Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3499

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
04-05-2020
Zaaknummer
200.241.320/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig gebruik derdengeldrekening door notaris en tekortschieten in de nakoming van afspraken ter zake van een particuliere ‘derdengeldrekening’. Dat daaruit schade is ontstaan, is echter niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.241.320/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 116239)

arrest van 28 april 2020

in de zaak van

1 [appellant1] B.V.,

gevestigd te [vestigingplaats] ,

hierna: [appellant1] BV,

2. [appellant2] B.V.,

gevestigd te [vestigingplaats] ,

hierna: [appellant2],

3. [appellant3] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisers in eerste aanleg,

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

hierna: [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. H.J. Bos en mr. D.H.S. Hulsewé, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

1 B.V. Notarispraktijk mr. [geïntimeerde1] ,

gevestigd te [vestigingplaats] ,

hierna: [geïntimeerde1],

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [vestigingplaats] ,

hierna: [geïntimeerde2],

gedaagden in eerste aanleg,

geïntimeerden in het principaal appel,

eisers in het incidenteel appel,

advocaat: mr. P. Wanders en mr. F. de Wolf, kantoorhoudend te Amsterdam,

3 Notarispraktijk mr. [geïntimeerde3] B.V.,

gevestigd te [vestigingplaats] ,

hierna: [geïntimeerde3],

4. Notariaat 't Suydevelt B.V.,

gevestigd te Emmen,

hierna: notariaat 't Suydevelt,

gedaagden in eerste aanleg,

geïntimeerden in het principaal appel,

advocaat: mr. M.J. Elkhuizen, kantoorhoudend te Amsterdam.

alle tezamen te noemen: [geïntimeerden1 t/m 4] c.s.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Na het tussenarrest van 1 oktober 2019 heeft op 2 maart 2020 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Een kopie van het verslag dat daarvan is opgemaakt (het proces-verbaal) is aan het dossier toegevoegd. De zaak is toen naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [geïntimeerden1 t/m 4] c.s. [geïntimeerden1 t/m 4] c.s. hebben daarna alsnog afgezien van hun recht voorafgaand aan dit arrest te reageren op de producties die [appellanten c.s.] ten tijde van de zitting nog bij akte hebben overgelegd in het principaal c.q. als bijlagen bij hun memorie van antwoord in het incidenteel appel. Daarna is bepaald dat het hof arrest zal wijzen op grond van het met dat verslag aangevulde dossier, inclusief deze nieuwe bijlagen. Het hof is tot de conclusie gekomen dat partijen er geen belang bij hebben nog in een akte op die bijlagen te reageren.

2 Waar gaat deze procedure over?

2.1

Dit geschil draait om de verkoopopbrengst van een bedrijfspand van [appellanten c.s.] van een miljoen euro. Dat geld heeft [geïntimeerde2] in opdracht van [appellant3] via de derdengeldrekening van de toenmalige maatschap ('t Suydevelt) van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde3] doorgeboekt naar twee andere bankrekeningen. Aan die rekeningen is dat geld vervolgens op onrechtmatige wijze onttrokken. Het verwijt aan [geïntimeerden1 t/m 4] c.s. richt zich in essentie tegen [geïntimeerde2] , die zou hebben meegewerkt aan deze 'Ponzifraude', en die in ieder geval bij de transacties niet aan zijn zorgplicht zou hebben voldaan. Dit alles heeft de volgende achtergrond.

2.2

[appellant3] is enig bestuurder en aandeelhouder van [appellant1] en indirect bestuurder en aandeelhouder van [appellant2] . In 2014 is het bedrijfspand van [appellant2] verkocht. De opbrengst daarvan wilde [appellant3] beleggen. Hij heeft daarover contact gehad met mevrouw [C] . Zij was toen bestuurder van TB Belastingadviseurs BV (hierna: TB BV) Ook was zij bestuurder van de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs (hierna: Stichting TB). Deze stichting was kort voor de verkoop van het pand opgericht. De oprichtingsakte is verleden door [geïntimeerde2] , en zijn kantooradres is ook het adres van de stichting.

2.3

In de loop van 2014 heeft [C] aan [appellant3] een voorstel gedaan voor het beleggen van de opbrengst van het bedrijfspand. De helft (vijf ton) zou worden belegd in of geleend aan ProAktiv Holding AG, een Zwitserse investeringsvennootschap die op

1 april 2014 was opgericht. De andere helft zou op de 'derdengeldrekening' (in feite gewoon: de bankrekening) van Stichting TB worden gestort. De stichting zou dat bedrag dan op haar eigen rekening of een door haar gecontroleerd special purpose vehicle (SPV) laten staan en het 'buiten elke risicosfeer' houden. Uitgangspunt daarbij was zowel voor [appellanten c.s.] als voor [geïntimeerde2] dat de toestemming van [geïntimeerde2] was vereist voor doorboekingen vanaf deze 'derdengeldrekening'. Met het oog daarop heeft [geïntimeerde2] SNS Bank gevraagd zorg te dragen voor een tweehandtekeningensysteem voor betalingen door de Stichting TB en [geïntimeerde2] toe te voegen als rechtsgeldig vertegenwoordiger.

2.4

Op 3 juli 2014 heeft de overdracht van het bedrijfspand van [appellanten c.s.] plaatsgevonden. De akte is gepasseerd door notaris [notaris] . Nadat deze had geweigerd de koopsom rechtstreeks door te boeken naar ProAktiv en de Stichting TB, is de koopsom op verzoek van [appellant3] overgemaakt naar de derdengeldrekening van maatschap

't Suydevelt, die toen bestond uit de praktijkvennootschappen van notarissen [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] . [appellant3] heeft [geïntimeerde2] die dag verzocht met spoed vijf ton over te maken naar de Volksbank, t.b.v. het investeringsvehikel ProAktiv (een kortlopende lening) en een gelijk bedrag naar de 'derdengeldrekening' van Stichting TB. De volgende dag heeft [geïntimeerde2] aan dat verzoek voldaan.

2.5

Tien dagen later, op 14 juli 2014, heeft ProAktiv in totaal vijf ton overgemaakt aan verschillende derden, veelal onder vermelding van "repayment loan". Weer een dag later heeft ook de Stichting TB bijna vijf ton overgemaakt aan TB BV, die het geld eveneens aan derden heeft doorbetaald. TB BV is een jaar nadien failliet verklaard.

2.6

[appellanten c.s.] , die niets van het door hen belegde geld hebben teruggekregen, hebben gevorderd dat de rechtbank vaststelt (voor recht verklaart) dat [geïntimeerden1 t/m 4] c.s. toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hen en/of dat [geïntimeerden1 t/m 4] c.s. onrechtmatig, althans onzorgvuldig en in strijd met de redelijkheid en billijkheid hebben gehandeld. Ook is gevorderd dat [geïntimeerden1 t/m 4] c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de door [appellanten c.s.] geleden en te lijden schade, die dan in een opvolgende 'schadestaatprocedure' zal moeten worden vastgesteld.

2.7

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [geïntimeerde2] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tussen hem en [appellanten c.s.] , maar zonder verwijzing naar de schadestaatprocedure. De vordering tegen [geïntimeerde3] en [geïntimeerde1] , en ook tegen notariaat 't Suydevelt, is afgewezen.

2.8

In dit hoger beroep komen [appellanten c.s.] op tegen de beslissing de zaak niet naar de schadestaat te verwijzen (het zogenoemde principaal hoger beroep). [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] hebben van hun kant 'incidenteel' hoger beroep ingesteld tegen de beslissing dat [geïntimeerde2] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tussen [geïntimeerde2] en [appellanten c.s.]

3 Wat is het oordeel van het hof?

Een processueel punt: [geïntimeerde1] heeft geen belang bij het door haar ingestelde hoger beroep

3.1

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [geïntimeerde2] (en niet ook [geïntimeerde1] ) in de nakoming van de overeenkomst met [appellanten c.s.] is tekortgeschoten. [geïntimeerde1] heeft daarom geen belang bij een tegen die beslissing gericht hoger beroep. Het hof zal deze partij niet-ontvankelijk verklaren.

Het hof zal hierna geen onderscheid maken tussen de positie van de eisers, maar wel tussen die van de gedaagden

3.2

De rechtbank heeft geen onderscheid gemaakt tussen [appellant3] , [appellant1] en [appellant2] in hun positie van eisers. In dit hoger beroep is in de discussie tussen partijen een dergelijk onderscheid ook niet gemaakt. Het hof zal hen daarin om die reden volgen. Hierna zal echter wel blijken dat aan de kant van de gedaagde partijen onderscheid moet worden gemaakt tussen (praktijk) [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] en notariaat 't Suydevelt.

[geïntimeerde2] had het op zijn eigen derdengeldrekening gestorte bedrag niet mogen doorboeken

3.3

Zoals [geïntimeerde2] ter zitting ook heeft erkend, heeft hij in strijd gehandeld met artikel 25 lid 1 Wet op het Notarisambt door de notariële derdengeldrekening te gebruiken voor de doorbetalingen aan ProActiv en Stichting TB. Die rekening is immers bestemd voor gelden die [geïntimeerde2] in verband met zijn werkzaamheden als notaris onder zich neemt. In dit geval gaat het om de verkoopopbrengst van een transactie waar [geïntimeerde2] als notaris helemaal niet bij betrokken is geweest. Als dat wel het geval zou zijn, dan zou hij de koopsom na aftrek van kosten op grond van artikel 1 van het Reglement beperking uitbetaling derdengelden alleen hebben mogen betalen aan een collega of aan degene die als verkopende partij bij de transportakte is opgetreden. Dat was hier [appellant2] . [notaris] heeft dienovereenkomstig gehandeld. Deze regel en de achtergrond ervan (de bestrijding van malafide praktijken) staan eraan in de weg dat de notariële derdengeldrekening van een niet bij de eigendomsoverdracht betrokken notaris wordt gebruikt voor betalingen die de wel betrokken notaris op goede gronden heeft geweigerd. Het verzoek van [appellanten c.s.] om geld van de notariële derdenrekening van [geïntimeerde2] door te boeken naar rekeningen van ProAktiv en Stichting TB had [geïntimeerde2] dan ook moeten weigeren; [appellanten c.s.] stellen zich terecht op het standpunt dat hij deze gelden had moeten terugstorten of had moeten overboeken op de bankrekening van de verkopende partij, [appellant2] . Door toch aan het verzoek van [appellanten c.s.] te voldoen, heeft [geïntimeerde2] niet gehandeld in overeenstemming met de eisen die aan een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris kunnen worden gesteld.

[geïntimeerde2] heeft ook verzuimd het op de rekening van Stichting TB gestorte geld 'buiten elke risicosfeer' te houden

3.4

Volgens [appellanten c.s.] is een beheerovereenkomst die hij met [C] heeft gesloten op 26 juni 2014 op het kantoor van [geïntimeerde2] met deze notaris besproken. Of dat inderdaad zo is ( [geïntimeerde2] zegt zich het niet te kunnen herinneren) is voor de beoordeling in zoverre niet van belang, dat [geïntimeerde2] wel heeft meegewerkt aan de uitvoering van die overeenkomst, door gelden van zijn derdengeldrekening over te boeken op de rekening van de stichting TB (zie hiervoor). Verder is hij ervan uitgegaan dat hij op grond van de met [appellanten c.s.] gemaakte afspraken in dat laatste geval de overgeboekte gelden 'buiten elke risicosfeer' diende te houden door ervoor te zorgen dat over het saldo op de 'derdengeldrekening' van die stichting alleen met zijn toestemming kon worden beschikt. Vast staat echter dat het volledige van [appellanten c.s.] afkomstige saldo op die rekening buiten hem om kon worden doorgeboekt naar TB BV en vervolgens weer naar derden. Daarmee is [geïntimeerde2] tekortgeschoten in de op hem tegenover [appellanten c.s.] rustende contractuele verplichting ter zake (zijn rol als toezichthouder).

3.5

Afgezien van het voorgaande is onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde2] op grond van de gemaakte afspraken [appellanten c.s.] erop moest wijzen dat noch hijzelf (of de maatschap) noch enige andere partij over een vermogensbeheervergunning beschikte of dat de op hem rustende zorgplicht andere waarschuwings-, informatie- of onderzoeksverplichtingen meebracht. Meer in het bijzonder is niet onderbouwd dat hij onderzoek had moeten doen naar de gegoedheid van enige van de partijen aan wie betalingen werden gedaan. Een dergelijke verplichting blijkt ook niet uit de tekst van de beheerovereenkomst waar [appellanten c.s.] zich op beroepen.

De stelling van [appellanten c.s.] dat (praktijk) [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] en (of) maatschap 't Suydevelt onrechtmatig hebben gehandeld, is niet aannemelijk gemaakt

3.6

Volgens [appellanten c.s.] heeft [geïntimeerde2] in strijd met een veelvoud van geschreven en ongeschreven regels een faciliterende rol gespeeld door een façade van notariële betrouwbaarheid te creëren (door de 'vertrouwenwekkende mantel van het notariaat' te dragen) bij de malafide praktijken van [C] en anderen. Daarmee zou [geïntimeerde2] ook onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [appellanten c.s.] Zij hebben daarbij het oog op het feit dat in de oprichtingsakte van Stichting TB een verwijzing voorkomt naar de regels voor het notariaat, dat [geïntimeerde2] als beheerder (later als bestuurder) van Stichting TB is opgetreden en het feit dat die stichting op zijn praktijkadres was gevestigd. Deze feitelijkheden zijn zonder verdere inbedding echter onvoldoende om als onrechtmatig handelen te kunnen worden aangemerkt. Die inbedding ontbreekt. Tegen het verwijt van [appellanten c.s.] . spreekt bovendien dat [geïntimeerde2] SNS Bank wel degelijk heeft verzocht zorg te dragen voor een tweehandtekeningensysteem voor betalingen door de Stichting TB en hem toe te voegen als rechtsgeldig vertegenwoordiger. Dat wijst erop dat hij betalingen vanaf de rekening van Stichting TB wilde controleren en die niet uitsluitend aan [C] wilde overlaten.

3.7

De vereiste inbedding kan ook niet gevonden worden in andere, door [appellanten c.s.] als feiten aangedragen omstandigheden. Daarbij gaat het om de rol die [geïntimeerde2] zou hebben gespeeld bij Banco San Marino, ProAktiv en Manhattan Investments AG. Concrete feiten en omstandigheden die zouden kunnen wijzen op een rol van [geïntimeerde2] bij frauduleuze activiteiten rond die bedrijven zijn niet gesteld, laat staan dat daarvan (specifiek) bewijs is aangeboden. [geïntimeerde2] bestrijdt weliswaar niet dat [C] hem in april 2014 persoonlijk vijf ton aan beleggingsgeld in het vooruitzicht heeft gesteld waarmee hij vervolgens kon doen wat hij wilde, maar hij ontkent tegelijkertijd dat hij daar op enigerlei wijze op is ingegaan. Dat [geïntimeerde2] dat tegen beter weten in ontkent, staat niet vast en ook daar is geen bewijs van aangeboden. Tot slot is van belang dat [geïntimeerde2] , naar onweersproken door [geïntimeerde2] ter zitting van het hof is gesteld, in het lopende strafvorderlijke onderzoek naar strafbare feiten rondom [C] en anderen slechts verdacht wordt van valsheid in geschrift, en niet van oplichting of iets dergelijks. Dat die valsheid (waarvan verdere details ontbreken) opzettelijk is verricht ter facilitering van de frauduleuze praktijken van [C] , is niet onderbouwd.

3.8

Voor zover [appellanten c.s.] hebben bedoeld dat ook [geïntimeerde1] , [geïntimeerde3] of de oude maatschap actief betrokken is geweest bij enig onrechtmatig handelen, is dat nog minder onderbouwd dan het desbetreffende verwijt aan [geïntimeerde2] . Wat [geïntimeerde1] betreft is niets anders aangevoerd dan dat [geïntimeerde2] namens zijn praktijkvennootschap heeft gehandeld. Daarop wordt hierna ingegaan. De aansprakelijkheid van [geïntimeerde3] volgt niet uit het enkele door [appellanten c.s.] gestelde feit dat notaris [geïntimeerde3] [C] mogelijk ooit heeft ontmoet, en dat bij de transacties gebruik is gemaakt van de derdengeldrekening van de maatschap waarvan [geïntimeerde3] een van de maten was. Ten aanzien van die maatschap ontbreekt het geheel aan onderbouwing. Anders dan [appellanten c.s.] aanvoeren, ligt de stelplicht en de bewijslast ter zake niet bij [geïntimeerde3] , maar rust deze op hun eigen schouders.

3.9

Tegen de impliciete afwijzing van dat deel van de gevraagde verklaring voor recht dat ziet op onzorgvuldigheid en schending van de redelijkheid en billijkheid (wat daarmee ook is bedoeld) is geen bezwaar gemaakt. Die beslissing hoeft daarom niet verder te worden besproken.

[geïntimeerde1] en de maatschap zijn niet aansprakelijk voor schade die uit deze tekortkomingen is voortgevloeid

3.10

De rechtbank is ervan uitgegaan dat de opdracht door [appellanten c.s.] is verstrekt aan [geïntimeerde2] zelf, nu (i) [geïntimeerde2] [appellanten c.s.] niet heeft laten weten dat de opdrachten zouden worden uitgevoerd binnen zijn praktijkvennootschap, (ii) geen algemene voorwaarden van die praktijkvennootschap ter hand zijn gesteld, (iii) [geïntimeerde2] de door [appellanten c.s.] gewenste betalingen heeft uitgevoerd, en (iv) de rol van de praktijkvennootschap door [appellanten c.s.] op geen enkele wijze is belicht. In dat laatste is in hoger beroep geen verandering gekomen: in de grieven beperken [appellanten c.s.] zich tot de constatering dat (een maatschap en) een BV geen handjes en geen mond hebben en niet kunnen handelen of praten zonder daarbij vertegenwoordigd te worden door iemand van vlees en bloed. De toevoeging dat [geïntimeerde2] als notaris handelde namens de praktijkvennootschap, moet het daarmee opnieuw zonder onderbouwing stellen. [appellanten c.s.] maken zelfs geen keuze tussen de twee alternatieve opties die zij aandragen: dat [geïntimeerde2] heeft gehandeld voor zijn praktijkvennootschap of voor de maatschap. Daarom kunnen zij noch in het ene noch in het andere standpunt worden gevolgd. Uit de wel aangevoerde omstandigheden volgt niet dat [geïntimeerde2] (op basis van toereikende volmacht) in naam en voor rekening van die maatschap of namens die vennootschap heeft gehandeld.

Er kan niet van worden uitgegaan dat notariaat 't Suydevelt enige vordering op [geïntimeerde2] of [geïntimeerde1] heeft overgenomen

3.11

[appellanten c.s.] voeren aan dat uit de inschrijving in het handelsregister van de KvK blijkt dat de onderneming van maatschap 't Suydevelt na het defungeren van [geïntimeerde2] is voortgezet door notariaat 't Suydevelt (BV). Zij leiden daaruit af dat ook latente schadeverplichtingen aan [appellanten c.s.] door die vennootschap zijn overgenomen.

3.12

Omdat het hof niet uitgaat van enige aansprakelijkheid van [geïntimeerde1] , hebben [appellanten c.s.] bij deze stelling in zoverre geen belang. Dat enige vordering op [geïntimeerde1] is overgenomen, wordt bovendien gemotiveerd bestreden, en blijkt ook nergens uit - ook niet uit de schuldenpositie op de openingsbalans van notariaat 't Suydevelt. Dat laatste is in de memorie van grieven van [appellanten c.s.] wel aangevoerd, maar bij gelegenheid van het pleidooi is dat argument door diezelfde partij naar de prullenbak verwezen met de opmerking dat een betwiste vordering uiteraard niet in de openingsbalans wordt opgenomen. Anders dan [appellanten c.s.] aanvoeren, ligt de bewijslast ter zake niet bij 'notariaat 't Suydevelt; die rust op hun eigen schouders. Daar komt bij dat van de ingevolge artikel 6:155 BW vereiste toestemming niets is gebleken.

3.13

Als [appellanten c.s.] hebben bedoeld het standpunt in te nemen dat enige vordering van [appellanten c.s.] op [geïntimeerde2] zelf door notariaat 't Suydevelt is overgenomen, dan strandt dat standpunt bij gebrek aan onderbouwing.

De mogelijkheid dat [appellanten c.s.] schade hebben geleden, is niet aannemelijk geworden

3.14

De vraag of de mogelijkheid aannemelijk is dat [appellanten c.s.] als gevolg van de hiervoor besproken tekortkomingen schade hebben geleden, komt neer op de vraag wat zou zijn gebeurd als van die tekortkomingen geen sprake was geweest.

3.15

Voor de eerste tekortkoming (de doorboeking naar ProAktiv en Stichting TB) geldt, dat aannemelijk is dat [appellanten c.s.] uiteindelijk zelf voor betaling aan die partijen zouden hebben gezorgd. Zij hebben immers kort voor de overboeking die [geïntimeerde2] heeft gedaan aan [notaris] gevraagd de koopsom direct door te boeken, en hebben geen overtuigend argument aangedragen voor hun stelling dat de tussenkomst van [geïntimeerde2] als toezichthouder daarbij uiteindelijk doorslaggevend is geweest.

3.16

Wat de tweede tekortkoming betreft: evenmin is aannemelijk dat de doorbetaling vanaf de rekening van Stichting TB aan TB BV niet zou hebben plaatsgehad als [geïntimeerde2] zijn rol als toezichthouder deugdelijk had vervuld (als hij had kunnen weigeren). Niet aannemelijk is namelijk dat [geïntimeerde2] in dat geval van deze bevoegdheid gebruik zou hebben gemaakt. Onbestreden is immers dat [appellant3] zelf toestemming heeft gegeven tot overboeking van vijf ton op de rekening van TB BV (productie 8 bij conclusie van dupliek, waarvan de inhoud door [appellant3] ter zitting bij het hof als juist is erkend). Dat en waarom [geïntimeerde2] hem daarin niet zou hebben gevolgd, ziet het hof niet in. Ter zitting in hoger beroep is door [appellanten c.s.] nog aangevoerd dat de situatie na de gegeven toestemming wijzigde, en dat de afspraak was dat voor het geld polissen zouden worden gekocht. Afgezien van de vraag wat [appellanten c.s.] hiermee nu precies hebben bedoeld (polissen kopen rechtstreeks ten laste van de rekening van Stichting TB?) geldt dat deze stelling te laat is opgeworpen en bovendien van geen enkele onderbouwing is voorzien, hoewel daartoe na de conclusie van dupliek ruim de gelegenheid heeft bestaan.

De conclusie

3.17

Het vonnis waartegen [appellanten c.s.] (in het principaal hoger beroep) en (praktijk) [geïntimeerde1] (in het incidenteel hoger beroep) in beroep zijn gekomen, zal worden bekrachtigd, met niet-ontvankelijkheidverklaring van [geïntimeerde1] in het incidenteel hoger beroep. [appellanten c.s.] zullen in het principaal hoger beroep in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld, en (praktijk) [geïntimeerde2] in de kosten van het incidenteel hoger beroep (tariefgroep VIII, 2 punten respectievelijk 1 punt).

De beslissing

Het hof verklaart [geïntimeerde1] niet-ontvankelijk in het incidenteel hoger beroep.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland in Assen van

14 februari 2018 en veroordeelt [appellanten c.s.] enerzijds en [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] anderzijds in de kosten van het principaal respectievelijk het incidenteel hoger beroep. Tot aan deze uitspraak worden die kosten vastgesteld op:

- aan de kant van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] in het principaal hoger beroep: € 760,- aan verschotten en op € 11.002,- aan salaris;

- aan de kant van [geïntimeerde3] en notariaat 't Suydevelt in het principaal hoger beroep: € 726,- aan verschotten en op € 11.002,- aan salaris;

- aan de zijde van [appellanten c.s.] in het incidenteel hoger beroep: nihil aan verschotten en op € 5.501,- aan salaris.

Deze kosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na de datum van dit arrest. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten na het verstrijken van die termijn verhoogd met de wettelijke rente.

Het hof veroordeelt zowel [appellanten c.s.] als [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] ook tot betaling van € 157,- aan nakosten. Dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,-- als die partijen niet hebben betaald binnen veertien dagen na aanschrijving en betekening van deze uitspraak. Als na die aanschrijving en betekening niet is betaald, dan worden deze kosten na ommekomst van genoemde termijn verhoogd met de wettelijke rente.

Ten aanzien van de proceskostenveroordelingen is deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. Wat verder is gevorderd, wordt afgewezen.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, W.P.M. ter Berg en M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

28 april 2020.