Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3938

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-05-2020
Datum publicatie
25-05-2020
Zaaknummer
200.260.310
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Weigering dekking autoverzekering wegens mogelijk geënsceneerde aanrijding (7:941 BW, 7:952 BW). Past schadebeeld verzekerde auto bij toedracht van ongeluk zoals door appellant gesteld? Verzekerde heeft verzekerd belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.260.310

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 6427356)

arrest van 19 mei 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. Ü. Arslan,

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: ASR,

advocaat: mr. E.J.A.A. van Dal.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 7 februari 2018 en 17 oktober 2018, die de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 17 januari 2019,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met productie).

2.2

Vervolgens heeft ASR de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het (bestreden) vonnis van 17 oktober 2018, waartegen geen grief gericht is.

4 Het geschil, de standpunten van partijen en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 4 februari 2014 heeft [appellante] een Volkswagen Passat (hierna: de auto) allrisk verzekerd bij ASR. Op 25 februari 2014 heeft zij met de auto een aanrijding gehad met een BMW (hierna: de BMW) bestuurd door [B] . [appellante] heeft de daardoor ontstane schade van € 12.200 geclaimd. ASR heeft geweigerd uit te betalen, omdat volgens ASR de aanrijding is geënsceneerd om de schade te claimen. ASR heeft ter onderbouwing daarvan in eerste aanleg overgelegd: (i) een rapport van onderzoek van DEKRA en een rapport van expertise van DEKRA, allebei van 10 juli 2014 en (ii) een rapport van Ongevallen Analyse Nederland (hierna: OAN) van 12 december 2017 (hierna: het eerste OAN rapport). ASR heeft de gegevens van [appellante] opgenomen in het incidentenregister van ASR en het Extern Verwijzingsregister en zij heeft deze registratie gemeld bij het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude.

4.2

[appellante] vordert dat ASR veroordeeld wordt om haar € 12.200 te betalen, omdat er een verzekeringsovereenkomst is, er een aanrijding is geweest en [appellante] daardoor als rechthebbende ten aanzien van de auto dat bedrag als schade heeft geleden en deze schade gedekt is onder de verzekering. Daarnaast vordert [appellante] dat ASR de opname van [appellante] in het incidentenregister en de melding van [appellante] bij het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude (CBV) ongedaan maakt en haar hiervan een afschrift stuurt. Ten slotte vordert [appellante] dat ASR wordt veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

4.3

ASR verweert zich daartegen. ASR betwist niet dat er een verzekeringsovereenkomst is en een aanrijding heeft plaatsgevonden op 25 februari 2014, maar beroept zich primair op artikel 6 lid 4 van de toepasselijke Algemene Voorwaarden (de AV) en op artikel 7:952 BW, die bepalen dat voor opzettelijk veroorzaakte schade geen dekking is. Subsidiair beroept ASR zich erop dat [appellante] opzettelijk onjuiste verklaringen heeft afgelegd over de aanrijding, zodat haar recht op uitkering onder de verzekering is vervallen op grond van artikel 6 lid 5 van de AV en artikel 7:941 BW of dat [appellante] door onjuist te verklaren ASR in haar redelijke belangen heeft geschaad. Meer subsidiair betwist ASR (i) dat [appellante] een verzekerd belang heeft omdat zij de auto niet heeft gekocht of niet de eigenaar van de auto is, en (ii) dat de aanrijding een onzekere gebeurtenis is, zodat zij niet door de verzekering gedekt wordt. ASR betwist ook de hoogte van de schade, omdat [appellante] het restant van de auto voor € 1.500 meer heeft verkocht dan waarmee bij de berekening van de € 12.200 schade rekening is gehouden. Als tegenvordering (in reconventie) heeft ASR de kosten van de onderzoeken naar de toedracht van de aanrijding à € 3.062,51 gevorderd.

4.4

De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 oktober 2018 het subsidiaire verweer van ASR gehonoreerd, de vorderingen van [appellante] afgewezen, de vordering van ASR toegewezen en [appellante] veroordeeld tot betaling van € 3.062,51 met wettelijke rente daarover vanaf 3 januari 2018 en de kosten van de procedure in conventie en reconventie. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de schade aan de auto niet past bij de toedracht van de aanrijding, zoals door [appellante] gesteld. Daarom moet, volgens de kantonrechter, als vaststaand worden aangenomen dat [appellante] opzettelijk onware verklaringen of onvolledige mededelingen heeft gedaan.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Eisvermeerdering

5.1

[appellante] heeft haar eis in hoger beroep vermeerderd en vordert nu ook de kosten van het onderzoek dat zij heeft laten verrichten door Schade- en Onderzoeksbureau Hoofddorp (hierna: Hoofddorp). Zij heeft daarbij een factuur van Hoofddorp overgelegd, waaruit een totaalbedrag van € 6.336 aan in rekening gebracht honorarium blijkt. ASR protesteert tegen deze eisvermeerdering. Het hof staat de eisvermeerdering toe. Weliswaar heeft [appellante] haar eiswijzing niet op de juiste manier vormgegeven, uit de memorie van antwoord blijkt dat ASR een eisvermeerdering van € 6.336 als zodanig heeft onderkend. ASR is daarom niet in haar processuele belangen geschaad. Van strijd met de eisen van een goede procesorde is verder niet gebleken. ASR heeft bij memorie van antwoord ook inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde kosten. [appellante] heeft daarop nog niet kunnen reageren en zal daarom de gelegenheid krijgen daar alsnog bij akte op te reageren.

Kern van het geschil

5.2

In hoger beroep staan de volgende vragen centraal: (i) is het schadebeeld van de auto te rijmen met de toedracht van de aanrijding zoals door [appellante] gesteld en (ii) was [appellante] de rechthebbende ten aanzien van de auto ten tijde van het ongeluk?

Is het schadebeeld van de auto te rijmen met de toedracht van de aanrijding zoals door [appellante] gesteld?

5.3

[appellante] komt op tegen het oordeel van de kantonrechter, dat het schadebeeld van de auto niet te verenigen is met de toedracht zoals door [appellante] gesteld. Zij onderbouwt dat met een rapport van Hoofddorp van 31 mei 2019, dat haar beschrijving van de aanrijding ondersteunt. ASR heeft als formeel bezwaar hiertegen aangevoerd dat [appellante] in haar memorie van grieven slechts een algemene verwijzing naar het rapport van Hoofddorp heeft opgenomen en daarmee onvoldoende specifiek in haar memorie van grieven een beroep heeft gedaan op het rapport van Hoofddorp. Het hof passeert dit bezwaar. Een partij die zich op stellingen en feiten wil baseren dient dit op een zodanige manier te doen dat voor de rechter duidelijk is wat hem als grondslag voor een vordering of verweer ter beoordeling wordt voorgelegd en voor de wederpartij waarop hij zijn verdediging dient af te stemmen. [appellante] heeft in haar memorie van grieven (nr. 7-10) specifieke elementen uit het rapport van Hoofddorp benoemd die zien op de toedracht van de aanrijding waarop zij een beroep doet. Het rapport van Hoofddorp is ook niet van een zodanige omvang dat ASR in haar belangen geschaad is, doordat [appellante] niet letterlijk de stellingen en conclusies van Hoofddorp waarop zij zich wil beroepen heeft geciteerd. Ook uit de memorie van antwoord van ASR blijkt dat haar voldoende duidelijk was waartegen zij zich moet verweren.

5.4

ASR heeft inhoudelijk in antwoord op de stellingen van [appellante] een beroep gedaan op een door haar overgelegd aanvullend rapport van OAN van 12 september 2019 (hierna: het tweede OAN rapport). Op dit tweede rapport van OAN heeft [appellante] nog niet kunnen reageren. Om die reden zal het hof dat rapport vooralsnog niet in het nadeel van [appellante] bij zijn oordeel betrekken. [appellante] wordt in de gelegenheid gesteld bij akte op dit tweede OAN rapport te reageren

5.5

Het hof moet opnieuw beoordelen of de toedracht van de aanrijding niet is zoals [appellante] heeft gezegd. De stelplicht en bewijslast dat [appellante] opzettelijk onware verklaringen of onvolledige mededelingen heeft gedaan en dat de toedracht van de aanrijding dus anders is dan [appellante] heeft gesteld rusten op ASR.

5.6

Op basis van de door ASR en [appellante] overlegde onderzoeksrapporten kan het hof niet vaststellen of de toedracht van de aanrijding anders is dan [appellante] gezegd heeft. De onderzoeksrapporten van DEKRA, OAN en Hoofddorp spreken elkaar op punten tegen en de rapporten van DEKRA en OAN enerzijds en Hoofddorp anderzijds komen op basis van hetzelfde materiaal tot andere en soms tegenovergestelde conclusies op de volgende belangrijke punten:

- de vraag of het schadebeeld past bij een statische aanrijding of niet: DEKRA en OAN wijzen op verschillende schades ter onderbouwing van dezelfde conclusies, en Hoofddorp trekt op basis van dezelfde schades een conclusie die de conclusies van DEKRA en OAN tegenspreekt;

- de vraag in hoeverre bepaalde schade verklaard kan worden door een tweede aanrijding, waarbij DEKRA en het eerste OAN rapport elkaar tegenspreken en de onderbouwing in het eerste OAN rapport minder stellig is dan de conclusies van het eerste en tweede OAN rapport, terwijl Hoofddorp in de schade die voor OAN aanleiding is aan een tweede aanrijding te denken juist onderbouwing ziet voor een niet-statische aanrijding;

- de vraag welke storingen in het motormanagement zijn uitgelezen en wat de betekenis is van de uitgelezen storingen, waarbij DEKRA en OAN en Hoofddorp niet tot dezelfde conclusie komen.

ASR heeft bewijs aangeboden en zal daarom worden toegelaten tot het bewijs dat (i) de auto stilstond ten tijde van de aanrijding met de BMW en/of (ii) dat de schade aan de auto niet volledig veroorzaakt is door de aanrijding met deze BMW op 25 februari 2014 zoals door [appellante] beschreven, maar dat er sprake is geweest van meerdere gebeurtenissen die de schade veroorzaakt hebben.

5.7

Slaagt ASR in deze bewijsopdracht dan faalt het hoger beroep. [appellante] heeft namelijk niet de gevolgtrekking van de kantonrechter aangevallen dat, indien de toedracht niet is geweest zoals zij heeft gesteld, daaruit afgeleid moet worden dat zij opzettelijk onwaar heeft verklaard met als doel het misleiden van de verzekeraar. Slaagt ASR niet in het bewijs, dan slaagt haar verweer dat [appellante] ASR opzettelijk verkeerd heeft geïnformeerd over de aanrijding niet. Ook het primaire verweer van ASR dat [appellante] de schade opzettelijk heeft veroorzaakt en het (meer subsidiaire) verweer dat geen onzeker voorval heeft plaatsgevonden heeft ASR vooral onderbouwd met het feit dat de toedracht van de aanrijding niet is zoals [appellante] heeft verklaard. Deze verweren delen dus het lot van het (subsidiaire) verweer. Er resteert dan nog het meer subsidiaire verweer dat [appellante] geen verzekerd belang heeft.

Heeft [appellante] een verzekerd belang?

5.8

ASR heeft betwist dat [appellante] een verzekerd belang heeft. Niet betwist is dat [appellante] de kentekenhouder was, de auto verzekerd had en de auto bestuurde en daarmee de feitelijke macht over de auto uitoefende. Daarmee is het vermoeden van bezit en het vermoeden van eigendom gegeven. Volgens ASR is echter onaannemelijk dat [appellante] de werkelijke rechthebbende ten aanzien van de auto was. Het voornaamste argument dat niet [appellante] maar iemand anders de rechthebbende ten aanzien van de auto is, is volgens ASR dat [C] zich intensief met de regeling van de schade heeft bemoeid. Dat een familielid behulpzaam is bij het regelen van de schade kan echter vele oorzaken hebben, en is dus een onvoldoende gemotiveerde betwisting van het vermoeden dat [appellante] eigenaar was van de auto. De twijfels van ASR over de aankoopgeschiedenis, de aankoopprijs en financiering van de koop passen in het betoog van ASR dat sprake is van een opzetaanrijding, maar onderbouwen niet dat een ander dan [appellante] de rechthebbende ten aanzien van de auto was. ASR heeft dus onvoldoende aangevoerd tegenover het wettelijke vermoeden dat [appellante] eigenaar van de auto was en dus een verzekerd belang heeft.

6 De slotsom

6.1

Het zal hof zal ASR toelaten te bewijzen dat (i) de auto stilstond ten tijde van de aanrijding met de BMW en/of (ii) dat de schade aan de auto niet volledig veroorzaakt is door de aanrijding met de BMW op 25 februari 2014 zoals door [appellante] beschreven, maar dat er sprake is geweest van meerdere gebeurtenissen die de schade veroorzaakt hebben.

6.2

ASR wordt gelegenheid geboden zich bij akte uit te laten hoe zij voornemens is bewijs te leveren van de in rechtsoverweging 6.1 genoemde feiten. ASR heeft in haar bewijsaanbod in hoger beroep aangegeven de onderzoekers van DEKRA en OAN als getuigen te willen horen. ASR zal daartoe alleen in de gelegenheid worden gesteld indien deze onderzoekers over de toedracht van de aanrijding uit eigen waarneming kunnen verklaren. ASR dient zich daarover uit te laten. Indien dat niet het geval is, ligt een deskundigenonderzoek meer in de rede om antwoord te geven op de twee in rechtsoverweging 6.1 genoemde vragen. Volgens de hoofdregel van artikel 195 Rv moet ASR het voorschot dragen als een deskundige benoemd wordt. Ook als ASR andere getuigen dan de onderzoekers van DEKRA en OAN wenst te horen over de toedracht van de aanrijding, kan zij dat in deze akte aangeven.

6.3

[appellante] wordt gelegenheid geboden bij akte te reageren op (i) het tweede rapport van OAN, en (ii) de stellingen van ASR in de memorie van antwoord over de aard en hoogte van de onderzoekskosten van Hoofddorp. Het hof verzoekt [appellante] verder om, voor zover mogelijk, ook reeds aan te geven welke getuigen zij voornemens is in het geval van een contra-enquête te doen horen.

6.4

Beide partijen worden in de gelegenheid gesteld om in de eerder genoemde akten vragen te formuleren aan de eventueel te benoemen deskundige en zich uit te laten over de persoon, hoedanigheden en relevante kwaliteiten van die deskundige. Het hof adviseert partijen tijdig met elkaar in overleg te treden over de vraag wie eventueel tot deskundige benoemd moet worden en zo mogelijk gezamenlijk een persoon voor te dragen. Indien partijen niet slagen in een gezamenlijke voordracht, verzoekt het hof aan partijen in hun tevoren over en weer aan elkaar toe te zenden akten, in te gaan op de door de wederpartij voor te dragen personen en op eventuele bezwaren tegen benoeming van bepaalde personen, dan wel mee te delen dat partijen zich op dit punt refereren aan het oordeel van het hof.

6.5

Het hof zal de zaak voor deze aktes naar de hierna te noemen rol verwijzen.

6.6

In afwachting van genoemde aktes zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van 16 juni 2020 voor het gelijktijdig nemen van een akte met:

  • -

    uitlating door ASR zoals in rechtsoverwegingen 6.2 en 6.4 overwogen;

  • -

    uitlating door [appellante] zoals in rechtsoverwegingen 6.3 en 6.4 overwogen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, L. Janse en M.S.A. van Dam en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2020.