tot de inkomsten die [appellante] uit haar werkzaamheden zou genereren bestreden. Het hof wil door [appellante] nader worden geïnformeerd over de nettowinst uit haar onderneming en het netto-inkomen dat zij in de laatste vijf jaren voor het ongeval heeft genoten.


Feitelijke situatie met ongeval: periode 22 oktober 2007 tot nu

3.16

Aansluitend aan het ongeval van 22 oktober 2007 heeft [appellante] haar werkzaamheden als rijinstructeur gestaakt vanwege in het bijzonder de hoofdpijn, nek en rugklachten, de cognitieve klachten en de PTSS-klachten. [appellante] heeft tot op heden geen werkzaamheden meer verricht en heeft geen inkomsten gegenereerd.

3.17

Allianz heeft aangevoerd dat [appellante] , gelet op de bevindingen van de deskundigen, op enig moment weer aan het werk had moeten kunnen. Het hof gaat daarin niet mee. Uit de hierboven beschreven en door het hof als bestaand en causaal geoordeelde klachten, blijkt in voldoende mate dat [appellante] als gevolg van het tweede ongeval een posttraumatische stressstoornis heeft ontwikkeld die haar, zo neemt het hof aan op grond van het rapport van Tilanus, in ieder geval het werken als rijinstructeur onmogelijk maakte. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [appellante] in ieder geval de afgelopen jaren niet in staat was haar werk als rijinstructeur te hervatten. Haar kan, gelet op de door Tilanus vastgestelde PTSS, dan ook niet worden verweten dat zij niet succesvol is gere-integreerd in de autorijschool van haar broer. De mate van blijvende invaliditeit die door de diverse deskundigen desgevraagd is genoemd, is in dit verband, anders dan Allianz lijkt te veronderstellen, niet veelzeggend.

3.18

Allianz heeft aangevoerd dat [appellante] zich onvoldoende heeft ingespannen om zich te laten behandelen voor de geestelijke klachten en dat zij daardoor tekort is geschoten in de op haar rustende schadebeperkingsplicht. Het hof deelt die opvatting niet. [appellante] heeft zich van februari tot eind 2008 bij GZ-psycholoog [B] laten behandelen (EMDR-behandeling). In oktober 2008 heeft [B] vastgesteld dat sprake is van hernieuwde PTSS-achtige klachten. Dat wordt in maart 2009 bevestigd door revalidatiearts Oudenaarden en in januari 2010 door revalidatiearts Kortleven. Vanaf medio 2010 is [appellante] in het kader van de re-integratiebegeleiding door het bureau Condite, begeleid door een psycholoog (Salemink). In april 2011 is deze begeleiding geëindigd. In september 2011 heeft [B] vastgesteld dat opnieuw sprake is van een PTSS en wordt opnieuw een EMDR behandeling gestart. Deze behandeling wordt in mei 2012 afgerond met de conclusie van [B] dat sprake is van een chronische aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming. Sinds oktober 2017 is [appellante] in behandeling bij psychiater [C] . Verder heeft [appellante] , zo heeft zij ter zitting bij de rechtbank verklaard, een tijd antidepressiva gebruikt.
Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van het hof niet - zonder nadere specificering van de zijde van Allianz van haar stelling - worden gezegd dat [appellante] zich onvoldoende heeft ingespannen om te herstellen van de PTSS waaraan zij als gevolg van het ongeval heeft geleden.

3.19

Allianz heeft verder nog aangevoerd dat [appellante] zich onvoldoende heeft ingespannen om te re-integreren naar ander werk en ook in dat opzicht tekort is geschoten in de op haar rustende schadebeperkingsplicht dan wel dat de inkomensschade over de afgelopen periode om die reden niet kan worden toegerekend aan het ongeval.

Uit de als producties 3 en 4 bij inleidende dagvaarding overgelegde rapporten van de door Allianz ingeschakelde arbeidsdeskundige Hulsen en het re-integratiebureau Condite, leidt het hof het volgende af.
In november 2009 heeft Hulsen aangegeven dat [appellante] gebaat zou zijn bij een multidisciplinair traject gericht op verbetering van functioneren en dat, om tot daadwerkelijke werkhervatting te komen, een alternatieve werkplek moet worden gecreëerd waar [appellante] tot opbouw van haar belastbaarheid kan komen. In oktober 2010 is [appellante] , na een intakegesprek in mei 2010, met het multidisciplinaire traject gestart bij re-integratiebureau Condite. Uit de verslagen blijkt dat het traject in het begin zeer voorspoedig verliep en dat [appellante] na een tegenvallende poging om met haar broer (ook rijinstructeur) mee te rijden en na de constatering dat haar diploma als rijinstructeur was verlopen, zich aanvankelijk actief is gaan oriënteren op vrijwilligerswerk. In januari 2011 heeft [appellante] contact gelegd met een vrijwilligersorganisatie maar in februari 2011 heeft [appellante] aangegeven dat zij teveel klachten heeft om te starten met vrijwilligerswerk. Aan [appellante] wordt door Condite gevraagd om een stappenplan te maken om op korte termijn voldoende uren als vrijwilliger te maken. [appellante] heeft op dat moment melding gemaakt van het feit dat de financiële situatie waarin zij verkeert, waarin zij geen aanspraak kan maken op een uitkering, voor haar problematisch is. In maart 2011 blijkt [appellante] geen stappenplan te hebben gemaakt en bij doorvragen daarover geeft zij aan zich onder druk gezet te voelen, krijgt zij een woedeaanval en heeft zij de medewerkers van Condite bedreigd. Hiervoor heeft zij later haar excuses aangeboden. Zowel Condite als Hulsen hebben de begeleiding hierna geëindigd. Hulsen heeft hierover in zijn voortgangsverslag van 6 mei 2011 geschreven dat hoewel door de inzet van Condite wel enige vooruitgang in het functioneren van [appellante] is bereikt, het doel van enige werkhervatting of een zeer beperkt aantal uren vrijwilligerswerk niet is gerealiseerd. Hulsen verwacht, vanwege het hiervoor genoemde incident en vanwege de eigen visie van [appellante] op haar functioneren, dat begeleiding bij werkhervatting niet binnen afzienbare tijd succesvol zal zijn en dat vormt de reden om de begeleiding te staken. De door Allianz ingeschakelde schaderegelaar Van Dijk heeft in een brief van 7 februari 2012 aan Allianz geschreven dat [appellante] nog steeds volledig arbeidsongeschikt is en dat het, gelet op de aanhoudende beperkingen waarvan [appellante] melding maakt, beter is de expertises af te wachten.

3.20

Het hof oordeelt als volgt. Na een aanvankelijke voorspoedige start, waarbij ook enige progressie is geboekt, is het re-integratietraject uiteindelijk spaak gelopen. [appellante] heeft de stap naar het uitoefenen van vrijwilligerswerk niet gezet en heeft zich dreigend uitgelaten naar de begeleiding van Condite. Het hof kan echter niet vaststellen dat dit [appellante] kan worden aangerekend. Zoals hiervoor is vastgesteld ging [appellante] sinds het ongeval van 22 oktober 2007 continu en in wisselende mate gebukt onder PTSS-klachten. Na een aanvankelijke succesvolle EMDR-behandeling in 2009 met afname van de klachten, namen de klachten in de loop van 2010-2011 weer toe. Naar het oordeel van het hof zijn die klachten door Allianz en door de door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige en het re-integratiebureau onvoldoende onderkend althans is onvoldoende onderkend welke gevolgen deze klachten hebben op het handelen van [appellante] in het kader van de re-integratie. Het is naar het oordeel van het hof zeer aannemelijk dat de PTSS-klachten [appellante] in aanzienlijke mate hebben belemmerd om zich volledig te kunnen inzetten in het kader van het re-integratietraject om optimale resultaten te behalen. Dat het re-integratietraject niet heeft geleid tot begeleiding van [appellante] naar een betaalde baan, kan haar naar het oordeel van het hof dan ook niet worden verweten. De woede-uitbarsting die gepaard is gegaan met een dreigement, plaatst het hof ook in deze context waarin het er op neer komt dat [appellante] vanwege met name haar PTSS-klachten, in feite werd overvraagd. Bij dit alles speelt verder nog mee dat [appellante] gedurende het hele re-integratietraject (en ook daarna) onder grote financiële druk stond omdat zij geen aanspraak kon maken op een uitkering en de bevoorschotting door Allianz onvoldoende was. Ook die druk zal onmiskenbaar invloed hebben gehad op het welzijn en handelen van [appellante] . Van tekortschieten in de schadebeperkingsplicht of het ontbreken van causale toerekening is onder deze omstandigheden geen sprake.

3.21

Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat voor de periode 22 oktober 2007 tot heden het er in de feitelijke situatie voor moet worden gehouden dat [appellante] geen feitelijk benutbare restverdiencapaciteit had. Bij de berekening van het verlies van verdienvermogen over deze periode moet dus een vergelijking worden gemaakt met het (nog vast te stellen) inkomen dat zij zonder ongeval, bij voortzetting van haar eigen rijschool zou hebben gehad en de feitelijke situatie waarin zij geen inkomen heeft genoten.

Feitelijke situatie met ongeval: periode heden tot 2029

3.22

Zoals hiervoor is overwogen volgt uit het rapport van Tilanus dat er volgens hem geen sprake meer is van lichamelijke klachten die het dagelijks leven in significante mate verstoren en dat van PTSS-klachten, op een restverschijnsel na (angst om als rijinstructeur te werken), volgens hem geen sprake meer is. Uitgaande van dat beeld, zou mogelijk sprake kunnen zijn van benutbare restverdiencapaciteit. Denkbaar is dat [appellante] in staat moeten worden geacht om betaalde arbeid te verrichten, anders dan als rijinstructeur. Hiervoor zal enige tijd als re-integratieperiode moeten worden genomen, maar van [appellante] mag worden verlangd dat zij zelf ook actief op zoek gaat naar betaalde arbeid. Zij moet daartoe ook in staat worden geacht, omdat zij inmiddels ook taken als mantelzorger op zich kan nemen. Het hof zal [appellante] in de gelegenheid stellen om zich hierover nader uit te laten. Uit het voorgaande volgt dat het standpunt van [appellante] dat zij tot aan haar AOW gerechtigde leeftijd volledig arbeidsongeschikt zal zijn, niet wordt gevolgd.

Kosten huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid

3.23

[appellante] heeft vergoeding van de kosten voor huishoudelijke hulp gevorderd, waarbij zij uit is gegaan van een behoefte van 4 uur per week tot haar 75e levensjaar tegen een tarief van € 15,-. Daarnaast heeft zij vergoeding gevorderd van de schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid. Ook wat deze schadeposten betreft heeft het hof behoefte aan nadere informatie van [appellante] . Vooralsnog is moeilijk aan te nemen dat zij niet in staat is tot het verrichten van deze taken, terwijl zij wel in staat is om zorgtaken op zich te nemen ten behoeve van haar vader. Voor de toekomst geldt dat, gelet op het rapport van Tilanus en de uitlatingen van [appellante] , het hof niet inziet dat sprake is van wezenlijke beperkingen ten aanzien van huishoudelijk werk en zelfwerkzaamheid. In zoverre is geen sprake van toekomstige schade.


Smartengeld

3.24

[appellante] heeft na eisvermeerdering een bedrag van € 45.000 gevorderd aan smartengeld. Het hof acht een bedrag van € 30.000,- gelet op alle omstandigheden en bedragen die in andere zaken worden toegekend, passend. Voor dit oordeel is redengevend dat sprake is geweest van twee ongevallen, waarvan het laatste een zwaar ongeval betreft. Met name dat laatste ongeval heeft forse lichamelijke en vooral geestelijke klachten veroorzaakt waarvoor [appellante] jarenlang bij diverse medici in behandeling is geweest. [appellante] heeft als gevolg van de beperkingen haar werk als zelfstandig rijinstructeur niet langer kunnen uitoefenen. Haar diploma als rijinstructeur is verlopen. [appellante] heeft haar eigen, zelf opgebouwde, onderneming moeten beëindigen. Zij is daardoor haar volledige inkomen kwijtgeraakt. Vanwege het bezit van een eigen woning kon [appellante] geen aanspraak maken op een uitkering en was en is zij dus volledig afhankelijk van de bevoorschotting door Allianz en, waar die op enig moment uitbleef, van giften en leningen. Onder meer deze financiële nood heeft een volgens alle geraadpleegde deskundigen remmend effect gehad op met name het geestelijke herstel van [appellante] . Verder springt in het oog dat Allianz steeds, ook na het rapport van Tilanus, is blijven vasthouden aan haar opvatting dat de ongevallen nauwelijks klachten bij [appellante] hebben veroorzaakt en zij dus geen aanspraak kon maken op (verdere) schadevergoeding. Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over het bestaan en de causaliteit van de klachten, een oordeel dat berust op een zeer breed gedragen opvatting uit de behandelende sector en de deskundigenrapporten, valt deze opstelling van Allianz moeilijk te begrijpen. Deze houding van Allianz en de daarmee gepaard gaande langdurige schaderegeling, die uiteindelijk is uitgemond in deze procedure, heeft er, volgens vele behandelaars en de deskundigen, in grote mate aan bijgedragen dat de PTSS waaraan [appellante] als gevolg van het ongeval heeft geleden, (langer en ernstiger) is blijven bestaan. De opstelling van Allianz in deze procedure vormt voor het hof mede aanleiding voor een bedrag aan smartengeld zoals hierboven genoemd.

Overige schadeposten en begrotingsaspecten

3.25

[appellante] heeft in haar schadestaat nog andere schadeposten opgenomen, zoals de materiële kosten, herstelkosten ziekte en buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand.
Over de materiële kosten en de herstelkosten zullen partijen zich nader moeten uitlaten – in het bijzonder over de vraag of partijen de vergoeding van deze kosten in onderling overleg kunnen regelen - waarna over deze kosten zo nodig verder zal worden geoordeeld. Over de buitengerechtelijke kosten zal ook later worden beslist.

3.26

Allianz heeft nog aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de Schadeverzekering Inzittenden (artikel 6:100 BW). Ook hierover zal het debat nog verder moeten worden gevoerd.

Het vervolg

3.27

In dit arrest heeft het hof vastgesteld dat [appellante] lichamelijke en geestelijke klachten heeft ondervonden als gevolg van de haar in 2007 overkomen ongevallen. Allianz zal de schade die [appellante] als gevolg van de ongevallen heeft geleden en zal lijden, dienen te vergoeden. Voor de begroting van die schade is het hof ten dele afhankelijk van nadere informatie van partijen. Met een dergelijk traject zijn tijd en kosten gemoeid. De toekomstige looptijd van de schadepost verlies van verdienvermogen is nog relatief kort. Het hof geeft partijen daarom allereerst in overweging met elkaar de schade te regelen. Wanneer dat niet of niet op alle schadeonderdelen lukt, wil het hof van partijen weten hoe zij de procedure verder voor zich zien en verwacht het hof van partijen dat zij zich per schadepost over de voorliggende discussiepunten en de marsroute uitlaten. Van [appellante] wordt in dat geval ook verlangd dat zij een geactualiseerde en aan de hiervoor genomen beslissingen aangepaste schadestaat bij die akte in het geding zal brengen. De zaak wordt daartoe naar de rol verwezen voor akte uitlating, eerst aan de zijde van [appellante] . Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 23 juni 2020 voor akte uitlating aan de zijde van [appellante] , gevolgd door een antwoordakte van Allianz op 21 juli 2020;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, S.C.P. Giesen en J. Sap, is ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2020.