Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3827

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-05-2020
Datum publicatie
22-05-2020
Zaaknummer
18/00565
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:2256, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Invoer auto. Nieuw of gebruikt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/1374
Viditax (FutD), 26-05-2020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummer 18/00565

uitspraakdatum: 12 mei 2020

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 18 mei 2018, nummer AWB 17/5768 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team Auto BPM (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) ten bedrage van € 3.168 opgelegd.

1.2

Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van een bedrag van € 3.000 aan immateriële schade en een bedrag van € 1.500 aan proceskosten. Voorts heeft de Rechtbank de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 aan haar te vergoeden.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Bij tussenuitspraak van 16 augustus 2019 is de (toenmalige) gemachtigde geweigerd om bijstand te verlenen aan belanghebbende dan wel haar te vertegenwoordigen in de onderhavige procedure.

1.6

Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben verklaard van dat recht geen gebruik te willen maken. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende en haar (wijlen) echtgenoot hebben op 17 december 2012 bij [A] GmbH te [B] , Duitsland, een auto gekocht van het merk Peugeot, type 508 2.0 HDi Active (hierna: de auto). Op de door de verkoper aan de echtgenoot van belanghebbende uitgereikte factuur is vermeld: “Erstzulassung 13.12.12” en “KM 250”. De auto is op 13 december 2012 in Duitsland voor het eerst – met kenteken [YY-YY000] ten name van [A] GmbH te [B] – toegelaten tot de openbare weg.

2.2

Belanghebbende heeft met dagtekening 14 december 2012 (door de Inspecteur ontvangen op 19 december 2012) aangifte BPM gedaan ter zake van de registratie van de auto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden kentekenregister. Bij de berekening van de verschuldigde BPM is belanghebbende ervan uitgegaan dat de auto als een gebruikte personenauto moet worden aangemerkt. Voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde heeft zij gebruik gemaakt van een Xray koerslijst. Blijkens de aangifte is een bedrag van € 5.780 aan BPM verschuldigd, welk bedrag belanghebbende op 3 januari 2013 heeft betaald.

2.3

De Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) heeft de auto op 19 december 2012 beoordeeld. Op het “formulier tbv BPM-aangifte” is een tellerstand van 675 km vermeld.

2.4

De Inspecteur heeft bij brief van 22 maart 2013 aangekondigd voornemens te zijn aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM op te leggen. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“In uw aangifte hebt u gekozen voor een afschrijving op basis van koerslijst. Dit mag u doen, indien het voertuig gebruikt is. Uit verschillende feiten blijkt, dat het onderhavige voertuig als nieuw en ongebruikt moet worden beschouwd:

1. Uit de voertuiggegevens vastgesteld door de Rijksdienst voor het Wegverkeer(RDW) blijkt een kilometerstand van 675 kilometers.

2. Het voertuig is nog geen week oud. Uit de voertuiggegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer(RDW) blijkt namelijk een datum eerste toelating van 13-12-2012.

3. Bij de fysieke opname van het voertuigen is gebleken, dat de voertuigen geen sporen van gebruik vertoonden.

Ik beschouw het voertuig dan ook als nieuw. Dit heeft tot gevolg dat er geen afschrijving mogelijk is. De koerslijst kan derhalve niet worden gebezigd. Het door u berekende bruto bpm van € 8.948,00 heb ik als te betalen bpm gebruikt. Het verschil tussen de verschuldigde bpm en de op aangifte betaalde bpm heb ik berekend op € 3.168,00. Voor dit bedrag ben ik van plan op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een naheffingsaanslag bpm op te leggen.

Als u het met mijn voornemen om deze naheffingsaanslag op te leggen niet eens bent stel ik u in de gelegenheid vóór 5-4-2013 schriftelijk te reageren. Als ik voor deze datum van u geen reactie heb ontvangen zal ik de naheffing opleggen.”

2.5

Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de door de Inspecteur gegeven gelegenheid schriftelijk op het voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslag te reageren.

2.6

De Inspecteur heeft vervolgens op 14 mei 2013 de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende heeft tijdig bezwaar gemaakt. Op 7 juli 2017 heeft de Inspecteur de toenmalige gemachtigde van belanghebbende op het bezwaar gehoord.

2.7

Bij uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2017 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

2.8

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van een bedrag van € 3.000 aan immateriële schade en een bedrag van € 1.500 aan proceskosten. Voorts heeft de Rechtbank de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 aan haar te vergoeden.

2.9

Belanghebbende heeft, daarbij vertegenwoordigd door haar toenmalige gemachtigde [C] , hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft partijen bij brief van 13 mei 2019 uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het beroep op 14 augustus 2019.

2.10

Op 31 juli 2019 heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende [C] een nader stuk ingediend. De griffier van het Hof heeft de gemachtigde bij brief van 5 augustus 2019 bericht dat op de inhoud van dat stuk geen acht wordt geslagen wegens de zeer beledigende opmerkingen daarin ten aanzien van personen werkzaam bij de Belastingdienst en de rechtspraak. Voorts heeft het Hof de gemachtigde in die brief een laatste waarschuwing gegeven, in die zin dat wanneer de gemachtigde zou blijven volharden in zijn opstelling en het gebruik van bepaalde bewoordingen het Hof toepassing zou gaan geven aan artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb; weigeren gemachtigde).

2.11

Bij brieven van 5 en 6 augustus 2019 heeft de gemachtigde gereageerd op de in de brief van het Hof vervatte waarschuwing. Naar aanleiding daarvan heeft het Hof partijen bij brief van 6 augustus 2019 bericht dat de zitting van 14 augustus 2019 wordt uitgesteld. Omdat de gemachtigde is blijven volharden in zijn beledigende taalgebruik en opstelling, heeft het Hof in zijn tussenuitspraak in deze zaak van 16 augustus 2019 toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 8:25 Awb en de gemachtigde [C] (en zijn vennootschap [D] BV) geweigerd om bijstand te verlenen aan belanghebbende dan wel haar te vertegenwoordigen in de onderhavige procedure. Voorts heeft het Hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld om, indien zij dat wenst, binnen vier weken na de tussenuitspraak een andere gemachtigde aan te wijzen voor de verdere procedure.

2.12

Bij brief, ingekomen ter griffie van het Hof op 10 september 2019, heeft belanghebbende het Hof bericht dat zij afstand neemt van de opstelling en het taalgebruik van [C] . Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een nieuwe gemachtigde aan te stellen.

2.13

Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te maken van hun recht op het hoger beroep te worden gehoord.

3 Het geschil en de standpunten van partijen

In hoger beroep is in geschil of de auto voor de toepassing van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM) ten tijde van het belastbare feit (de registratie in het Nederlandse kentekenregister) als een nieuwe auto (standpunt Inspecteur) of als een gebruikte auto (standpunt belanghebbende) moet worden aangemerkt. Voorts is in geschil of, kort gezegd, kan worden nageheven na het belastbare feit, of sprake is van schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel, of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de werkelijke door haar gemaakte proceskosten en op een rentevergoeding over de door de Rechtbank toegekende vergoeding van immateriële schade en griffierecht. De berekening van de naheffingsaanslag is niet in geschil.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

Zoals hiervoor in onderdeel 2.9 reeds is vermeld, wordt op de inhoud van het nadere stuk van 31 juli 2019 van de – thans geweigerde – gemachtigde van belanghebbende geen acht geslagen. De daarin vermelde klachten worden derhalve niet behandeld door het Hof.

Nieuw of gebruikt

4.1

Onder een nieuwe personenauto in de zin van de Wet BPM moet worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest (zie HR 21 september 2018, nr. 17/02947, ECLI:NL:HR:2018:1695, HR 27 januari 2017, nr. 16/03401, ECLI:NL:HR:2017:79, HR 29 januari 2016, nr. 14/01502, ECLI:NL:HR:2016:119 en HR 14 september 2012, nr. 12/00848, ECLI:NL:HR:2012:BX7199). Het standpunt van belanghebbende dat dit criterium niet juist is, wordt – gelet op genoemde jurisprudentie – verworpen.

4.2

Gelet op de in de onderdelen 2.1 tot en met 2.4 van deze uitspraak vermelde feiten en voorts in aanmerking genomen dat niet is gesteld dat de auto ten tijde van de registratie ervan in het Nederlandse kentekenregister sporen van gebruik of beschadiging vertoonde, kan naar het oordeel van het Hof niet anders worden geconcludeerd dan dat de auto na vervaardiging ervan nauwelijks is gebruikt, zodat voor de heffing van BPM sprake is van een nieuwe auto. Een vermindering (afschrijving) op de voet van artikel 10 van de Wet BPM is dan niet aan de orde. De omstandigheid dat de auto reeds eerder, op 13 december 2012 in Duitsland op kenteken was gezet en aldaar was toegelaten tot de openbare weg, doet hieraan niet af (vgl. HR 27 januari 2017, nr. 16/03401, ECLI:NL:HR:2017:79). Het andersluidende standpunt van belanghebbende wordt verworpen.

Schending Unierechtelijk verdedigingsbeginsel

4.3

Op 7 juli 2017 heeft in verband met het bezwaar van belanghebbende een hoorgesprek plaatsgevonden met haar toenmalige gemachtigde. Verder heeft de Inspecteur voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, op 22 maart 2013, een “Aankondiging naheffing BPM” gezonden waarin hij belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld vóór 5 april 2013 schriftelijk te reageren op het voornemen een naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt (zie onderdelen 2.4 en 2.5).

4.4

Gelet op het bovenstaande is het Hof van oordeel dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet is geschonden.

Naheffen na belastbare feit

4.5

De Rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het naheffen van BPM nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan, niet in strijd is met artikel 110 VWEU (HR 22 maart 2019, nr. 18/01157, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2). Het andersluidende betoog van belanghebbende is onjuist.

Vergoeding werkelijke proceskosten

4.6.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat de Rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. De Rechtbank heeft, uitsluitend vanwege de toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase, aanleiding gezien de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende en hem te gelasten het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden. De Rechtbank heeft de proceskosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend op € 1.500 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaar- en beroepsfase. Het Hof ziet, evenals de Rechtbank, geen aanleiding voor toekenning van het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de werkelijke proceskosten, nog daargelaten dat belanghebbende het verzoek niet cijfermatig heeft onderbouwd.

Rente over vergoeding voor immateriële schade en griffierecht

4.7

De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van een bedrag van € 3.000 aan immateriële schade en een bedrag van € 1.500 aan proceskosten en heeft tevens de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 te vergoeden. Indien deze bedragen niet binnen vier weken na de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan door de Inspecteur zijn betaald, is daarover wettelijke rente verschuldigd die door de Inspecteur dient te worden vergoed (vgl. HR 21 december 2018, nr. 17/04505, ECLI:NL:HR:2018:2358). De Inspecteur heeft gesteld en het Hof acht aannemelijk dat het bedrag van € 3.000 op 25 juni 2018 aan belanghebbende is betaald. Dit betekent dat de Inspecteur over de periode van vier weken na 18 mei 2018 tot en met 25 juni 2018 wettelijke rente is verschuldigd over het bedrag van de immateriëleschadevergoeding van € 3.000.

4.8

Belanghebbende heeft bij de Rechtbank verzocht om vergoeding van rente over het griffierecht. Daarin ligt een verzoek besloten om vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW wegens vertraging in de vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht. De Rechtbank heeft ten onrechte dat verzoek niet ingewilligd. Het hoger beroep treft in zoverre doel. Het Hof zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen. De Inspecteur heeft gesteld en het Hof acht aannemelijk dat het bedrag van € 333 aan griffierecht op 25 juni 2018 aan belanghebbende is betaald. Dit betekent dat de Inspecteur over de periode van vier weken na 18 mei 2018 tot en met 25 juni 2018 wettelijke rente is verschuldigd over het bedrag van het griffierecht van € 333.

Slotsom

Het hoger beroep is gedeeltelijk gegrond.

5 Proceskosten en griffierecht

Nu het hoger beroep gedeeltelijk gegrond is, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende voor het hoger beroep. Het Hof stelt die vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 525 (1 punt voor het hogerberoepschrift) voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorts is er grond voor een vergoeding van het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 253.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarin ontbreekt een beslissing omtrent de wettelijke rente over de vergoeding door de Inspecteur van het door belanghebbende in beroep betaalde griffierecht van € 333,

- beslist dat over de periode van vier weken na de uitspraak van de Rechtbank tot en met 25 juni 2018 wettelijke rente door de Inspecteur aan belanghebbende is verschuldigd over het bedrag van € 333 aan griffierecht,

- beslist dat over de periode van vier weken na de uitspraak van de Rechtbank tot en met 25 juni 2018 wettelijke rente door de Inspecteur aan belanghebbende is verschuldigd over het bedrag van € 3.000 aan door de Rechtbank toegekende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 525,

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 253, en

- beslist dat, indien het bedrag van het griffierecht van € 253 niet tijdig door de Inspecteur wordt vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vanaf vier weken na de datum waarop het Hof deze uitspraak heeft gedaan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2020.

De griffier De voorzitter,

(A. Vellema)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 mei 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.