Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3936

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-05-2020
Datum publicatie
25-05-2020
Zaaknummer
200.259.562
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 3:166 lid 3 BW, artikel 3:185 BW, artikel 3:12 BW. Wageningse gifmoord. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de man bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap aanspraak maakt op zijn aandeel in de overwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0126
JERF 2020/186
JERF 2020/197
RN 2020/78
FJR 2020/49.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.259.562

(zaaknummer rechtbank Gelderland NL18.9162)

arrest van 19 mei 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] , verblijvende in [B] ,

appellant,

in eerste aanleg: verweerder,

hierna: de man,

advocaat: mr. K.T.B. Salomons,

tegen:

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [C] ,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [D] ,

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [E] ,

4. [geïntimeerde4] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: de erfgenamen,

advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks,

en

5 mr. Jan Smit,

in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de ontbonden huwelijksgemeenschap van [erflaatster] en de man,

kantoorhoudende te Wageningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: verweerder,

hierna: de vereffenaar,

advocaat: mr. M. van Hunnik.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 6 februari 2019 van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 1 mei 2019;

- de herstelexploten van 8 mei 2019;

- de oproepingsexploten op voet van artikel 126 Rv;

- de memorie van grieven (met productie);

- de memorie van antwoord van de erfgenamen (met productie);

- de memorie van antwoord van de vereffenaar (met productie).

2.2

Partijen hebben de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. Het hof heeft arrest bepaald op 19 mei 2020.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Op 13 mei 2012 is [erflaatster] (hierna: erflaatster) overleden. Zij was in de wettelijke gemeenschap van goederen getrouwd met de man. Zij heeft in haar testament van 9 april 2010 de man tot haar enige erfgenaam benoemd. De man is onwaardig om te erven, doordat hij onherroepelijk is veroordeeld voor moord op erflaatster (uitspraak HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3197). In de strafprocedure is bewezen verklaard dat de man opzettelijk en met voorbedachten rade erflaatster van het leven heeft beroofd door haar te vergiftigen door (natrium)azide in haar voeding en drank te doen. De erfstelling van de man heeft vanwege de onwaardigheid geen effect, dat wil zeggen dat hij geen erfgenaam kan zijn. Voor dat geval heeft erflaatster in haar testament haar broer (geïntimeerde 1), haar zus (geïntimeerde 2) en de kinderen van haar vroegere partner (geïntimeerde 3 en 4) tot haar erfgenamen benoemd, ieder voor een/vierde deel. De erfgenamen hebben haar nalatenschap beneficiair aanvaard. De rechtbank heeft mr. Jan Smit, notaris in Wageningen, benoemd tot vereffenaar van de ontbonden huwelijksgemeenschap van erflaatster en de man en van de nalatenschap van erflaatster. De man en de erfgenamen zijn samen gerechtigd tot de ontbonden huwelijksgemeenschap, de man voor de helft en de erfgenamen voor de andere helft (artikel 1:100 lid 1 BW). Tussen hen zijn geschillen gerezen over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

de procedure bij de rechtbank

3.2

De rechtbank heeft op vordering van de erfgenamen als eisers jegens de man en de vereffenaar:

  • -

    voor recht verklaard dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de man geen aanspraak heeft op de helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap;

  • -

    de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap aldus vastgesteld dat alle vermogensbestanddelen die zijn vermeld op de producties 10 en 11 bij de procesinleiding worden toegedeeld aan de erfgenamen onder de verplichting alle schulden van de ontbonden huwelijksgemeenschap voor hun rekening te nemen;

  • -

    bepaald dat deze verdeling niet leidt tot overbedeling van de erfgenamen;

  • -

    de man en de vereffenaar veroordeeld mee te werken aan de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling door het tekenen van de notariële akte van verdeling en levering overeenkomstig deze verdeling, waarin de voor het overige gebruikelijke verdelingsbepalingen staan;

  • -

    bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de man als hij na betekening van het vonnis weigert mee te werken aan deze veroordeling;

  • -

    de man veroordeeld in de proceskosten en deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

  • -

    bepaald dat de vereffenaar zijn eigen kosten draagt;

  • -

    het meer of anders gevorderde afgewezen.

het hoger beroep

3.3

De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld tegen de erfgenamen en tegen de vereffenaar. Hij wil dat het hof alsnog alle vorderingen van de erfgenamen afwijst. Hij heeft veertien redenen (hierna: grieven) genoemd waarom de beslissing van de rechtbank geen stand kan houden. De erfgenamen hebben de grieven van de man geordend en op een inzichtelijke wijze verdeeld in vier onderdelen:

I. Er zijn geen uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat de man geen aanspraak heeft op de helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

II. De wijze van verdeling moet anders worden gelast. De man moet de helft van het vermogen krijgen of in elk geval het vermogen in Marokko.

III. De vereffening is nog niet voltooid en dat staat in de weg aan de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

IV. De veroordeling van de man in de proceskosten is niet terecht.

Ook de vereffenaar heeft in de memorie van antwoord gereageerd op de grieven van de man.

ontvankelijkheid man in zijn hoger beroep tegen de vereffenaar

3.4

De man heeft zijn hoger beroep ook ingesteld jegens de vereffenaar, die in de rechtbankprocedure net als de man verweerder was. Volgens de in artikel 332 Rv besloten regel dient een procedure in een hogere instantie (hier het hof) plaats te vinden tussen de partijen uit de vorige instantie (hier de rechtbank). De vordering van de erfgenamen betreft echter een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het gaat om de gerechtigdheid tot en (medewerking aan) de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap. Het is noodzakelijk dat de beslissing daarover ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen, ook de vereffenaar, in dezelfde zin luidt. De man is dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de vereffenaar.

onderdeel I (aanspraak op de helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap)

3.5

De erfgenamen hebben in deze procedure gevorderd dat alle goederen van de ontbonden huwelijksgemeenschap aan hen worden toegedeeld onder de verplichting om alle schulden over te nemen. Zij vinden dat zij in dit geval bij overbedeling niet verplicht zijn aan de man (zijn aandeel in) de overwaarde te vergoeden. Zij gaan kennelijk ervan uit dat de man wel deelgenoot is in de ontbonden huwelijksgemeenschap. Anders zouden zij de rechter niet hebben gevraagd de wijze van verdeling te gelasten. Zij willen niet alleen dat de rechter de wijze van verdeling gelast, maar ook nog dat de rechter voor recht verklaard dat de man geen aanspraak heeft op de helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Daarmee bedoelen zij volgens het hof dat de man bij verdeling geen aanspraak kan maken op zijn aandeel in de (over)waarde, niet dat de man niet langer als deelgenoot (goederenrechtelijk) gerechtigd is tot de ontbonden huwelijksgemeenschap.

3.6

Op de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten is artikel 6:2 BW van overeenkomstige toepassing (artikel 3:166 lid 3 BW). Dat betekent dat deelgenoten verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid (lid 1). Dat betekent verder dat een regel die krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling tussen deelgenoten geldt niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (lid 2). Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW).

3.7

In deze zaak is gevorderd dat de rechter de wijze van verdeling gelast. De erfgenamen en de rechtbank spreken per abuis van de wijze van verdeling 'vaststellen'. Dat is een contaminatie van twee rechtsfiguren uit artikel 3:185 lid 1 BW met verschillende rechtsgevolgen:

  • -

    de vaststelling van de verdeling: de rechter verdeelt, de deelgenoten niet;

  • -

    het gelasten van de wijze van verdeling: de deelgenoten verdelen zelf, maar wel op de wijze die de rechter gelast; de rechter verdeelt niet zelf, maar geeft de regels voor de verdeling.

Dat het hier gaat om het gelasten van de wijze van verdeling blijkt uit het vervolg van de vordering van de erfgenamen. Zij vorderen immers ook dat de man wordt veroordeeld mee te werken aan de verdeling en levering. Dat zou niet nodig geweest zijn als de rechter zelf de verdeling had vastgesteld.

3.8

De rechter die de wijze van de verdeling gelast kan daarbij de regel dat deelgenoten die worden overbedeeld aan de andere deelgenoot (diens aandeel in) de overwaarde moet vergoeden buiten toepassing laten, voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Of daarvoor altijd zeer uitzonderlijke of zeer bijzondere omstandigheden nodig zijn kan in het midden blijven, mits maar is voldaan aan de hiervoor bedoelde regels in artikel 6:2 lid 2 BW en 3:12 BW.

3.9

De kernvraag is of het in dit geval (‘in de gegeven omstandigheden’) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man bij verdeling aanspraak kan maken op (zijn aandeel in) de overwaarde. De erfgenamen beroepen zich hierop. Zij dragen de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit dit kan worden afgeleid. In hun procesinleiding voor de rechtbank hebben zij onder 2 de relevante feiten opgesomd en daarop een toelichting gegeven. Zij hebben die opsomming en toelichting onderbouwd met stukken uit het dossier in de strafzaak tegen de man, zoals getuigenverklaringen en het proces-verbaal van bevindingen van het Bureau Financiële Recherche. Verder verwijzen zij naar de uitspraken van de rechtbank en in het bijzonder het hof (hof Arnhem-Leeuwarden 2 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8772) in de strafzaak tegen de man. Die uitspraak van het hof is op tegenspraak gewezen is in kracht van gewijsde gegaan en levert ook in deze civielrechtelijke zaak dwingend bewijs op van het feit dat de man met voorbedachten rade opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg in de periode oktober 2011 tot en met 13 mei 2012 erflaatster van het leven heeft beroofd door haar te vergiftigen door (natrium)azide in haar voeding en drank te doen en hij wist dat erflaatster deze voeding en drank tot zich zou nemen (artikel 161 Rv). De man heeft in deze civiele procedure wel naar voren gebracht dat hij weet dat hij erflaatster niet heeft omgebracht en radeloos is omdat hij ten onrechte is veroordeeld. Hij heeft echter ook gezegd dat het hem niet zinvol lijkt om zijn versie van het verhaal weer te geven en dat hij het niet opportuun acht tegenbewijs te leveren. Dat betekent dat de man de schets die de erfgenamen geven van de relevante feiten niet gemotiveerd betwist en geen tegenbewijs wil leveren. Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van de feiten die de erfgenamen stellen. Het hof gaat ook uit van juistheid van wat het hof in de strafzaak heeft overwogen en beslist, nu de man tegen de dwingende bewijskracht van die uitspraak geen tegenbewijs wil leveren. In de onderdelen 3.9. - 3.20 hierna zijn de feiten die relevant zijn voor de kernvraag weergegeven, waarbij in de onderdelen 3.17 - 3.20 de inhoud van de uitspraak van het hof in de strafzaak is opgenomen.

3.10

De man is geboren [in] 1958 in Marokko. Hij verblijft sinds 2003 in Nederland. en heeft de Nederlandse nationaliteit. Het huwelijk met erflaatster was zijn derde huwelijk. Hij is van januari 1991 tot 8 april 2008 gehuwd geweest met zijn tweede echtgenote en heeft samen met haar drie kinderen. Hij is daarvoor nog getrouwd geweest met een andere vrouw. Erflaatster is geboren [in] 1953 en heeft langdurig samengewoond met een vriend. Op een gegeven moment, in elk geval voordat zij de man ontmoette, is die relatie beëindigd. Met de twee kinderen van die vriend (geïntimeerden 3 en 4) heeft zij altijd een goed contact gehad en gehouden.

3.11

De man en erflaatster hebben elkaar midden 2006 voor het eerst ontmoet in de boekwinkel van erflaatster in [A] . Op 1 februari 2007 is de man bij erflaatster ingetrokken. Zij hebben op 24 augustus 2007 een samenlevingscontract gemaakt. In de notariële akte staat vermeld dat beiden, erflaatster en de man, ongehuwd zijn. Dat is niet juist, omdat de man op dat moment nog gehuwd was met zijn tweede echtgenote. De man heeft erflaatster en de notaris niet verteld dat hij nog gehuwd was op het moment dat hij ging samenwonen met erflaatster en nog steeds gehuwd was op het moment dat zij het samenlevingscontract maakten. De man heeft haar in strijd met de waarheid wel verteld dat hij al gescheiden was en dat zijn ex-vrouw in een woning in Marokko woonde en dat hij voor erflaatster beschikbaar zou zijn als de hypotheekschuld voor die woning zou zijn afbetaald.

3.12

Op 24 oktober 2008 zijn erflaatster en de man getrouwd zonder huwelijkse voorwaarden te maken. [F] , die als getuige is gehoord door de politie, heeft daarover verklaard:

“Ik ben eens bij een gesprek geweest tussen (erflaatster) en (de man). (…) Het gesprek ging over het huwelijk en op welke manier er dan gehuwd zou moeten worden. Het voorstel van (de man) was om in gemeenschap van goederen te trouwen. (Erflaatster) wilde onder huwelijkse voorwaarden (te) trouwen. Dit is een normale gang van zaken wanneer er een zakelijk belang is. (De man) wilde dat niet, hij wilde alleen maar in gemeenschap van goederen trouwen. (De man) was helemaal in tranen. Hij vond dat het puur een kwestie was van vertrouwen en dat hij haar vertrouwen nooit zou beschamen. (…) Uit eindelijk heeft (erflaatster) ingestemd met een huwelijk in gemeenschap van goederen.”

3.13

Het vermogen van erflaatster op het moment dat zij de man ontmoette bestond uit:

  • -

    een woning in [A] met een overwaarde van ongeveer € 200.000;

  • -

    de aandelen in een besloten vennootschap (holding), die alle aandelen hield in een andere besloten vennootschap (werkmaatschappij). In deze laatste B.V. exploiteerde erflaatster haar boekhandel. Erflaatster heeft de boekhandel op 17 januari 2008 verkocht voor € 325.000. Tot de activa van de holding behoort het winkelpand in [A] . Dit pand is verhuurd aan de nieuwe eigenaar van de boekwinkel tegen een huurprijs die in 2012 € 8.563 (inclusief omzetbelasting) bedroeg. De overwaarde van dit pand bedroeg in 2007 ruim € 650.000 en in 2012 € 940.000. In 2009 is door de holding een netto bedrag aan dividend uitgekeerd aan erflaatster van € 357.000 en in 2010 € 47.600;

  • -

    spaargeld van ongeveer € 30.000.

Vanaf 2008 ontving erflaatster loon uit de holding van € 20.000 per jaar en een lijfrente-uitkering van eveneens € 20.000 per jaar.

3.14

De man ontving al vele jaren een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UVW, die in 2011 € 18.517 per jaar bedroeg. De waarde van zijn bezittingen in box 3 was volgens zijn aangifte Inkomstenbelasting op 1 januari 2007 € 37.933 en op 31 mei 2012 € 6.386. In de aangifte zijn geen schulden vermeld. Er zijn wel getuigen die verklaard hebben over vermogen van de man in Marokko (onroerende zaken), maar er is geen verdere bruikbare informatie voorhanden om de samenstelling van het vermogen van de man vast te stellen. Met de erfgenamen moet het hof er in deze zaak dan ook van uitgaan dat zijn vermogen verwaarloosbaar was. De man heeft dat ook niet betwist of aangeboden nadere informatie te (willen) geven.

3.15

Erflaatster heeft op 11 juli 2007 haar testament uit 2004, waarin zij haar broer en zus tot haar erfgenamen had benoemd, gewijzigd en met instandhouding van de erfstelling van haar broer en zus aan de man legaten van haar woonhuis en inboedel gemaakt. Vervolgens heeft zij haar testament nogmaals gewijzigd op 29 april 2008 (instandhouding erfstelling broer en zus en legaten van woning, inboedel en aandelen in de holding aan de man), op 21 april 2009 (benoeming van de man tot enig erfgenaam met legaten aan geïntimeerden) en op 9 april 2010 (benoeming van de man tot enig erfgenaam met herroeping van de legaten aan geïntimeerden).

3.16

De man heeft na het sluiten van de samenlevingsovereenkomst aan erflaatster gevraagd hem geldbedragen te geven. Tussen 7 september 2007 en 9 mei 2012 heeft de man een totaalbedrag van € 318.393 vanaf verschillende en/of bankrekeningen opgenomen. Hij heeft erflaatster voorgelogen over de bestemming van die geldbedragen. Zo heeft hij haar verteld dat hij dat geld nodig had om schulden in Marokko af te lossen, dat hij zijn tweede echtgenote moest afkopen en tandartskosten in Frankrijk moest betalen. Niets van dit alles is waar. Van het door de man opgenomen geld is na de moord op erflaatster € 150.000 teruggevonden, verstopt op zolder van een vriendin van de man die hem ook het natriumazide heeft verschaft waarmee de man erflaatster heeft vergiftigd. Die vriendin dacht dat de man het gif nodig had om een muizenplaag in Marokko te bestrijden. De rest van het geld is overgemaakt naar bankrekeningen van de man in Marokko en gebruikt voor de aankoop van een appartement in Marokko voor € 90.000.

3.17

Uit de getuigenverklaringen bij de politie blijkt dat de man ook tijdens de samenwoning en het huwelijk met erflaatster vriendinnen had en van die vriendinnen geld kreeg. De tweede echtgenote van de man heeft als getuige in de strafzaak verklaard dat de man telkens weer vrouwen aansprak om met hen iets leuks op te bouwen met het doel hen vervolgens geld af te troggelen en dat hij ook haar heeft voorgelogen en financieel heeft gedupeerd.

3.18

Gedurende het huwelijk verbleef de man bijna de helft van de tijd in Marokko zonder dat erflaatster wist wat hij daar deed.

3.19

De gang van zaken rond de moord op erflaatster volgt uit de uitspraak van het hof in de strafzaak. Het hof stelt in de strafzaak op grond van de rapporten van een patholoog en een apotheker en de contra-expertiserapportage van een toxicoloog en een forensisch medisch specialist eerst vast dat erflaatster op 13 mei 2012 is overleden aan de gevolgen van een chronische vergiftiging met natriumazide.

3.20

Het hof stelt vervolgens de vraag hoe de natriumazide in het lichaam van erflaatster is terecht gekomen. Hieronder is een deel van de overwegingen van het hof in de strafzaak opgenomen die een goed beeld geven van wat er is gebeurd.

“Notitieboek en e-mail

Mevrouw [slachtoffer] heeft vanaf eind oktober 2011 tot en met 9 april 2012 in een notitieboek bijgehouden welke klachten zij had en op welke momenten die zich voordeden. In dit notitieboek staat dat haar klachten zich alleen voordeden wanneer zij alleen thuis was en altijd tijdens het eten. Ook heeft mevrouw [slachtoffer] in dit notitieboek vermeld dat het eten een metaalsmaak had en prikte op haar tong. Andere door haar beschreven klachten en verschijnselen waren: wazig zien, zweten, verslapte (hand)spieren, trillende handen, benauwdheid, draaierig, koud, misselijk, moe, hoofdpijn.

Mevrouw [slachtoffer] heeft in een e-mailbericht van 4 mei 2012 aan familie en vrienden bericht dat zij op 13 maart (het hof begrijpt: 2012) is opgenomen in [G] in [H] . Zij heeft geschreven dat de klachten eind oktober (het hof begrijpt: 2011) waren begonnen met draaiduizelingen ten gevolge van lage bloeddruk en dat zij in korte tijd er van alles bij kreeg: gevoelloosheid in handen, voeten en benen, afname van kracht tot verlamming aan toe. Uiteindelijk kon zij bijna niet meer lopen en had ze veel last van zenuwpijn, aldus mevrouw [slachtoffer].

Huisarts, neuroloog en [G]

Volgens de huisarts, [huisarts] , kreeg mevrouw [slachtoffer] in oktober 2011 last van duizeligheid en vanaf 2012 last van polyneuropathie aan handen en onderste extremiteiten.

Neuroloog [neuroloog] heeft aangegeven dat mevrouw [slachtoffer] van 9 februari tot en met 13 maart 2012 was opgenomen in het Ziekenhuis Gelderse Vallei vanwege gevoelsstoornissen (krachtverlies) in de voeten.

Op 13 maart 2012 werd mevrouw [slachtoffer] opgenomen in het [G] te [H] . Volgens [revalidatiearts] , revalidatiearts, die daar werkzaam was, waren de belangrijkste klachten van mevrouw [slachtoffer] bij de opname: neuropatische pijn in handen en benen, sensibiliteitsuitval, een verminderde belastbaarheid, problemen met balans, lopen en fijnmotorische vaardigheden, parese van armen en benen. In april 2012 ontstonden er duizeligheidsklachten met misselijkheid die in aanvallen leken te komen en spontaan weer herstelden.

[revalidatiearts] heeft aangegeven dat mevrouw [slachtoffer] in de weekenden met verlof naar huis ging. Meestal was haar echtgenoot dan thuis. Op (onder meer) de volgende momenten had mevrouw [slachtoffer] verlof:

- 8 april vanaf het middaguur tot en met 10 april na het huisbezoek;

- 13 tot en met 15 april;

- 21 april rond 16.00 uur tot en met 22 april in de avond;

- 27 april na het diner tot en met 30 april in de middag;

- nadien elk weekend twee nachten naar huis, van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zondagavond 21.00 uur.

De aanvallen van duizeligheid traden (onder meer) op de volgende momenten op:

- dinsdag 10 april ’s avonds;

- maandag 16 april overdag;

- weekend 21/22 april;

- maandag 30 april;

- maandag 7 mei ’s ochtends.

Het hof stelt vast dat de klachten zich telkens voordeden (kort) nadat mevrouw [slachtoffer] thuis was geweest.

Beerenburg en knäckebröd

De zuster van mevrouw [slachtoffer] , mevrouw [zus van slachtoffer] heeft verklaard dat zij vaak met haar zus een glas Beerenburg dronk. [zus van slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 6 januari 2012 op bezoek was bij mevrouw [slachtoffer] en dat mevrouw [slachtoffer] toen een borrelglas Beerenburg voor haar had ingeschonken vanuit een reeds aangebroken fles. Volgens [zus van slachtoffer] had zij een nipje genomen waarna zij zich ontzettend duizelig voelde, heel koud werd en begon te trillen en veel pijn had. Ze kon niet zelfstandig opstaan. [zus van slachtoffer] heeft verder verklaard dat mevrouw [slachtoffer] toen zei dat het leek alsof ze zichzelf zag omdat zij dit ook altijd had.

De dochter van [zus van slachtoffer] , mevrouw [nicht van slachtoffer] , was op dat moment aanwezig en zij heeft bevestigd dat haar moeder na het drinken van een klein slokje Beerenburg meteen niet goed werd.

De fles Beerenburg is op 15 mei 2012 door de politie in beslag genomen en op 21 mei 2012 door de politie aan het NFI overgedragen. Het NFI heeft de inhoud van de fles onderzocht en de vloeistof die in de fles zat, bleek natriumazide te bevatten.

De huishoudelijke hulp van mevrouw [slachtoffer] , mevrouw [huishoudelijke hulp], heeft verklaard dat zij op 15 maart 2012 in de woning van verdachte en mevrouw [slachtoffer] een knäckebröd had gegeten dat zij daar in een bewaardoosje in de keukenla had gevonden. Zij proefde dadelijk dat het anders smaakte dan normaal. Zij begon zich tijdens het eten duizelig te voelen, zij begon heel erg te zweten, haar hart begon hevig te bonzen en ze had bijna geen gevoel meer vanaf haar ellebogen naar haar handen en vanaf haar knieën naar haar voeten. Zij is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht en heeft daar een nacht ter observatie doorgebracht.

Deze verklaring wordt gedeeltelijk ondersteund door de verklaring van de buurvrouw van mevrouw [slachtoffer] , mevrouw [buurvrouw] , die heeft verklaard dat zij op een donderdagochtend 112 had gebeld nadat de hulp van mevrouw [slachtoffer] op haar voordeur had gebonsd, vervolgens ineen zeeg, dreigde flauw te vallen en zei dat ze niets meer kon zien. De bloeddruk van mevrouw [buurvrouw] bleek extreem laag.

Mevrouw [getuige]

Bij de eerste doorzoeking in de woning van mevrouw [slachtoffer] en verdachte in [A] werd een vliegticket voor 25 mei 2012 op naam van verdachte aangetroffen met als adres [adres] te [plaats] . De bewoonster van de woning met dit adres bleek mevrouw [getuige] te zijn. In de woning werden door de politie tassen aangetroffen met daarin informatiestukken over natriumazide. In die stukken staat onder meer dat natriumazide “zeer giftig bij inname mond” is en dat “kleine hoeveelheden fataal (kunnen) zijn in korte tijd”.

Mevrouw [getuige] is door de politie, de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris als getuige gehoord. Zij is ook als verdachte gehoord. Zij heeft - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.

In de ten laste gelegde periode werkte zij als analist in het Universitair Medisch Centrum St Radboud. Zij kende verdachte al jaren en had in de loop der jaren regelmatig contact met hem gehad. Verdachte had een sleutel van haar woning en bewaarde daar spullen van zichzelf. De aangetroffen stukken over natriumazide hadden betrekking op informatie die zij naar aanleiding van een verzoek van verdachte op internet had gevonden. Verdachte had haar verteld dat hij op zijn bedrijf in Marokko last had van ongedierte en muizen en hij vroeg haar om een vloeibaar middel waarmee de muizen snel gedood konden worden. [getuige] heeft in het najaar van 2011 azide uit het ziekenhuis meegenomen en aan verdachte gegeven. Na die keer vertelde verdachte haar dat het niet goed had gewerkt en dat hij iets sterkers moest hebben. Vervolgens heeft [getuige] in mei 2012 nogmaals azide uit het ziekenhuis meegenomen en dit op 11 mei 2012 aan verdachte gegeven. Zij heeft op verzoek van verdachte een sterkere hoeveelheid gegeven omdat naar zijn zeggen het eerder gegeven spul niet goed had gewerkt.

Motief

Verdachte heeft mevrouw [slachtoffer] in augustus 2006 in haar boekwinkel leren kennen. Vrij kort daarna is hij bij haar gaan wonen en op 24 oktober 2008 zijn zij in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Verdachte drong er op aan dat dit huwelijk in gemeenschap van goederen zou zijn. Mevrouw [slachtoffer] heeft bij testament van 29 april 2008 aan verdachte haar woonhuis, haar aandelen in de besloten vennootschap “ [naam BV] ” en het bedrijfspand gelegateerd. Bij testament van 29 april 2009 heeft zij verdachte benoemd tot haar enige en algehele erfgenaam, met legaten aan haar broer, zus en de kinderen van haar ex-partner. Bij testament van 9 april 2010 heeft mevrouw [slachtoffer] verdachte benoemd tot haar enige en algehele erfgenaam. Verdachte had dus een financieel belang bij het overlijden van mevrouw [slachtoffer]. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen anderen naar voren gekomen die belang bij haar dood hadden.

Conclusie

Onder het kopje “doodsoorzaak” is reeds vastgesteld dat mevrouw [slachtoffer] op 13 mei 2012 is overleden aan de gevolgen van een chronische vergiftiging met natriumazide.

Op grond van het voorgaande stelt het hof voorts het volgende vast:

  • -

    verdachte kreeg in oktober 2011 en op 11 mei 2012 de beschikking over een hoeveelheid natriumazide, een gif dat maar zeer beperkt verkrijgbaar is;

  • -

    nadat verdachte in oktober 2011 de beschikking kreeg over de natriumazide werd mevrouw [slachtoffer] ziek;

  • -

    op 11 mei 2012 kreeg verdachte de beschikking over een tweede hoeveelheid natriumazide, kort daarna verslechterde de gezondheidstoestand van mevrouw [slachtoffer] sterk en op 13 mei 2012 is zij overleden;

  • -

    verdachte was als geen ander in de gelegenheid om mevrouw [slachtoffer] de natriumazide toe te dienen.

Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat buiten redelijke twijfel vast is komen te staan dat het verdachte is geweest die opzettelijk mevrouw [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door op tijdstippen in de periode van oktober 2011 tot en met 13 mei 2012 natriumazide aan voeding en/of drank toe te voegen, waarvan verdachte wist dat mevrouw [slachtoffer] deze tot zich zou nemen.

Met betrekking tot de ‘voorbedachte raad’ overweegt het hof dat op grond van het bovenstaande vast is komen te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op de door hem te nemen besluiten - te weten: om natriumazide aan de voeding en/of de drank toe te voegen - en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijk gemoedsopwelling, zodat verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Van contra-indicaties dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld, is niet gebleken. Het hof zal derhalve de primair ten laste gelegde moord bewezen verklaren.

Het hof overweegt ten slotte nog dat de stelling van verdachte dat er sprake is van een complot en dat de familie van mevrouw [slachtoffer] en/of het openbaar ministerie getuigen en deskundigen zou hebben beïnvloed om onjuist en belastend over hem te verklaren of te rapporteren, op geen enkele wijze aannemelijk is geworden. Verdachtes stelling dat mevrouw [getuige] zo belastend over hem heeft verklaard omdat zij bang is voor de politie acht het hof evenmin aannemelijk.”

3.21

Het hof oordeelt dat gelet op de ernst van het ten laste gelegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaren passend en geboden is. Bij de straftoemeting neemt het hof het volgende in aanmerking:

“Verdachte heeft op enig moment en in ieder geval in het najaar van 2011, het plan opgevat om zijn echtgenote, mevrouw [slachtoffer], van het leven te beroven. Hij heeft een vriendin onder valse voorwendselen (hij zou een muizenplaag in Marokko willen bestrijden) zo ver gekregen dat zij het gif natriumazide van haar werk meenam voor verdachte. Met dit gif heeft verdachte eten en/of drank in zijn huis bewerkt, waarvan hij wist dat zijn echtgenote dit/deze zou nuttigen. Hierdoor is mevrouw [slachtoffer] ernstig ziek geworden. Vervolgens is hij nogmaals via dezelfde vriendin aan een hoeveelheid natriumazide gekomen. Ook met dat gif heeft hij eten en/of drinken van mevrouw [slachtoffer] bewerkt. Als gevolg van deze vergiftiging is mevrouw [slachtoffer] op 13 mei 2012 overleden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gruwelijke moord op zijn echtgenote. Aan het overlijden van het slachtoffer is een ware lijdensweg voorafgegaan.

Uit de aantekeningen van mevrouw [slachtoffer] in haar notitieboekje en haar e-mailbericht van 4 mei 2012 aan familie en vrienden blijkt hoezeer zij heeft geleden onder haar “ziekte”. Zij heeft maandenlang pijn geleden en in onzekerheid verkeerd over haar herstel.

Moord behoort tot de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. Een straf van zeer lange duur is hier eens te meer op zijn plaats omdat het slachtoffer erg heeft geleden in de maanden dat zij vergiftigd werd. Van dit lijden is verdachte getuige geweest maar dit heeft hem niet weerhouden op de door hem ingeslagen weg voort te gaan.

Uit onder meer de slachtofferverklaringen van de zuster en de broer van mevrouw [slachtoffer] blijkt dat door de moord de naaste familie onnoemelijk veel en onherstelbaar leed is toegebracht. Ook de vrienden van mevrouw [slachtoffer] is veel leed toegebracht. Ten slotte is ook de rechtsorde ernstig geschokt door het onderhavige feit.

In het nadeel van verdachte houdt het hof er voorts rekening mee dat verdachte op geen enkel moment berouw van zijn daad heeft getoond. Zijn houding stond uitsluitend in het teken van het vermeende onrecht dat hem door justitie en de familie van mevrouw [slachtoffer] zou zijn aangedaan.

Verdachte heeft geen rechtens relevante justitiële documentatie.

Uit de over verdachte opgemaakte rapportages blijkt dat verdachte persoonlijkheidseigenschappen heeft die kunnen worden samengevat als egoïstisch, ongevoelig en zonder wroeging gebruik maken van anderen. Er zijn sterke aanwijzingen dat verdachte een parasitaire levensstijl heeft. De psycholoog en de psychiater van het PBC zijn in 2013 tot de conclusie gekomen dat bij verdachte geen sprake is van een geestesstoornis en dat er geen uitspraak kan worden gedaan over het al dan niet aanwezig zijn van een gebrekkige ontwikkeling. In 2016 hebben beide deskundigen aanvullend gerapporteerd over verdachte en zijn zij bij hun eerder getrokken conclusies gebleven. Gelet op deze conclusies houdt het hof verdachte ten volle verantwoordelijk voor het door hem gepleegde feit.”

3.22

Het hof oordeelt dat het in de hiervoor (weer)gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man bij verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap aanspraak kan maken op (zijn aandeel in) de overwaarde.

3.23

De gedragingen van de man in onderlinge samenhang bezien en beoordeeld – kort gezegd: het doorzetten van zijn wil met erflaatster te trouwen in gemeenschap van goederen, het wegsluizen en verstoppen van grote geldbedragen van erflaatster en de langdurige vergiftiging van en de moord op erflaatster – hebben ertoe geleid dat erflaatster na een vreselijke en pijnlijke lijdensweg ten gevolge van de vergiftiging niet meer leeft en dat de man haar vermogen heeft willen krijgen en gekregen, aanvankelijk haar gehele vermogen door boedelmenging (de wettelijke gemeenschap van het huwelijk) en erfopvolging (het laatste testament) en, nadat de veroordeling wegens moord op erflaatster onherroepelijk was geworden, door boedelmenging in elk geval toch nog de helft van haar vermogen. Erflaatster had immers een aanzienlijk vermogen terwijl het vermogen van de man verwaarloosbaar was toen hij met haar huwde. Erflaatster had verder inkomsten uit arbeid/uitkeringen die meer dan het dubbele bedroegen van die van de man. Dat betekent dat de man door de boedelmenging in dit geval per saldo is bevoordeeld en ook de enige is die profijt heeft gehad van de boedelmenging. Erflaatster heeft door de boedelmenging geen enkel voordeel gehad. Het hof is van oordeel, mede gezien de overwegingen van het hof in de strafzaak, dat de man van meet af aan uit is geweest op het vermogen van erflaatster en dat al zijn gedragingen in het teken van dat streven hebben gestaan en louter op zijn eigen financieel gewin waren gericht.

3.24

De man is niet langer erfgenaam van erflaatster doordat hij onwaardig is in de zin van artikel 4:3 BW. Aan die regel ligt een algemeen rechtsbeginsel ten grondslag dat degene die opzettelijk de dood van een ander veroorzaakt daarvan geen voordeel behoort te hebben, ook wel uitgedrukt in de rechtsspreuk: de bloedige hand erf niet. Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht kent niet de wettelijke regel dat de echtgenoot die opzettelijk de dood van de andere echtgenoot heeft veroorzaakt zonder meer geen voordeel hoort te hebben van boedelmenging. Toch is het hof van oordeel dat de man in dit geval op grond van ditzelfde rechtsbeginsel (vgl. art. 3:12 BW) geen voordeel behoort te hebben uit de boedelmenging, omdat dit ook naar (civiele) maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.1 Uiteindelijk incasseert hij net als het erfrechtelijke voordeel ook dat voordeel (uit de boedelmenging) door erflaatster te vermoorden. Ook ten aanzien van het voordeel uit boedelmenging heeft te gelden dat dit voortvloeit uit de moord op erflaatster. Door erflaatster te vermoorden krijgt de man de helft van haar vermogen. Zou hij dat niet hebben gedaan dan had erflaatster het bestuur gehouden over het gehele vermogen van de huwelijksgemeenschap en had zij daarover zelf kunnen beschikken op de wijze die haar zou goeddunken, met inachtneming van de regels van het huwelijksvermogensrecht. Natuurlijk is het zo dat de man dit voordeel ook had kunnen verzilveren door echtscheiding te verzoeken. In dat geval zou hij recht hebben gehad op de helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Een vergelijking van deze fictieve situatie met wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan gaat echter mank, omdat het een zeer wezenlijk verschil is of een huwelijk eindigt door echtscheiding of doordat de ene echtgenoot de andere vermoordt.

3.25

Het hof houdt bij zijn oordeel niet alleen rekening met het genoemde algemene rechtsbeginsel, maar ook met de persoonlijke belangen van de man en de erflaatster en haar erfgenamen. Het persoonlijke belang van de man in deze zaak kan niet anders zijn dan het verkrijgen van het vermogen van erflaatster. Hij is daarbij zo ver gegaan dat hij alle persoonlijke belangen van erflaatster en haar leven daaraan ondergeschikt heeft gemaakt. De man was erflaatster hulp, getrouwheid en bijstand verschuldigd (artikel 1:81 BW), maar heeft die niet gegeven. Terwijl zij door zijn toedoen ernstig ziek was, verbleef hij langere tijd in Marokko in plaats van haar te verzorgen. Hij heeft haar ziek gemaakt door haar te vergiftigen met natriumazide, haar willens en wetens gedurende langere tijd laten lijden aan de verschrikkelijke gevolgen van die vergiftiging en heeft uiteindelijk haar bestaan geheel uitgewist door haar op gruwelijke wijze te vermoorden. Een grotere schending van de persoonlijke belangen van erflaatster en van zijn huwelijkse plichten hulp, getrouwheid en bijstand te geven is niet denkbaar. Het hof is van oordeel dat deze persoonlijke belangen van erflaatster identiek zijn aan de persoonlijke belangen van haar erfgenamen die haar persoon in vermogensrechtelijke zin als het ware voortzetten en in haar plaats zijn gerechtigd in de ontbonden huwelijksgemeenschap.

onderdeel II (wijze van verdeling)

3.26

De erfgenamen hebben in hoger beroep hun eis verminderd. Zij zijn bereid vanuit praktische overwegingen en omdat zij “het boek” willen sluiten als wijze van verdeling te accepteren dat het vermogen in Marokko (goederen en schulden) aan de man wordt toegedeeld, ook als dat vermogen oorspronkelijk afkomstig zou zijn van erflaatster, en het vermogen in Nederland, zoals dat is gespecificeerd op de producties 10 en 11 bij de procesinleiding, aan hen wordt toegedeeld zonder dat deze wijze van verdeling leidt tot overbedeling van de erfgenamen (onderdeel 4.3 memorie van antwoord). Wat de erfgenamen betreft slagen de grieven van de man voor zover het gaat om de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het Marokkaanse vermogen. Het hof zal hen daarin volgen. Dat betekent dat het hof de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap zal gelasten en zal bepalen dat de deelgenoten het vermogen in Nederland zullen toedelen aan de erfgenamen en het vermogen in Marokko aan de man en dat geen van de deelgenoten verplicht is tot enige vergoeding van de overwaarde.

onderdeel III (verdeling en vereffening)

3.27

De vraag die nu rijst is of de rechter deze wijze van verdeling nu al kan gelasten. De vereffening van de ontbonden huwelijksgemeenschap is immers nog niet voltooid. De regel is dat de verdelingsrechter, zolang de vereffening niet is voltooid, in overleg met partijen moet onderzoeken of er mogelijkheden zijn om toch te verdelen op een wijze die ook voldoende rekening houdt met de belangen van de schuldeisers van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Daarbij kan gedacht worden aan het aanhouden van de zaak totdat alsnog vereffening heeft plaatsgevonden, aan een verdeling onder voorwaarden die de positie van schuldeisers waarborgt of aan een gedeeltelijke verdeling die de rechten van schuldeisers onverlet laat.2

3.28

Het hof zal - mede vanwege de maatregelen voor de coronacrisis - met het oog op een spoedige voortgang van deze zaak partijen vragen zich schriftelijk uit te laten over de vraag welke mogelijkheden zij zien ondanks de vereffening toch te verdelen. Daarvoor is ook van belang dat zij het hof inzicht geven in de schulden en schuldeisers van de ontbonden huwelijksgemeenschap en in de voortgang van de vereffening. Het hof heeft een aantal belangrijke geschilpunten beslist. Het hof vraagt partijen dan ook te onderzoeken of zij en de vereffenaar zelf afspraken kunnen maken over de verdere afwikkeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

3.29

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van 16 juni 2020 voor schriftelijke uitlating bij akte door elk van partijen als bedoeld in 3.28 waarna partijen ieder de gelegenheid zullen krijgen op de rol van 30 juni 2020 een antwoordakte te nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en R. Prakke-Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2020.

1 HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071.

2 HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:939