Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3663

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-05-2020
Datum publicatie
29-07-2020
Zaaknummer
200.253.558
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap. Verwijzing Hoge Raad. Verknochtheid van twee ontslagvergoedingen (stamrecht-B.V. en contant). Aanspraak die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid: onderscheid tussen periode vóór en na ontbinding huwelijksgemeenschap. 1:94 lid 3 (oud) BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2020/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.253.558

(zaaknummer rechtbank Oost-Brabant 252758)

beschikking na verwijzing door de Hoge Raad van 12 mei 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.W. Weehuizen te ’s-Hertogenbosch,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. L.H.M. Zonnenberg te ‘s-Hertogenbosch.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

De Hoge Raad heeft in deze zaak op 23 februari 2018 een beschikking gegeven en daarbij de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 juli 2014 en 15 september 2016 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof. Voor het verloop van de procedure in hoger beroep tot 15 september 2016 wordt verwezen naar voornoemde beschikking van de Hoge Raad, zaaknummer 16/06046.

1.2

De vrouw heeft bij brief van 27 december 2018, ingekomen op 2 januari 2019, de zaak aangebracht ter verdere behandeling en beslissing.

1.3

Het verloop van de procedure blijkt verder uit:

- een ‘toelichting na verwijzing’ van mr. Weehuizen;

- een ‘verweerschrift op toelichting na verwijzing’ van mr. Zonnenberg met producties 1-13;

- een journaalbericht van mr. Weehuizen van 13 september 2019 met producties 1-14;

- een journaalbericht van mr. Zonnenberg van 27 september 2019 met producties 14-17;

- een journaalbericht van mr. Weehuizen van 30 september 2019 met producties 15-18.

1.4

De mondelinge behandeling heeft op 10 oktober 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr. Weehuizen en de man bijgestaan door mr. Zonnenberg en mr. T.J. Backx.

2 De motivering van de beslissing

Procedure na cassatie en verwijzing

2.1

Artikel 424 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schrijft voor dat de rechter naar wie het geding is verwezen de behandeling daarvan voortzet en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.

2.2

De verwijzingsrechter is in beginsel gebonden aan de in cassatie niet of tevergeefs bestreden eindbeslissingen in de vernietigde uitspraak. De in cassatie niet bestreden beslissingen hebben kracht van gewijsde gekregen en kunnen daarom niet alsnog worden bestreden. De in cassatie tevergeefs bestreden beslissingen worden onaantastbaar door de beschikking van de Hoge Raad. Een hernieuwde beoordeling levert in beide gevallen een overschrijding op van de door de Hoge Raad in de vernietigingsuitspraak getrokken grenzen.

2.3

Indien de Hoge Raad klachten buiten behandeling laat, is de verwijzingsrechter niet aan de door deze klachten bestreden beslissingen gebonden en dient de verwijzingsrechter het desbetreffende geschilpunt opnieuw te behandelen. Verder is de verwijzingsrechter niet gebonden aan beslissingen die op de vernietigde beslissing voortbouwen. De vernietiging treft ook voortbouwende beslissingen, onverschillig of zij in dezelfde dan wel in een latere uitspraak zijn gegeven. Ook beslissingen die onverbrekelijk met de tenietgedane beslissing samenhangen, delen haar lot.

2.4

De vraag of en in hoeverre de verwijzingsrechter aan de beslissingen in de vernietigde uitspraak is gebonden, moet van geval tot geval door uitlegging van de vernietigde uitspraak en de beschikking van de Hoge Raad aan de hand van de gegrond bevonden cassatieklachten worden beantwoord. Dit geldt ook voor de beantwoording van de vraag of van voortbouwende beslissingen of van beslissingen die onverbrekelijk met de vernietigde beslissing samenhangen, sprake is.

2.5

De rechter naar wie de zaak na cassatie wordt verwezen, moet deze berechten in de stand waarin zij zich ten tijde van de vernietigde uitspraak bevond. Vernietiging door de Hoge Raad dient in beginsel niet ertoe gelegenheid voor een nieuwe instructie te scheppen.

2.6

In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het aan partijen voorts toegestaan desgewenst hun stellingen aan te passen (i) als de verwijzingsuitspraak heeft geleid tot een nieuwe ontwikkeling in het geding waarop de partijen niet eerder hebben kunnen inspelen of als (ii) sprake is van na de bestreden uitspraak gewijzigde feitelijke omstandigheden. Een beroep op feiten die zich na de vernietigde uitspraak hebben voorgedaan, mag slechts worden gedaan indien partijen daardoor de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden. De verwijzingsrechter moet feiten en omstandigheden als hiervoor aangeduid mede in zijn beoordeling betrekken.

Te verrekenen kosten

2.7

De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 23 februari 2018 geoordeeld dat de klacht over (het ontbreken van) de kosten van de vakantie in New York bij de te verrekenen bedragen (onderdeel 3 in het principale beroep) slaagt. Vast is komen te staan dat deze kosten inmiddels zijn verrekend, zodat deze klacht geen verdere bespreking behoeft.

Inboedel

2.8

Ten aanzien van de beslissing van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de verdeling van de inboedel (waartegen de vrouw in het principale beroep in onderdeel 5 een klacht heeft gericht) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Het hof overweegt daarover het volgende.

2.9

Zoals de man terecht heeft aangevoerd, is het geschil over de verdeling van de inboedelgoederen achterhaald door het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 10 mei 2017, dat kennelijk geen deel heeft uitgemaakt van de processtukken in cassatie. In dit vonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen:

“(…) 4.3. Ten aanzien van de verdeling van de inboedelgoederen zijn partijen ter zitting overeengekomen dat de vrouw op korte termijn van de goederen die zijn opgeslagen in de opslag AllSafe een inventarisatie laat opstellen door een deurwaarder. Vervolgens zal de vrouw de goederen die zij wenst te behouden vóór 1 juni 2017 meenemen en de overige

spullen in de opslag achterlaten. De man zal de huur van de opslag per 1 juni 2017 (mogen)

beëindigen en naar eigen goeddunken kunnen bepalen wat hij met de achtergelaten spullen

zal doen: behouden, weggeven of vernietigen. Met betrekking tot de piano hebben partijen

afgesproken dat die vooralsnog bij de man kan blijven staan totdat de vrouw andere

woonruimte heeft gevonden. Zolang de piano bij de man in huis staat betaalt de vrouw

hiervoor € 25,00 per week aan de man.

4.4.

Gelet op de regeling die partijen hebben getroffen (…) zal de voorzieningenrechter dienovereenkomstig beslissen.(…)”

2.10

Partijen hebben voormelde regeling zonder voorbehoud getroffen en er is geen hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof gaat daarom uit van de inhoud van dat vonnis. De vrouw heeft de stelling van de man dat uitvoering is gegeven aan hetgeen partijen zijn overeengekomen niet (voldoende) gemotiveerd betwist. Het hof zal daarom de (nadere) verzoeken van de vrouw strekkende tot verdeling van de inboedelgoederen afwijzen.

Verknochtheid

2.11

De Hoge Raad heeft bij de beoordeling van de klachten in cassatie over het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat de aanspraak van de man op zijn stamrecht-B.V. ter zake van de ontslagvergoeding van [C] N.V. als aan de man verknocht moet worden beschouwd (onderdeel 1 in het principale beroep) en dat de ontslagvergoeding van [E] niet verknocht is aan de man (het middel in het incidentele beroep) het volgende vooropgesteld.

“(…) 4.1.3 Art. 1:94 lid 3 (oud) BW bepaalde dat goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Bij de op 1 januari 2018 in werking getreden Wet van 24 april 2017, Stb. 2017, 177, tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, is deze regeling omtrent verknochtheid ongewijzigd opgenomen in het huidige art. 1:94 lid 5 BW (vgl. Kamerstukken II 2013/14, 33987, 6, p. 16). In dit geding is nog art. 1:94 lid 3 (oud) BW van toepassing.

4.1.4

Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art.1:94 lid 2 (oud) BW aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt (art. 1:94 lid 3 (oud) BW) afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vgl. HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141 en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292). Ook een aan een van de echtgenoten verstrekte (aanspraak op een) ontslagvergoeding, dan wel een aanspraak die hiervoor in de plaats treedt, kan verknocht zijn ingeval deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. In zodanig geval moet bij de beantwoording van de vraag of deze aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze niet in de gemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. In eerdere uitspraken heeft de Hoge Raad overeenkomstig dit uitgangspunt geoordeeld in een geval waarin een ontslagvergoeding als koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij was gestort (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41) en in een geval waarin een ontslagvergoeding was aangewend voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste B.V. (zie de eerder genoemde beschikking van HR 24 juni 2016).

4.1.5

Het zojuist genoemde uitgangspunt geldt ook indien een ontslagvergoeding die is uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering, noch is ondergebracht in een stamrecht-B.V. Anders dan kan worden afgeleid uit HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2025, NJ 1996/640, bestaat er onvoldoende grond om te oordelen dat de vergoeding dan geheel in de gemeenschap valt, ook voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zou zijn genoten. Voor dat gedeelte valt de vergoeding, voor zover het daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten is te identificeren, niet in de gemeenschap.

4.1.6

De hiervoor in 4.1.4 genoemde rechtspraak heeft betrekking op aanspraken strekkend tot vervanging van inkomen uit arbeid dat een echtgenoot bij voortzetting van zijn dienstbetrekking zou hebben genoten. Voor zover de aanspraak ertoe strekt te voorzien in inkomen na pensionering (‘oudedagsvoorziening’), valt deze – bij niet-toepasselijkheid van art. 1:94 lid 2, onder b, BW – in beginsel wel in de gemeenschap. Immers, anders dan aanspraken ter vervanging van inkomen dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap uit arbeid zou zijn genoten, dienen dergelijke pensioenaanspraken die tot uitkering komen na zodanige ontbinding, voor zover zij zijn opgebouwd tijdens het huwelijk, in beginsel mede tot verzorging van de andere echtgenoot.(…)”

principaal beroep van de vrouw: aanspraak stamrecht-BV (vergoeding [C] )

2.12

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de klacht van de vrouw, dat het hof de essentiële stelling van de vrouw had moeten onderzoeken dat de ontslagvergoeding en/of de aanspraken uit hoofde van de stamrechtovereenkomst altijd bedoeld zijn geweest als oudedagsvoorziening, slaagt. De Hoge Raad heeft hierbij overwogen: “ (…) Zoals kan worden afgeleid uit HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2295, NJ 2009/40, dient de aanspraak uit hoofde van de stamrechtovereenkomst zelfstandig – dus los van de ontslagvergoeding waaruit deze aanspraak is gefinancierd – op verknochtheid te worden beoordeeld. Uit de door het hof aangehaalde (hiervoor in 3.2.3 weergegeven) passage uit de stamrechtovereenkomst blijkt dat deze onder meer voorziet in periodieke uitkeringen nadat de man de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1.6 is overwogen, had het hof de stelling van de vrouw dat de ontslagvergoeding en/of de aanspraken uit hoofde van de stamrechtovereenkomst altijd bedoeld zijn geweest als oudedagsvoorziening, niet onbehandeld mogen laten. Indien die stelling juist is, zou dat immers tot het oordeel kunnen leiden dat de aanspraak van de man uit hoofde van de stamrechtovereenkomst in de gemeenschap valt.(…)” . Het hof moet na verwijzing dus onderzoeken waarvoor de ontslagvergoeding en/of de aanspraken uit hoofde van de stamrechtovereenkomst was/waren bedoeld.

2.13

Ook heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof had moeten onderzoeken in hoeverre de aanspraak jegens de stamrecht-BV ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Het hof moet ook dit dus na verwijzing onderzoeken.

2.14

Uit de stellingen van partijen na verwijzing volgt dat de hoogte van de ontslagvergoeding van € 720.800,- vast staat.

2.15

Volgens de vrouw is deze vergoeding primair bedoeld als pensioen/oudedagsvoorziening, zodat deze niet verknocht is aan de man. De vrouw acht de bewoordingen ‘termination agreement’ niet (heel) relevant, maar de bewoordingen en strekking van de stamrecht-overeenkomst wel. Daarin staat dat de vergoeding primair bedoeld is voor pensioen, zoals ook volgt uit de e-mails man. Zij concludeert dan ook dat de volledige uitkering niet verknocht is aan de man. Voorts maken volgens de vrouw vier maanden achterstallig salaris plus vakantiedagen deel uit van de ontslagvergoeding, deze zijn in elk geval niet verknocht.

Subsidiair gaat de vrouw ervan uit dat in elk geval 25% van € 720.800,- (nu € 816.171,-) aan te merken is als vergoeding voor te derven inkomen, en 75% als pensioenvoorziening, en meer subsidiair de aanspraak over de periode van september 2003 tot de datum van het echtscheidingsverzoek. De vrouw baseert dit op de periode van het einde van het dienstverband, september 2003, tot de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, 14 september 2012, en de periode daarna tot de pensioendatum van de man met 65 jaar,

1 november 2021.

2.16

Volgens de man is de vergoeding wel aan hem verknocht. De bedoeling van de ontslagvergoeding is het aanvullen van gederfd loon en een lumpsum voor verlies van toekomstig inkomen. De ‘termination agreement’ is bij uitstek het document om de strekking van de ontslagvergoeding vast te stellen en de bepalingen in de stamrechtovereenkomst zijn leidend voor de vraag of sprake is van verknochtheid. Voor wat betreft het onderscheid in de periode voor en na ontbinding van de huwelijksgemeenschap gaat de man uit van 108 maanden (einde dienstverband [C] per 15 september 2003 en ontbinding gemeenschap op 14 september 2012). Voorts gaat de man (na correctie ter zitting bij het hof) uit van een pensioenleeftijd van 66 jaar en 10 maanden; de totale periode waarop de ontslagvergoeding ziet bedraagt dan 240 maanden. Volgens de man valt daarom in de ontbonden huwelijksgemeenschap: 108/240ste deel van de bruto ontslagvergoeding van € 720.800,-, ofwel € 324.360.- bruto, waarvan dan de helft, € 162.180,-, voor de vrouw is. Verder is de stamrecht-BV gehouden 52% loonbelasting in te houden, zodat een bedrag van

€ 77.846,40 (€ 162.180 -/- € 84.333,60) netto resteert.

2.17

Het hof oordeelt ten aanzien van de bedoeling en strekking van de vergoeding van [C] N.V. (hierna [C] ) aan de man die als een stamrecht in [D] B.V. (hierna [D] ) is onder gebracht als volgt. In artikel 2 van de Termination Agreement, ondertekend op 15 respectievelijk 19 september 2003 door [C] en de man, staat dat [C] de man de lump sum van bruto € 720.800,- aanbiedt, “as a compensation for loss of (future) income and as a supplement to any unemployment or any benefits or any lower salary which [verweerder] may receive elsewhere.” In artikel 10 staat: “The pension obligations will be met inaccording with the Dutch Pension Act. The “final financing” (“affinanciering”) of the pension premiums due will take place at the termination date.”

De man heeft de ontslagvergoeding van [C] in 2003 ontvangen, en deze uitkering is gebruikt voor de aankoop van een stamrecht. Op 18 september 2003 is ook de stamrechtovereenkomst tussen de man en [D] , rechtsgeldig vertegenwoordigd door de man, gesloten. In artikel 1 van die overeenkomst staat dat het bedrag zal worden gestort op een bankrekening van [D] en door deze wordt aangemerkt als koopsom voor een recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon. Artikel 2 van de stamrechtovereenkomst bepaalt dat dit recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon voorziet in aan de man toekomende:

  1. Periodieke uitkeringen die ingaan in het jaar waarin de man de leeftijd van 65 jaar bereikt.

  2. Aanvullende periodieke uitkeringen, ingaande per 1 januari 2005, als aanvulling op het inkomen uit tegenwoordige arbeid, indien het inkomen uit tegenwoordige arbeid van de man niet hoger is dan € 75.000 (gemeten per ultimo van ieder kalenderjaar gedurende de periode vóór het bereiken van de 65 jarige leeftijd van de man). De totale aanvullende periodieke uitkering plus het inkomen uit tegenwoordige arbeid van de man bedraagt per jaar maximaal € 75.000,-.

  3. In periodieke uitkeringen die bij overlijden van de man ingaan en toekomen aan zijn echtgenote of geregistreerde partner of gewezen echtgenote of geregistreerde partner dan wel degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in de rechte lijn bestaat, of aan zijn kinderen of pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt.

In artikel 8 van de stamrechtovereenkomst is bepaald dat de uitkeringen ingevolge de toegekende aanspraken zullen worden beschouwd als loon.

Uit de door de man bij verweerschrift op toelichting na verwijzing overgelegde productie 5 volgt dat de man in 2005 € 62.500,- bruto als stamrechtuitkering van [D] heeft ontvangen. Verder heeft de man salarisspecificaties over de periode van 30 juni 2016 tot en met maart 2019 overgelegd waaruit volgt dat de man in die periode uitkeringen op grond van de stamrechtovereenkomst heeft ontvangen. Daarbij komt dat aanspraak is gemaakt op de zogenoemde stamrechtvrijstelling, ofwel uitstel van de heffing van loonbelasting. Ingevolge artikel 11a van de Wet op de Loonbelasting (hierna: Lb), zoals die voor 1 januari 2014 gold en nog steeds geldt voor bestaande aanspraken (Belastingplan 2014, Stb. 2013, 565), kan slechts van de stamrechtvrijstelling gebruik gemaakt worden indien en voor zover deze zien op te derven inkomen. De uitkeringen zijn dan ook onderhevig aan heffing van loonbelasting, hetgeen ook blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties. Slechts omdat de fiscus het destijds onwenselijk achtte dat uitkeringen uit een stamrecht tot in lengte van jaren vooruit werden geschoven, is als voorwaarde voor een stamrechtvrijstelling opgenomen dat er sprake moet zijn van een uitkering die uiterlijk ingaat bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat, indien er sprake zou zijn van een andersoortige voorziening, de stamrechtvrijstelling in dat geval niet van toepassing zou zijn, ook niet indien voor het deel dat wel is toegekend ter vervanging van gederfd of te derven loon.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de door [C] aan de man uitbetaalde vergoeding van € 720.800,- primair moet worden aangemerkt als een vergoeding voor gederfd, dan wel te derven inkomen.

2.18

Weliswaar schrijft de man in een e-mail aan de vrouw van 10 maart 2012, onder meer:

“(…) De stamrecht bv heb ik altijd gezien als onze pensioenvoorziening want veel aan pensioen heb ik in mijn werkzaam leven bij werkgevers niet opgebouwd. Je weet dat over de uitkering van de stamrecht bv er nog wel inkomstenbelasting verschuldigd is.(…)” (productie 38 van de man in eerste aanleg en productie 7 van de vrouw na verwijzing), en schrijft hij dit nog eens in een e-mail van 24 augustus 2012 (waarin hij ook wijst op de 52% belasting die bij uitkering betaald moet worden), maar naar het oordeel van het hof kan aan deze mails geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Dit gelet op het feit dat de man al in 2005, ten tijde van het huwelijk, gebruik heeft gemaakt van een aanvullende uitkering uit het stamrecht en krachtens artikel 11a Lb de uitkering uiterlijk met ingang van de pensioengerechtigde leeftijd moet worden uitgekeerd. De vrouw heeft ook geen nader gespecificeerd bewijs aangeboden van haar stellingen. Het vorenstaande brengt met zich dat voor zover de aanspraken zien op de uitkeringen uit het stamrecht en voor zover deze betrekking hebben op de huwelijkse periode, deze in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vallen en dus bij helfte moeten worden gedeeld. Het overige deel van de stamrechtaanspraken (dat ziet op de na-huwelijkse periode) wordt als aan de man verknocht aangemerkt. Uit de termination agreement, en ook uit andere stukken in het dossier kan het hof geen aanwijzingen afleiden voor een verdeling die ziet op gedeeltelijke toerekening aan gederfd inkomen en gedeeltelijke toerekening aan pensioen.

2.19

Nu het hof ervan uitgaat dat de ontslagvergoeding ziet op gederfd, dan wel te derven inkomen, behoeft de stelling van de vrouw dat in die vergoeding achterstallig salaris is begrepen, geen nadere bespreking.

2.20

Ten aanzien van de pensioendatum van de man oordeelt het hof als volgt. De leeftijd van 65 jaar in de stamrechtovereenkomst sluit aan op de toenmalige AOW-gerechtigde leeftijd van 65 jaar. Het hof acht het daarom aannemelijk dat de AOW-gerechtigdheid mede een overweging is geweest bij deze genoemde leeftijd. Sindsdien is echter de AOW-gerechtigde leeftijd omhoog gegaan.

De man, geboren [in] 1956, heeft gelet op de huidige wetgeving recht op AOW met 66 jaar en 10 maanden. Het hof acht daarom een pensioenleeftijd van de man van 66 jaar en 10 maanden reëel, en zal bij het berekenen van de “knip” ervan uitgaan dat het pensioen van de man [in] 2023 in gaat.

2.21

De vrouw heeft nog gesteld dat niet het bedrag van € 720.800,- in aanmerking moet worden genomen, maar het bedrag van € 816.171,-, zijnde de huidige waarde van de oorspronkelijke vergoeding. Het hof is van oordeel dat uit artikel 11a lid 1 sub a Lb volgt dat behaalde rendementen op de stamrechtuitkering eveneens tot het stamrecht behoren. Het hof zal dan ook uitgaan van het door de vrouw genoemde bedrag van € 816.171,-. Het hof baseert zich daarbij op voorlopige jaarstukken van [D] over 2012 (bijlage 9 bij de toelichting na verwijzing door de Hoge Raad van de vrouw). De man heeft deze waarde van de aanspraken niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist.

2.22

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de volgende berekening.

De periode van het einde dienstverband bij [C] tot aan de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap op 14 september 2012 bedraagt 108 maanden. De periode van datum einde dienstverband tot aan de datum van de pensioengerechtigde leeftijd van de man bedraagt 240 maanden. In de huwelijksgoederengemeenschap valt dan

108/240 x € 816.171,- = € 367.276,95 bruto. De helft hiervan komt aan de vrouw toe, te weten € 183.638,48 bruto.

2.23

Met betrekking tot de belastinglatentie overweegt het hof het volgende. De uitkeringen uit het stamrecht worden door de fiscus aangemerkt als loon. [D] is als beheerder bij uitkering uit het stamrecht verplicht de daarover verschuldigde loonbelasting in te houden en af te dragen aan de fiscus, een en ander conform de Wet op de Loonbelasting 1964. Het hof zal daarom, mede gelet op de omvang van de uitkering, rekening houden met een belastingdruk van 52%. Anders dan de vrouw stelt is hier geen sprake van een omzetting of vervreemding van het recht, maar van een uitkering ineens. Dat een ander belastingtarief toepasselijk zou zijn heeft de vrouw niet, althans onvoldoende onderbouwd. De man is daarom aan de vrouw € 88.146,47 verschuldigd.

2.24

De vrouw heeft nog een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid. Zij voert daartoe aan dat de strekking van stamovereenkomst is dat de rechten aan beide partijen toekomen en daarom geen onderscheid dient te worden gemaakt tussen de huwelijkse periode en de periode daarna en daarom slechts 25 % als vergoeding voor te derven inkomen dient te worden aangemerkt. Het hof is van oordeel dat de vrouw op dit punt haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd.

2.25

Wat betreft de lening die partijen in het verleden met [D] zijn aangegaan overweegt het hof dat hierover door het hof ’s-Hertogenbosch reeds een beslissing is genomen waartegen in cassatie geen middel is gericht. Ook hangt die beslissing niet onverbrekelijk met de tenietgedane beslissing samen. Dit brengt met zich dat hetgeen de vrouw thans daarover stelt en aanvoert niet andermaal besproken kan worden.

incidenteel beroep van de man: ontslagvergoeding [E]

2.26

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de klacht van de man slaagt tegen het oordeel van het hof (in rov. 3.9.2 van de tussenbeschikking van 10 juli 2014) dat de van [E] ontvangen ontslagvergoeding niet verknocht is, nu het daarmee gemoeide geldbedrag niet is ondergebracht in een stamrechtverzekering. De Hoge Raad heeft hierbij overwogen: “(…) Uit hetgeen hiervoor onder 4.1.5 is overwogen, volgt dat, ook als een ontslagvergoeding in de vorm van een geldbedrag ineens is ontvangen en dit bedrag niet wordt aangewend voor de aankoop van een stamrecht(verzekering), sprake kan zijn van verknochtheid in de zin van art. 1:94 lid 3 (oud) BW.(…)”

De man heeft in eerste aanleg bij brief van 1 mei 2013 (als bijlage 18) de zogenoemde ‘term sheet’ overgelegd, waarin mede op de ontslagvergoeding wordt ingegaan, en heeft bovendien in appel bij brief van 18 april 2014 (als bijlage 39) overgelegd een passage uit een concept-arbeidsovereenkomst met [E] die op de ontslagvergoeding betrekking heeft. De man heeft (zoals de Hoge Raad heeft overwogen) in de feitelijke instanties gemotiveerd gesteld dat de ontslagvergoeding nog in het te verdelen vermogen van partijen aanwezig is. Het hof dient na verwijzing aan de hand van deze stellingen en stukken te onderzoeken of de ontvangen ontslagvergoeding tot doel had het inkomen van de man aan te vullen tot zijn laatstgenoten salaris.

2.27

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de ontslagvergoeding [E] niet verknocht is aan de man. De man stelt hier tegenover dat de met [E] overeengekomen ontslagvergoeding (“oogmerk ter derving van inkomen”) mede bedoeld is voor eventueel verlies van (toekomstig) loon. Voor wat betreft de ontbindingsvergoeding van € 30.000,- die de kantonrechter heeft vastgesteld “voor aanvulling van te ontvangen uitkeringen dan wel elders verdiend loon” is deze volgens de man aan hem verknocht voor wat betreft het deel dat ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap.

2.28

Het hof oordeelt als volgt. Nu de kantonrechter in de beschikking van 19 maart 2008

bij het vaststellen van de ontbindingsvergoeding van € 30.000,- heeft overwogen dat deze is “voor aanvulling van te ontvangen uitkeringen dan wel elders verdiend loon”, valt deze in de huwelijksgemeenschap, behoudens voor wat betreft het deel dat ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Tussen partijen is niet in geschil dat deze vergoeding netto € 14.400,- bedraagt.

2.29

Voor wat betreft de contractuele ontslagvergoeding van € 262.000,- (bruto) blijkt uit de door de man overgelegde correspondentie het volgende. Door [E] en de man is destijds onderhandeld omtrent een arbeidsovereenkomst. De definitieve arbeidsovereenkomst is uiteindelijk nooit helemaal gereed gekomen, maar de kantonrechter heeft in de ontbindingsbeschikking van 6 juni 2005 geoordeeld dat tussen de man en [E] een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Het hof Amsterdam heeft in zijn arrest van 16 maart 2010 in de zaak tussen de man en [E] (kort en zakelijk weergegeven) voor recht verklaard dat tussen [E] en de man van 26 december 2004 tot 15 juni 2005 een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Daarbij heeft het hof overwogen dat de termsheet daarbij als basis van het dienstverband is aanvaard, en heeft de ontslagvergoeding van € 262.000,- (bruto) vastgesteld aan de hand van de in de termsheet opgenomen aanspraak van de man op een “severance payment”, waarbij rekening is gehouden met het (bruto) jaarsalaris en vakantiegeld, en de minimum bonus “profit share” (bruto).

De man heeft (na verwijzing door de Hoge Raad) bij het hof nog nader toegelicht en met salarisstroken (prod. 17 na verwijzing) onderbouwd dat hij de ontslagvergoeding ook daadwerkelijk heeft gebruikt en nog steeds gebruikt ter suppletie van zijn inkomen. Het ontslag bij [E] en de rechtszaken die daaruit zijn voortgevloeid hebben een negatieve invloed gehad op zijn reputatie. Daardoor heeft hij nadien geen vaste baan meer gehad maar incidentele opdrachten/werkzaamheden, die echter een veel lager inkomen genereerden dan zijn laatst verdiende inkomen bij [E] . De vrouw heeft dit niet gemotiveerd betwist.

2.30

Vast staat aldus dat de ontslagvergoeding dient als suppletie van te derven inkomen. Voor zover deze ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, is de vergoeding daarom in beginsel verknocht aan de man. De aan de man verknochte ontslagvergoedingen resulteren in een vergoedingsrecht van de man ten opzichte van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Daarbij zal het hof - anders dan de vrouw wenst - uitgaan van de netto vergoeding, omdat de verschuldigde belasting al is ingehouden alvorens de vergoeding aan de man is uitbetaald.

2.31

Het hof berekent dit als volgt:

De netto ontbindingsvergoeding van € 14.400 plus € 10.025,97 rente, vermeerderd met de netto contractuele ontslagvergoeding van € 194.554,67, inclusief rente, bedraagt in totaal € 218.980,64.

De periode vanaf de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, 15 juni 2005, tot de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, 4 september 2012 is (afgerond) 87 maanden; de periode vanaf die datum tot de pensioenleeftijd van de man, 1 september 2023, is 132 maanden. De totale periode waarvoor de vergoeding als suppletie strekt is aldus 219 maanden.

In de ontbonden huwelijksgemeenschap valt derhalve 87/219 deel van € 218.980,64, zijnde

€ 86.992,31. De helft hiervan, te weten € 43.496,15, komt toe aan ieder van partijen. Verknocht aan de man is 32/219 deel van de totale ontslagvergoeding, te weten € 131.988,32.

2.32

De vrouw heeft nog aangevoerd dat dit vergoedingsrecht niet (geheel) geldend kan worden gemaakt, omdat de desbetreffende bedragen niet meer volledig identificeerbaar aanwezig zijn. Het hof oordeelt op dit punt als volgt. Nu de huwelijksgemeenschap gelet op de voor verdeling vatbare banksaldi op het moment van de peildatum 1 januari 2012 ruimschoots voldoende vermogen bevat waaruit dit vergoedingsrecht kan worden voldaan, betekent dit dat de man dit vergoedingsrecht ook geldend kan maken.

2.33

Uit het voorgaande volgt dat de man recht heeft op vergoeding van € 131.988,32 vanuit de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Dit bedrag is immers ten onrechte in de verdeling betrokken. Omdat de gemeenschap inmiddels verdeeld is, heeft de man recht op vergoeding van de helft van € 131.988,32, ofwel € 65.994,16, (netto) door de vrouw.

2.34

Verrekening van hetgeen partijen over en weer aan elkaar verschuldigd zijn, betekent dat de man nog € 22.152,31 (€ 88.146,47 -/- € 65,994,16) aan de vrouw verschuldigd is. Deze verrekening brengt met zich dat van het uit het depot afkomstige bedrag (ad € 103.001,75), dat thans op de en/en bankrekening van partijen met nummer [00000] staat, de man aan de vrouw een bedrag dient te betalen van de helft van het depotbedrag, zijnde € 51.500,88 vermeerderd met voormelde € 22.152,31. Uit het depotbedrag dient aldus aan de vrouw € 73.653,19 te worden uitgekeerd en aan de man

€ 29.348,56.

2.35

De man heeft nog verzocht de vrouw te veroordelen om op eerste oproep van de man haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan de verdeling van het banksaldo op voornoemde rekening te verlenen en na uitbetaling van het saldo mee te werken aan de opheffing van die bankrekening, alsmede de man te machtigen om mede namens de vrouw al datgene te doen wat nodig is om te komen tot verdeling van het banksaldo en opheffing van de bankrekening, althans te bepalen dat de door het hof te geven beschikking dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte afkomstig van de vrouw, althans de vrouw te veroordelen om aan de man een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet haar medewerking aan deze veroordeling verleent.

2.36

De vrouw heeft hierop niet meer (gemotiveerd) gereageerd. Het hof zal daarom, mede gelet op de moeizame communicatie tussen partijen die uit de onderhavige rechtszaak blijkt, beslissen dat de vrouw op eerste verzoek van de man binnen een week dient mee te werken aan het ondertekenen van de benodigde bankformulieren, en, voor het geval de vrouw hieraan niet of niet tijdig voldoet, op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW de man als vertegenwoordiger aanwijzen en om dit namens de vrouw te doen.

3 De slotsom

in het principaal en incidenteel hoger beroep

3.1

Gelet op het voorgaande slagen de grieven 10 en 13 van de vrouw (deels), en grief V (deels) van de man. Voor het overige falen de grieven van beide partijen. Het hof zal beslissen zoals hierna wordt vermeld.

3.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

4.1

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juli 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

4.2

verstaat dat de uitgaven van de vakantie in New York tussen partijen verrekend zijn;

4.3

wijst de nadere vorderingen van de vrouw ter zake van de inboedel af;

4.4

stelt vast dat de man aan de vrouw ter zake van de stamrechtuitkering [C] een bedrag van € 88.146,47 netto verschuldigd is en dat de vrouw aan de man ter zake van de ontslagvergoeding [E] een bedrag van € 65.994,16 netto verschuldigd is;

4.5

veroordeelt de vrouw om, gelet op voormelde vaststellingen, binnen een week na een verzoek daartoe van de man haar handtekening te zetten op de benodigde bankformulieren om tot uitkering van € 73.653,19 aan de vrouw en € 29.348,56 aan de man van de en/en-rekening bij de [a-bank] met nummer [00000] over te gaan, een en ander overeenkomstig hetgeen hiervoor in 2.34 is overwogen, en vervolgens deze rekening op te heffen;

4.6

Indien de vrouw nalaat de voormelde medewerking te verlenen: wijst de man als vertegenwoordiger aan om (mede) namens de vrouw al datgene te doen dat nodig is om te komen tot bovenstaande verdeling van het banksaldo en opheffing van de voormelde en/en bankrekening van partijen met nummer [00000] ;

4.7

verklaart de voormelde veroordelingen en machtiging uitvoerbaar bij voorraad;

4.8

compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.9

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, M.H.H.A. Moes en W.D. Kolkman, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 12 mei 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.