Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3798

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-05-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
Wahv 200.239.955/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Geen reële mogelijkheid tot staandehouding gelet op de verkeerssituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.239.955/01

CJIB-nummer

: 206623978

Uitspraak d.d.

: 15 mei 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel is in hoger beroep een aanvullend proces-verbaal ingebracht.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt in hoger beroep dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt. De beslissing van de kantonrechter voldoet niet aan de vereisten waaraan een proces-verbaal van de zitting dient te voldoen. Zo ontbreekt de inhoud van hetgeen de zittingsvertegenwoordiger heeft opgemerkt.

2. Het dossier bevat een afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 29 augustus 2017. Hierin ontbreekt het door de vertegenwoordiger van de officier van justitie ingenomen standpunt. De vermelding in de aantekening "Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift" volstaat niet, nu daaruit niet blijkt tot welke conclusie de vertegenwoordiger is gekomen. Het opnemen van deze conclusie is in het bijzonder van belang, gelet op de eigenstandige bevoegdheid die (de vertegenwoordiger van) de officier van justitie op de voet van artikel 7 van de Wahv juncto artikel 7:27 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ten aanzien van het in stand laten, wijzigen of vernietigen van de inleidende beschikking.

Het proces-verbaal voldoet daarom niet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. De beslissing van de kantonrechter kan dan ook niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

3. De gemachtigde verzoekt het hof de bij de kantonrechter aangedragen gronden ten aanzien als herhaald en ingelast te beschouwen. Ten aanzien van de gedraging wijst hij er nogmaals op dat mogelijk sprake was van een negatieve ontruimingstijd en dat de ambtenaren uit een andere richting kwamen. De gemachtigde blijft erbij dat het niet staande houden ‘vanwege de verkeersveiligheid’ zonder nadere toelichting onvoldoende is, nu niet toetsbaar is of hiermee terecht van staandehouding is afgezien. Indien geen staandehouding mogelijk was vanwege de positie van de verbalisanten volgt daaruit vrijwel zeker dat zij uit een andere richting kwamen en geen direct zicht konden hebben op het desbetreffende verkeerslicht.

4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 april 2017 om 14:31 uur op de Wibautstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat deze ongeveer 2 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. Plaatsaanduiding verkeerslicht: kruising eerste Oosterparkstraat. Verkeerslichtnummer 082
(…)
Naam van ambtenaar 1: [B]
(…)
Naam van ambtenaar 2: [C]
(…)
Opmerkingen ambtenaar 1:
Reden geen staandehouding: in verband met de verkeersveiligheid de betrokkene niet staande kunnen houden.”

6. In een aanvullend proces-verbaal van 21 augustus 2018 verklaren ambtenaren [B] en Den [C] onder meer het volgende:
“Op woensdag 12 april 2017 bevonden wij, verbalisanten (…) ons (…) op de volgende locatie Wibautstraat te Amsterdam en gaande in de richting van het Rhijnspoorplein te Amsterdam.
Voor ons, verbalisanten, was een staandehouding niet mogelijk in verband met de verkeersveiligheid. Wij, verbalisanten, stonden geparkeerd op het trottoir met direct zicht op het verkeerslicht.
(…)
Gezien de drukte op het kruispunt is het af en toe niet mogelijk om de rijbaan op te rijden zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.”

7. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.

8. Het hof is van oordeel dat op basis van de verklaringen van de ambtenaren genoegzaam is komen vast te staan dat de verkeerssituatie ter plaatse een staandehouding niet toeliet, nu de gedraging plaatsvond op een druk kruispunt en het licht al 2 seconden rood uitstraalde op het moment dat de bestuurder van het voertuig dit negeerde en doorreed. Op grond hiervan acht het hof het aannemelijk dat er voor de ambtenaren op dat moment geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder bestond, zodat terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd.

9. Het hof ziet evenmin aanleiding eraan te twijfelen dat de ambtenaren goed zicht hadden op het verkeerslicht. Door de ambtenaren is duidelijk en gedetailleerd omschreven waar zij stonden en dat zij vanaf daar direct zicht hadden op het verkeerslicht. Hieruit blijkt niet dat zij uit een andere richting kwamen, zodat het verweer van de gemachtigde hieromtrent faalt. Aan de mededeling dat de eerder aangevoerde gronden als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd zal het hof voorbij gaan. Omdat niet is aangegeven waarom de kantonrechter op die eerdere gronden niet juist heeft gereageerd, kan dit niet worden aangemerkt als een beroepsgrond. Aldus is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

10. Het voorgaande brengt mee dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond wordt verklaard.

11. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd te ondertekenen.