Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3896

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-05-2020
Datum publicatie
21-05-2020
Zaaknummer
200.083.270/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Arrest na deskundigenbericht. Schade door fout advies accountant over nieuwe reiskostenregeling personeel aannemer. De deskundige heeft niet kunnen vaststellen of de aannemer ook voordeel heeft gehad van het advies (in de vorm van een lagere reiskosten). Het hof gelast een comparitie van partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.083.270/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 100905)

arrest van 19 mei 2020

in de zaak van

Miedema Accountants B.V.,

gevestigd te Sneek,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Miedema,

advocaat: mr. P.H. Bossema-de Greef, kantoorhoudend te Waalre,

tegen

Betsema Holding B.V.,

gevestigd te Balk,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Betsema,

advocaat: mr. R. Glas, kantoorhoudend te Leeuwarden.


Het hof neemt het tussenarrest van 13 december 2016 hier over.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de beschikkingen van 21 november 2017 en 12 februari 2019;

- het deskundigenrapport van 28 november 2019;
- de memorie na deskundigenbericht (met producties) van Miedema;
- de begrotingsbeschikking van 18 februari 2010;
- de antwoordmemorie na deskundigenbericht van Betsema.

1.2

Vervolgens heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

2 Waar gaat het (nog) om?

2.1

In deze schadestaatprocedure gaat het om de omvang van de schade die drie werkmaatschappijen van Betsema hebben geleden als gevolg van een door Miedema gemaakte fout. Deze fout betrof een advies van Miedema over de invoering van een nieuwe reiskostenregeling in 2007 voor chauffeurs en meerijders van door de medewerkers van het Betsema-concern gebruikte busjes. De regeling is in april 2008 beëindigd, nadat gebleken was dat, anders dan door Miedema was geadviseerd, over de door het Betsema-concern aan de chauffeurs en meerijders betaalde vergoedingen wel loonbelasting en premies verschuldigd waren, zodat de vergoedingen anders dan was verondersteld bij de invoering van de regeling, dus niet netto konden worden uitbetaald.
Na een met de belastingdienst gesloten compromis is aan het Betsema-concern in totaal
€ 346.249,- aan naheffingsaanslagen (inclusief boetes) opgelegd.
Betsema, aan wie de drie betrokken werkmaatschappijen hun vordering op Miedema hebben gecedeerd, heeft dit bedrag van Miedema gevorderd. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen, nadat de rechtbank in een eerdere procedure had bepaald dat Miedema aansprakelijk is voor de door Betsema geleden schade vanwege het genoemde advies en tegen dat vonnis geen appel was ingesteld.

2.2

In het tussenarrest van 25 juni 2013 heeft het hof het verweer van Miedema dat geen sprake is van causaal verband tussen de schade vanwege de naheffingsaanslagen en de fout van Miedema verworpen.
In dat tussenarrest heeft het hof een comparitie gelast om zich te laten informeren over het door Miedema gedane beroep op schending van schadebeperkingsplicht door Betsema.
Miedema heeft ook een beroep op voordeelsverrekening gedaan. Voor zover dat beroep was gebaseerd op de stelling dat de naheffingsaanslag heeft geleid tot een lagere winst (en dus lagere vennootschapsbelasting) heeft het hof verworpen. Voor zover dat beroep was
gebaseerd op de stelling dat de door Miedema geadviseerde regeling heeft geleid tot lagere lasten dan in de situatie dat de regeling niet zou zijn ingevoerd, heeft het hof overwogen dat een deskundigenbericht noodzakelijk is.

2.3

In het tussenarrest van 22 april 2014 heeft het hof het verzoek van Miedema om terug te komen op zijn beslissing over het causaal verband niet gehonoreerd.
Het hof heeft Miedema op het punt van de schadebeperkingsplicht een bewijsopdracht verstrekt.

2.4

Nadat getuigen waren gehoord, heeft het hof in het tussenarrest van 25 augustus 2015 geoordeeld dat Miedema er niet in was geslaagd het haar opgedragen bewijs te leveren. Het hof heeft het beroep op schending van de schadebeperkingsplicht om die reden afgewezen en partijen (nogmaals) in de gelegenheid gesteld vragen te formuleren met het oog op een deskundigenbericht over het (nog niet verworpen) beroep op voordeelsverrekening.

2.5

In het tussenarrest van 13 december 2016 heeft het hof [A] AA/RB (hierna: de deskundige) tot deskundige benoemd en hem de volgende vragen voorgelegd:
a. Heeft de invoering van de nieuwe reiskostenregeling in 2007 binnen het concern van Betsema tot een besparing op de totale kosten van de reiskostenregeling en/of tot een besparing op de personeelskosten geleid, in vergelijking met de situatie onder de oude reiskostenregeling?
b. Wilt u uw antwoord toelichten?
c. Indien uw antwoord bevestigend luidt, wilt u berekenen voor elk van de betrokken vennootschappen (Project Bouw B.V., JB Metselwerken B.V. en JB Timmerwerken B.V.) hoeveel de besparingen in 2007 en 2008 hebben bedragen?
d. Wilt u uw antwoord toelichten, door nauwkeurig uiteen te zetten welke uitgangspunten u hebt gehanteerd en hoe die uitgangspunten zijn toegepast in uw berekeningen? Wilt u ook de berekeningen bijvoegen?
e. Geeft het door u uitgevoerde onderzoek u aanleiding tot het maken van opmerkingen, die mogelijk van belang zijn voor de beslechting van het resterende geschilpunt, te weten of de door Miedema gemaakte fout ook tot voordeel heeft geleid bij Betsema?

2.6

Het gaat in dit arrest dus nog om de vraag of Miedema zich terecht heeft beroepen op voordeelsverrekening, daarin gelegen dat de geadviseerde en enige tijd toegepaste reiskostenregeling ook tot een besparing voor het Betsema concern heeft geleid.
Vaststaat dat Betsema € 346.249,- schade heeft geleden door de fout van Miedema, dat het beroep van Miedema op de schadebeperkingsplicht niet slaagt en dat een van de twee grondslagen van het door Miedema gedane beroep op voordeelsverrekening geen soelaas biedt. De vraag die resteert is of de overgebleven grondslag van het beroep op voordeelsverrekening wel voldoende deugdelijk is. In dat geval kan, indien en voor zover dat redelijk is, op de vordering van € 346.249,- de besparing, of een deel ervan, in mindering worden gebracht.

3 Het deskundigenrapport

3.1

De deskundige heeft in par. 1 van zijn rapport eerst de situatie geschetst. In dat verband heeft hij het volgende geschreven:
Binnen het Betsema-concern zijn, voor zover van belang voor het uit te brengen deskundigenrapport te onderscheiden: J.B. Metselwerken B.V.; J.B. Timmerwerken B.V. en Betsema Bouw B.V.

In 2007 is door het Betsema-concern een nieuwe reiskostenregeling geïntroduceerd. De advisering inzake deze nieuwe regeling geschiedde door, of namens Miedema Accountants B.V. Het Betsema - concern maakte voor het vervoer van medewerkers gebruik van personenbusjes. De nieuwe reiskostenregeling had zowel betrekking op chauffeurs als meerijders. De nieuwe reiskostenregeling heeft gegolden voor de periode 1 januari 2007 tot en met 20 april 2008. De nieuwe reiskostenregeling werd beëindigd, nadat er twijfel ontstond of de nieuwe reiskostenregeling wel in overeenstemming was met de, aan een dergelijke regeling gestelde fiscale voorwaarden. In verband met deze twijfel werd de heer [B] (destijds werkzaam bij Deloitte Belastingadviseurs B.V.) geconsulteerd. Na onderzoek bleek de heer [B] dat de reiskostenregeling niet in overeenstemming was met de fiscale regelingen. Hierop heeft de heer [B] als gemachtigde van het Betsema-concern contact gezocht met de Belastingdienst, teneinde een vrijwillige verbetering van de ingediende aangifte Loonbelasting/premieheffing over de periode waarop de nieuwe reiskostenregeling werd toegepast. Het overleg tussen de heer [B] en de Belastingdienst heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst op basis waarvan het Betsema-concern een bedrag van € 346.269 aan naheffingsaanslagen voldeed.”

3.2

Vervolgens heeft de deskundige, in par. 3.1, vier methoden beschreven waarmee een mogelijke besparing kan worden vastgesteld of benaderd:
De in 2007 ingevoerde nieuwe reiskostenregeling kent verschillende aspecten. Die aspecten hebben, wat betreft arbeidsvoorwaarden onder andere te maken met bestanddelen ter zake van brutoloon, werkgeverspremies maar ook met fiscaal onbelaste vergoedingen. Het Betsema-concern verricht een grote diversiteit aan werkzaamheden. Werkzaamheden die naar aard en omvang niet zondermeer vergelijkbaar zijn en waarbij externe factoren een rol kunnen

spelen.

Hierna worden, om diverse redenen, 4 mogelijke wijzen van berekening van de besparing

behandeld; te weten:
• Op basis van feitelijke omstandigheden 2007/2008 (3.1.1)
• Op basis van voorbeeldberekeningen (3.1.2)

• Op basis van perioden in de tijd (3.1.3)
• Op basis van naheffingsaanslagen (3.1.4)”.

3.3

De deskundige heeft de vier methoden toegepast en komt voor elk van de methoden tot de volgende conclusies:
(par. 3.1.1):
Het meest zuiver is een beoordeling op basis van de feitelijke omstandigheden zoals reistijd en reisafstanden in de periode 1 januari 2007 tot en met 20 april 2008. Op basis van deze feiten en omstandigheden zou een berekening op basis van de oude respectievelijk nieuwe reiskostenregeling inzicht kunnen geven in de totale lasten van het Betsema-concern. Noodzakelijk is over de periode 1 januari 2007 tot en met 20 april 2008 per betalingsperiode inzicht te hebben in tenminste:
• reistijden van chauffeurs en meerijders;

• reisafstanden;
• bezetting van vervoermiddelen waarmee wordt gereisd.

Vanwege meerdere wijzigingen van adviseur en het tijdsverloop was het onmogelijk een volledig inzicht te verkrijgen in deze gegevens. Een berekening van de besparing op basis van de feitelijke omstandigheden in de periode 1 januari 2007 tot en met 20 april 2008 is hierdoor niet op verantwoorde wijze mogelijk.
(par. 3.1.2):
Een alternatief voor het bepalen van het mogelijk voordeel van de nieuwe reiskostenregeling voor het Betsema-concern zou kunnen zijn om op basis van voorbeeldberekeningen het verschil in kosten van de oude en nieuwe reiskostenregeling vast te stellen. Ter ondersteuning van de stelling dat de nieuwe reiskostenregeling voor het Betsema-concern kostenneutraal was, overlegde het Betsema-concern een aantal voorbeeldberekeningen. In algemene zin is niet vast te stellen of deze voorbeeld berekeningen een zuiver beeld kunnen geven. De berekeningen zijn gebaseerd op uitgangspunten wat betreft reistijd en reisafstand. In objectieve zin is niet vast te stellen of deze uitgangspunten een weergave vormen van de feitelijke situatie in de periode 1 januari 2007 tot en met 20 april 2008. Een berekening van de besparing op basis van de overlegde voorbeeldberekening is niet zondermeer mogelijk, omdat niet vastgesteld kan worden dat de gehanteerde uitgangspunten overeenstemmen met de feitelijke omstandigheden inzake de reizen.”
(par. 3.1.3)
Een mogelijk ander alternatief voor het bepalen van het mogelijk voordeel zou kunnen zijn om de totale kosten van de reiskostenregelingen in de perioden tot en met 2006 en vanaf 21 april 2008 te vergelijken met de kosten van de reiskostenregeling in de periode 1 januari 2007 tot en met 20 april 2008. Noodzakelijk hiervoor is dat de te vergelijken perioden vergelijkbaar zijn. Aspecten die hierbij onder andere van invloed zijn:

• Marktomstandigheden en conjunctuur;
• De bouwlocaties van de bouwprojecten;

• De bezetting van de voertuigen waarmee naar de bouwprojecten werd gereisd, met name waar het gaat om de 'meerijders’;
• Aard, duur en omvang van de bouwprojecten.

Voornoemde aspecten beïnvloeden de reistijden en reisafstanden. Nu niet is vast te stellen of deze aspecten in de tijd vergelijkbaar zijn, ontvalt hiermee de mogelijkheid om een vergelijking te maken tussen de kosten van de reiskostenregeling zoals die gold vóór 1 januari 2007 of nó 20 april 2008 met de reiskostenregeling in de periode 1 januari 2007 tot en met 20 april 2008.”
(par. 3.1.4)
Een mogelijk ander alternatief voor het bepalen van het mogelijk voordeel zou kunnen zijn om de totale kosten van de reiskostenregelingen in de perioden tot en met 2006 en vanaf 21 april 2008 te vergelijken met de kosten van de reiskostenregeling in de periode 1 januari 2007 tot en met 20 april 2008. Noodzakelijk hiervoor is dat de te vergelijken perioden vergelijkbaar zijn. Aspecten die hierbij onder andere van invloed zijn:

• Marktomstandigheden en conjunctuur;
• De bouwlocaties van de bouwprojecten;

• De bezetting van de voertuigen waarmee naar de bouwprojecten werd gereisd, met name waar het gaat om de 'meerijders’;
• Aard, duur en omvang van de bouwprojecten.

Voornoemde aspecten beïnvloeden de reistijden en reisafstanden. Nu niet is vast te stellen of deze aspecten in de tijd vergelijkbaar zijn, ontvalt hiermee de mogelijkheid om een vergelijking te maken tussen de kosten van de reiskostenregeling zoals die gold vóór 1 januari 2007 of nó 20 april 2008 met de reiskostenregeling in de periode 1 januari 2007 tot en met 20 april 2008.”
Na een uitvoerige beschouwing concludeert de deskundige ten aanzien van de besparing als gevolg van de naheffing het volgende (par. 3.2.5):

Een berekening op van de besparing op basis van vorenstaande is opgenomen als bijlage bij dit rapport.

De totale besparing ter zake van de naheffing is zodoende te stellen op € 116.547. Dit bedrag vormt de besparing die is gerealiseerd op basis van het compromis, maar is niet als besparing van kosten van de nieuwe reiskostenregeling te beschouwen.”

3.4

Kort en goed komt de deskundige tot de conclusie dat een besparing in de werkgeverslasten vanwege de invoering van de door Miedema geadviseerde reiskostenregeling niet is vast te stellen. De deskundige is wel op een andere besparing gestuit, zo begrijpt het hof uit zijn rapport, te weten een besparing ten gevolge een gunstige regeling van Betsema met de fiscus. De fiscus had op basis van de aangeleverde gegevens een hogere aanslag kunnen opleggen. Deze besparing is echter al in de vordering, die is gebaseerd op de daadwerkelijke naheffingsaanslagen, verdisconteerd.

3.5

De deskundige heeft de vragen 1 en 2 dan ook als volgt beantwoord:
Het procesdossier bevat naar mijn oordeel onvoldoende gegevens om deze vraag te kunnen beantwoorden. Uit nader onderzoek blijkt mij dat er over de periode, waarin de nieuwe reiskostenregeling werd toegepast, onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om te komen tot een zuivere berekening van de besparing. Waar wél een oordeel over gevormd kan worden, is de besparing die in het kader van de naheffing werd gerealiseerd.

(…)

Wegens het ontbreken van de noodzakelijk geachte gegevens met betrekking tot projecten en de daarmee samenhangende reisgegevens in de jaren gelegen vóór, na maar ook tijdens de toegepaste nieuwe reiskostenregeling is het niet mogelijk een redelijke schatting van de besparing te maken. De variabelen die een dergelijke schatting beïnvloeden zijn te divers.

Deze variabelen maken ook dat de namens het Betsema-concern overlegde voorbeeldberekeningen, zoals vermeld in 3.1.2 niet als onderbouwing van hun verklaring kunnen gelden dat de nieuwe reiskostenregeling kostenneutraal voor haar was. Introductie van de nieuwe reiskostenregeling kende risico’s waarvan het Betsema-concern zich bewust was. Tot die risico's behoren naheffingen. Ter zake van die naheffingen trad een besparing voor het Betsema-concern op vanwege het afzien van naheffing premies Zorgverzekeringswet en het bij wijze van compromis naheffen van € 100.000 ter zake van de aan de meerijders betaalde reiskosten in plaats van een naheffing op basis van de feitelijk aan deze categorie medewerkers betaalde reisvergoedingen.”

3.6

In antwoord op vraag 5 (de slotvraag) heeft de deskundige nog opgemerkt:
Het uitgevoerde onderzoek toont dat de noodzakelijk geachte gegevens om te komen tot een berekening van een eventueel voordeel voor het Betsema-concern door invoering van de nieuwe reiskostenregeling niet meer beschikbaar zijn. Het onderzoek leert dat de naheffingsaanslagen voor het Betsema-concern op grond van de naheffingsaanslagen aanzienlijk hoger hadden kunnen uitvallen. Uit de berekeningen in de bijlage blijken de hiervoor onder C genoemde bedragen. Zonder compromis zou de naheffing voor het Betsema-concern, conform de berekening van de heer [B] in zien brief kunnen oplopen tot € 592.544. Een en ander conform de brief van de heer [B] met dagtekening 20 augustus 2008. Genoemd bedrag zou nog verhoogd kunnen worden met de ten onrechte niet in aanmerking genomen premie Zorgverzekeringswet die het Betsema-concern verschuldigd was.

Vanwege het ontbreken van relevante gegevens is het mij niet mogelijk een zuiver oordeel te vormen over de vraag of de introductie van de nieuwe reiskostenregeling tot besparing leidde voor het Betsema-concern.

Wel duidelijk is dat de feitelijke naheffing die volgde vanwege de introductie van de nieuwe reiskostenregeling aanzienlijk hoger uit had kunnen vallen.”

3.7

Partijen verschillen van mening over het rapport van de deskundige. Betsema kan zich erin vinden, Miedema vindt dat de deskundige zich te gemakkelijk van zijn opdracht heeft afgemaakt (hoewel hij erg lang over zijn opdracht heeft gedaan en ook nog een forse vergoeding in rekening heeft gebracht). De deskundige heeft zich, meent Miedema, met een kluitje in het riet laten sturen door Betsema.

3.8

Het hof volgt Miedema niet in haar kritiek op het werk van de deskundige. Miedema lijkt uit het oog te verliezen dat een accountant die als deskundige optreedt volgens vaste rechtspraak van het CBB gebonden is aan zijn gedrags- en beroepsregels en dat dit onder meer betekent dat de bevindingen en conclusies van de accountant een deugdelijke grondslag moeten hebben (vgl. voor een samenvatting van deze rechtspraak, de uitspraak van de accountantskamer van 20 december 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:86). Uit het rapport van de deskundige volgt dat de accountant op diverse manieren heeft geprobeerd een deugdelijke grondslag te vinden voor een inhoudelijk oordeel over een mogelijk voordeel, maar daarbij steeds op het probleem is gestuit dat de voor hem relevante informatie ontbreekt of onvoldoende is.

3.9

Naar het oordeel van het hof heeft de accountant inzichtelijk gemaakt dat en waarom hij geen voor hem als accountant te verantwoorden conclusies kan trekken over het bestaan en de omvang van een voordeel. Het rapport is op dit punt consistent en

behoorlijk onderbouwd. Dat deze uitkomst (voor Miedema) onbevredigend is, zeker gelet op de lange duur van het onderzoek en de kosten ervan, is voorstelbaar, maar leidt niet tot een ander oordeel.

3.10

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat met het rapport nog niet bewezen is dat sprake is geweest van een voordeel.

4
4. Is (toch) sprake van een voordeel?

4.1

Anders dan Betsema meent, is met de hiervoor vermelde conclusie het doek nog niet gevallen voor het beroep op voordeelsverrekening. Daartoe is het volgende van belang.

4.2

Het deskundigenonderzoek heeft wel nieuwe en naar het oordeel van het hof relevante informatie opgeleverd over een mogelijk voordeel van Betsema vanwege de nieuwe reiskostenregeling. Het betreft de informatie over de in de weken 12, 14 en 16 van 2007 aan de werknemers van de Betsema-groep uitbetaalde reiskostenvergoeding (op basis van de nieuwe regeling). De deskundige heeft op blz. 18 van zijn rapport (in het onderdeel waarin hij zijn reactie het commentaar van partijen op het concept-rapport samenvat) aangegeven dat hij niet kan vaststellen dat deze gegevens “representatief inzicht verschaffen”. Dat is, gelet op wat hiervoor is overwogen over de gedrags- en beroepsregels van de accountant, begrijpelijk, maar aan die regels is het hof bij het antwoord op de vraag of bewezen is dat sprake is geweest van voordeel niet gebonden. Voldoende is dat met een redelijke mate van zekerheid vaststaat dat sprake is geweest van voordeel.

4.3

Uit de overgelegde gegevens over de bewuste drie weken in 2007 volgt dat een chauffeur in die weken gemiddeld € 178,39 per week reiskosten ontving en een meerijder
€ 113,51. Bij 16 chauffeurs en 62 meerijders is dat op jaarbasis (46 weken) € 131.295,- voor de chauffeurs en € 323.730,- voor de meerijders, in totaal € 455.025,-. Uit het rapport van de deskundige blijkt dat in de regeling met de fiscus is uitgegaan van een totale aan de werknemers betaalde vergoeding van € 501.631,- over 2007. Dat is dus maar 10% meer dan op basis van de gegevens over de drie weken uit 2007 niet voren komt. Die marge acht het hof vooralsnog niet onoverkomelijk. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat Betsema, die de representativiteit van de gegevens bestrijdt, er zelf voor heeft gekozen om de onderliggende gegevens over de uitvoering van de reiskostenvergoeding na afloop van de fiscale bewaartermijn te vernietigen hoewel de procedure tussen partijen nog niet was afgerond. Betsema was er uiteraard mee bekend dat er nog schadevergoedingsprocedure aanhangig was en kon er redelijkerwijs rekening mee houden dat de gegevens in het kader van deze procedure mogelijk van belang zouden kunnen zijn. Toen Miedema zich op voordeelsverrekening beriep - in de memorie van grieven van 30 oktober 2012 - was de fiscale bewaartermijn van zeven jaar na het einde van de boekjaren 2007 en 2008 ook nog niet verstreken. Dat niet meer gegevens beschikbaar zijn dan de gegevens die nu boven water zijn gekomen, kan Betsema Miedema dan ook niet verwijten. Betsema heeft er zelf voor gekozen om de informatie waarmee zij haar stelling dat de door Miedema overgelegde informatie niet representatief is had kunnen onderbouwen te vernietigen. Daarmee heeft zij haar stelling vooralsnog - mogelijk slaagt Betsema er toch nog in relevante informatie te achterhalen - onvoldoende onderbouwd.

4.4

Miedema heeft berekeningen overgelegd van de besparingen die zijn gerealiseerd, uitgaande van de betaalde onkostenvergoedingen in de weken 12, 14 en 16 van 2007, als gevolg van toepassing van de nieuwe regeling. Zij heeft de werkgeverslasten op basis van de nieuwe regeling vergeleken met de werkgeverslasten wanneer de werknemers zouden zijn uitbetaald op basis van de oude regeling. Betsema heeft niet gedetailleerd op deze berekeningen gereageerd. Zij heeft volstaan met het bestrijden van de representativiteit van de drie weken en heeft betoogd dat er niet van kan worden uitgegaan dat de auto’s gemiddeld 75 kilometer per uur reden, zoals in de door Miedema overgelegde berekeningen tot uitgangspunt wordt genomen. Het hof is vooralsnog niet overtuigd van de kritiek van Betsema op de gekozen snelheid van 75 kilometer per uur. Het hof acht die snelheid, ervan uitgaande dat de bedrijfsauto's van Betsema niet alleen op snelwegen zullen rijden, maar ook op binnenwegen en binnen de bebouwde kom, niet onredelijk.

4.5

Het hof zal Betsema in de gelegenheid stellen om alsnog inhoudelijk op de berekeningen in te gaan door, desgewenst, alternatieve berekeningen te maken (vooralsnog op basis van een snelheid van 75 kilometer per uur). Indien Betsema bij die berekeningen uitgaat van een andere gemiddelde snelheid, dient zij die snelheid te onderbouwen, bijvoorbeeld aan de hand van gegevens van het CBS over de gemiddelde snelheid van woon-werkverkeer of (verifieerbare) gegevens uit de computersystemen van haar bedrijfsauto’s - in veel auto’s is het mogelijk de gemiddelde snelheid uit te lezen - over te leggen. Ook dient Betsema de oude regeling in het geding te brengen, zodat kan worden nagegaan op welke manier zij de oude regeling heeft toegepast op de gegevens over het aantal verreden kilometers in de drie genoemde weken.

4.6

Het hof zal de door Miedema overgelegde berekening, de door Betsema te vervaardigen berekening(en) met de onderbouwing ervan, en een eventuele reactie van Miedema op die berekening(en) bespreken tijdens een comparitie van partijen. Die comparitie zal ook benut worden voor overleg over de mogelijkheden van een schikking.

5
5. De beslissing

Het hof, voordat het verder beslist:

bepaalt dat partijen, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking, samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hof, dat daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als onder 4.5 vermeld en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden juli tot en met oktober 2020 zullen opgeven op de roldatum 16 juni 2020, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat Betsema de stukken als bedoeld in 4.5 uiterlijk zes weken voorafgaand aan de zitting in het geding dient te brengen;

bepaalt dat indien Miedema ter comparitie nog een proceshandeling wenst te verrichten en/of producties in het geding wil brengen, zij ervoor dient te zorgen dat aan het hof en de Betsema schriftelijk wordt meegedeeld wat de inhoud is van de ter comparitie te verrichten proceshandeling (voorzien van stukken) en indien Miedema ter comparitie nog producties in het geding wenst te brengen dat zij daarvan goed leesbare afschriften aan het hof en Betsema dient over te leggen, in beide gevallen uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan de zitting;

houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.H. Kuiper en R.E. Weening en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 mei 2020, in aanwezigheid van de griffier.