Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3747

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-05-2020
Datum publicatie
18-05-2020
Zaaknummer
200.263.678
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; elektronisch afgesloten all risk autoverzekering; beding dat kenteken op naam van verzekeringnemer (of samenwonende partner) staat; brand; kernbeding; transparantievereiste; waarschuwing in aanvraagproces voor tenaamstelling kenteken; belang vanwege de vraag wie van aanvrager, partner of kind het meest in de auto zou rijden, wat weer relevant is voor de premievaststelling in verband met de bonus-malus tabel en de schadevrije jaren tabel; beding niet onaanvaardbaar.

Artikelen 6:231 sub a, 237 sub b, 238 lid 2 en 248 lid 2 BW;

Artikelen 4 lid 2 en 5 van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PbEU 1993, L 95/29).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.263.678

(zaaknummer kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, 7292431)

arrest van 12 mei 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het deels voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna [appellant] ,

advocaat: mr. H.J.W. Weekers,

tegen

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

mede handelende onder de naam: InShared,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het deels voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: InShared,

advocaat: mr. A.L. Mijnssen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 16 januari 2019 (in het bevoegdheidsincident) en van 27 maart 2019 (verder: het eindvonnis) die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Apeldoorn, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 21 juni 2019,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord in appel tevens memorie van grieven in (deels voorwaardelijk) incidenteel appel,

- de memorie van antwoord in het (deels voorwaardelijk) incidenteel appel.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rov. 2.1 tot en met 2.5 van het eindvonnis.

4 Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de grieven

4.1

Deze zaak gaat over een op 10 maart 2015 door [appellant] als consument via internet bij InShared afgesloten allrisk verzekering van zijn auto, die op 19 juli 2018 is uitgebrand. Sedert 16 januari 2016 had [appellant] het kenteken op naam van zijn broer (op een ander adres) gezet. InShared weigert dekking met een beroep op de artikelen 1.1 en 10.4 van de toepasselijke voorwaarden autoverzekering van InShared. Deze bedingen (hierna ook: de Bedingen) luiden:

1.1. Welke auto kunt u bij ons verzekeren?

Op uw polis in uw online Verzekeringsmap staat welke auto u precies verzekert en welke verzekeringen u voor deze auto heeft afgesloten.

Er gelden wel voorwaarden voor het verzekeren van uw auto:

• (…)

• Het kenteken staat op uw naam. Of op naam van uw partner met wie u samenwoont”.

10.4 Wat verzekert InShared niet?

Niet verzekerd is schade ontstaan:

• (...)

• Terwijl het kenteken niet op uw naam of die van uw partner staat met wie u samenwoont.

•(...)”.

4.2

Voor zover in hoger beroep nog van belang, heeft [appellant] bij de kantonrechter gevorderd InShared te veroordelen:

- om dekking te verlenen onder de verzekering, door aan [appellant] de schade uit te keren die hij heeft geleden door de brand, ten bedrage van primair € 23.975, subsidiair een door de kantonrechter te begroten bedrag, en

- tot betaling aan [appellant] van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de hierboven gevorderde schade, te rekenen vanaf de datum der dagvaarding, en

- tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 aan [appellant] ter zake buitengerechtelijke incassokosten/expertisekosten, en

- in de proceskosten met de wettelijke rente.

4.3

In haar eindvonnis heeft de kantonrechter het gevorderde afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.4

In het principaal hoger beroep voert [appellant] onder grief 1 primair aan dat de Bedingen onredelijk bezwarend zijn ex artikel 6:237 sub b BW en daarom vernietigbaar. Grief 1 subsidiair acht het beroep van InShared op de Bedingen in strijd met de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 lid 2 BW. Grief 2 keert zich tegen de proceskostenveroordeling.

Alleen voor het geval het hof zou beslissen dat aan [appellant] wel verzekeringsdekking

moet worden verleend, betwist InShared in haar incidenteel hoger beroep onder de voorwaardelijke grief I de schadeomvang. Met grief II verlangt InShared een proceskostenveroordeling van [appellant] , naar het hof begrijpt, in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

De hiervoor aangehaalde artikelen 1.1 en 10.4 (de Bedingen) omschrijven tezamen het verzekerde risico en de verbintenis van de verzekeraar en bakenen dit af. Partijen gaan er in hoger beroep terecht van uit dat deze artikelen een kernbeding inhouden als bedoeld in artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PbEU 1993, L 95/29; hierna: Richtlijn 93/13) en artikel 6:231, aanhef en onder a, BW1. Volgens overweging 20 van de considerans van Richtlijn 93/13 kan zo’n kernbeding in geval van een verzekeringsovereenkomst niet het voorwerp van een dergelijke toetsing zijn wanneer deze beperkingen in aanmerking worden genomen bij de berekening van de door de consument betaalde premie.

5.2

Naar onweersproken vaststaat, zijn de acceptatievragen van en de risico-inschatting door de verzekeraar mede gebaseerd op de identiteit van de kentekenhouder (en de met deze samenwonende partner) als regelmatige bestuurder(s). Afwijking daarvan bij aanvang of in de loop van de verzekering zou er toe kunnen leiden dat de acceptatievragen worden omzeild en de (verdere) risico-inschatting nadelig wordt beïnvloed, bij voorbeeld bij toepassing van de bonus-malus tabel en de schadevrije jaren tabel in de Bijzondere voorwaarden Autoverzekering, van belang voor de premievaststelling.

5.3

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de Bedingen, kort gezegd, voldoende transparant zijn. Volgens artikel 5 Richtlijn 93/13 en artikel 6:238 lid 2 BW moeten schriftelijke bedingen in overeenkomsten met consumenten steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Het transparantievereiste moet ruim moet worden opgevat2.

5.4

[appellant] heeft de verzekering elektronisch aangevraagd, welk proces geheel digitaal verliep. In het door hem ingevulde elektronisch aanvraagformulier heeft InShared onder de door [appellant] te beantwoorden vraag wie van aanvrager, partner of kind het meest in de auto rijdt, opgemerkt: “Let op: u kunt alleen een auto verzekeren die op uw naam staat of op naam van uw partner die op hetzelfde adres woont!” (zie de print in productie 3 bij inleidende dagvaarding).

Direct vóór de afsluitende knop “Verzekering aanvragen” kreeg [appellant] ten slotte de volgende dwingende acceptatie- en instemmingsvragen voorgelegd (zie conclusie van antwoord sub 8):
“Download algemene voorwaarden

Download voorwaarden Autoverzekering

Download akkoordverklaring

(…)
Ik heb de voorwaarden en de akkoordverklaring gelezen en de inhoud ervan begrepen. Ik weet dat ik deze kan printen en opslaan.

Ik weet dat InShared deze verzekering nog moet accepteren. Ik ben pas verzekerd als ik de activeringsbalk in de bevestigingsmail aanklik.

Ik weet dat InShared een Privacy Statement heeft.

Heb ik 1 of meer vragen onjuist of oneerlijk beantwoord? Dan weet ik dat InShared misschien niet betaalt bij schade en/of de verzekering stopt. Dit mag volgens het Burgerlijk Wetboek.

¤ Ik ga akkoord met deze voorwaarden”.

5.5

Aldus heeft [appellant] vóór sluiting van de verzekeringsovereenkomst gemakkelijk kennis kunnen nemen van alle verzekeringsvoorwaarden en de gevolgen van sluiting van die overeenkomst. Maar belangrijker is nog dat InShared hem in de loop van het elektronische aanvraagprocedure uitdrukkelijk en met zoveel woorden er opmerkzaam op heeft gemaakt dat het kenteken van de te verzekeren auto op naam van hem (of zijn partner op hetzelfde adres) moest staan. Die opmerking was belangrijk vanwege de vraag wie van aanvrager, partner of kind het meest in de auto zou rijden, wat weer van belang is voor de premievaststelling (zie hiervoor). In het verlengde hiervan bepalen de artikelen 1.1. en 10.4 van de toepasselijke, door [appellant] tevoren te raadplegen, verzekeringsvoorwaarden in de digitale polismap dat InShared geen auto verzekert waarvan het kenteken niet op naam van de aanvrager/verzekeringnemer staat. Zo heeft InShared in de verzekeringsovereenkomst de concrete werking van het mechanisme waarop de betrokken Bedingen in beide artikelen betrekking hebben transparant uiteengezet. De Bedingen zijn duidelijk en begrijpelijk geformuleerd voor een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument. [appellant] is tevoren nog uitdrukkelijk op het belang ervan gewezen, zodat hij op basis van de aldus verkregen informatie goed kon beslissen of hij gebonden wenste te worden door de verzekeringsvoorwaarden van InShared en op basis van dat duidelijke en begrijpelijke criterium de economische gevolgen die voor hem uit de overeenkomst voortvloeiden, kon inschatten.

De conclusie is dan ook dat beide artikelen kernbedingen zijn die voldoen aan het transparantievereiste.

5.6

Als gevolg hiervan zijn deze Bedingen niet voor (de door [appellant] voorgestane nadere) toetsing vatbaar en met name niet of zij onredelijk bezwarend dan wel oneerlijk zouden zijn.

Grief 1 primair in het principaal hoger beroep gaat dus niet op.

5.7

[appellant] vindt subsidiair het beroep van InShared op de Bedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar vanuit de in zijn memorie van grieven sub 3.20 neergelegde zes gezichtspunten. Volgens hem kende InShared de gevolgen van de Bedingen en had zij moeten begrijpen dat de inhoud ervan voor [appellant] zeer relevant was, zodat zij [appellant] voor de gevolgen ervan had moeten waarschuwen, heeft InShared de niet voor onderhandeling vatbare verzekeringsvoorwaarden eenzijdig opgesteld, behoren zulke kernbedingen voor verzekeringnemers niet verrassend te zijn, was [appellant] een op dit gebied ondeskundige consument en InShared een professionele verzekeraar, en was het voor InShared eenvoudig om zulke bedingen eerder en duidelijk onder de aandacht te brengen, hetgeen te meer was geboden nu [appellant] daar een groot financieel belang bij had.

5.8

Naar het oordeel van het hof heeft InShared [appellant] vóór het aangaan van de verzekeringsovereenkomst voldoende duidelijk gewaarschuwd dat het kenteken op naam van hem (of zijn samenwonende partner) moest staan en waren voor hem als consument de Bedingen en hun gevolgen voldoende duidelijk geformuleerd (zie rov. 5.5). Daarom is toepassing van de Bedingen in die gegeven omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [appellant] heeft de hoge hindernis voor een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW dan ook niet genomen, temeer nu de door hem gestelde gezichtspunten erg algemeen zijn geformuleerd.

Grief 1 subsidiair in het principaal hoger beroep mislukt.

5.9

[appellant] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een andere beslissing moeten leiden. Daarom wordt zijn bewijsaanbod gepasseerd.

6 De slotsom

6.1

Grief 1 primair en subsidiair in het principaal hoger beroep faalt. Het bestreden eindvonnis zal worden bekrachtigd. De voorwaardelijke grief I in het incidenteel hoger beroep komt niet meer aan de orde.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij is [appellant] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld en zal hij ook worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep. Grief 2 in het principaal hoger beroep gaat niet op en grief II in het incidenteel hoger beroep is terecht voorgesteld.

De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van InShared zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht (verschotten) € 2.020

- salaris advocaat € 1.391 (1 punt x appeltarief III).

Nu grief II in het incidenteel hoger beroep slechts de proceskosten in hoger beroep aan de orde stelt, is er geen aanleiding om ook nog kosten toe te kennen voor de procedure in het incidenteel hoger beroep.

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en deels voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, locatie Apeldoorn, van 27 maart 2019;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van InShared vastgesteld op € 2.020 voor verschotten en op € 1.391 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

verstaat dat de voorwaardelijke grief I in het incidenteel hoger beroep niet meer aan de orde komt.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H.L. Wattel en Ch.E. Bethlem, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2020.

1 zie hierover: HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800, rov. 3.5.2 en 3.5.3.

2 zie hierover de weergave van de Europese rechtspraak in HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, rov. 3.4.