Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3464

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
13-05-2020
Zaaknummer
200.266.445
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Primaire verzoek verwijdering registraties IR en EVR afgewezen. Bij hypotheekaanvraag vervalst overzicht verstrekt. Subsidiaire verzoek beperking duur registraties ook afgewezen. Uiterlijke duur registraties niet disproportioneel. Artikel 21 AVG

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.266.445

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 350368)

beschikking van 28 april 2020

inzake

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. H.F.A. Notenboom,

tegen:


de naamloze vennootschap

ABN AMRO Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,
in eerste aanleg: verweerster,

hierna: ABN AMRO,

advocaat: mr. J.W. Achterberg.

1 De procedure bij de rechtbank

Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van 24 juni 2019, die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gegeven.

2 De procedure bij het gerechtshof

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 19 september 2019;
- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 5 november 2019, van ABN AMRO;
- het V6-formulier met producties 3 tot en met 6 van mr. Notenboom van 26 februari 2020;
- het V6-formulier met productie 7 van mr. Notenboom van 9 maart 2020.

2.2

Op 16 maart 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij [appellante] is verschenen, bijgestaan door mr. Notenboom. Namens ABN AMRO is mr. Achterberg verschenen. Ter zitting hebben mr. Notenboom en mr. Achterberg spreekaantekeningen overgelegd. Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald.

3 De feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.5 van de beschikking van 24 juni 2019.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

kern van de zaak
4.1 ABN AMRO heeft [appellante] eind 2016 een hypothecaire lening verstrekt voor de aankoop en verbouwing van een woning. Op 21 december 2018 heeft ABN AMRO [appellante] opgenomen in het Incidenten Register (hierna: IR) en het Externe Verwijzigingsregister (hierna: EVR) voor de maximale duur van 8 jaar. ABN AMRO heeft vervolgens de bancaire relatie met [appellante] opgezegd, de hypothecaire lening opgeëist en de executoriale verkoop van de woning in gang gezet. ABN AMRO is hiertoe overgegaan omdat haar is gebleken dat bij de hypotheekaanvraag vanaf het e-mailadres van [appellante] een vervalst fiscaal overzicht van de bankrekening van [appellante] bij Lloyds Bank is verstrekt. Het fiscaal overzicht gaf op 31 december 2015 een eindsaldo van € 121.014,86 weer, terwijl het originele fiscaal overzicht van 31 december 2015 een eindsaldo van
€ 11.014,86 vermeldt. [appellante] heeft erkend dat het fiscaal overzicht is vervalst, maar heeft betwist dat zij het overzicht heeft vervalst en dat dit door haar aan ABN AMRO per e-mail is verzonden.
procedure bij de rechtbank
4.2 [appellante] heeft de rechtbank – samengevat – verzocht om ABN AMRO te bevelen binnen twee werkdagen na de beschikking de persoonsgegevens van [appellante] te verwijderen uit het IR en EVR, subsidiair de duur van de registraties te beperken tot één jaar, dan wel een door de rechter te bepalen periode, met bevestiging door ABN AMRO van deze verwijdering dan wel beperking van duur aan [appellante] en aan derden aan wie mededelingen over de registraties zijn gedaan, op straffe van een dwangsom. Daarnaast heeft [appellante] verzocht ABN AMRO te veroordelen in de proceskosten.

4.3

De rechtbank heeft overwogen dat moet worden aangenomen dat [appellante] een vervalst overzicht heeft opgestuurd aan ABN AMRO en geoordeeld dat sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld dat [appellante] gebruik heeft gemaakt van een vervalst geschrift, een als strafbaar feit te kwalificeren gedraging. De rechtbank heeft vervolgens het primaire verzoek afgewezen, omdat – kort weergegeven – de belangen van [appellante] bij de verwijdering van haar persoonsgegevens niet zwaarder wegen dan de gerechtvaardigde belangen van ABN AMRO bij handhaving daarvan. Ook het subsidiaire verzoek is afgewezen, omdat volgens de rechtbank de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) noch de Uitvoeringswet AVG grondslag biedt voor de beperking in duur van de registratie.

toetsingskader
4.4 Het toetsingskader dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.1 t/m 4.4 van de beschikking van 24 juni 2019 heeft gehanteerd, is door partijen terecht niet bestreden zodat ook het hof dit als uitgangspunt neemt. Kort gezegd geldt dat het verzoek tot verwijdering van de gegevens in het IR en EVR dient te worden beoordeeld aan de hand van de AVG. In artikel 21 lid 1 AVG is bepaald dat een betrokkene te allen tijde het recht heeft om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder e en f AVG. Op grond van artikel 17 lid 1 aanhef en onder c en d AVG heeft de betrokkene recht op wissing van hem betreffende persoonsgegevens indien de betrokkene overeenkomstig artikel 21 lid 1 AVG bezwaar maakt tegen de verwerking en er geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking zijn, of wanneer de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Volgens artikel 6 lid 1 aanhef en onder f is de verwerking rechtmatig indien en voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. Daarbij geldt dat moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt mee dat de inbreuk op de belangen van de betrokkenen niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel, en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt.

4.5

Voorts dient bij de registraties in het IR en EVR het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: het protocol) tot uitgangspunt te worden genomen. In het protocol is nader geconcretiseerd in welke gevallen gegevens mogen worden opgenomen en opgenomen mogen blijven in het IR van de aangesloten financiële instelling. Het IR en het daaraan gekoppelde EVR hebben tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van veiligheid en integriteit van de financiële sector. Om gegevens te registeren moet het gaan om een gedraging die een benadeling (IR) dan wel bedreiging (EVR) vormt voor de belangen van de financiële instellingen dan wel de continuïteit en integriteit van de financiële sector.

verzoek verwijdering registraties IR en EVR
4.6 Het hof wijst het primaire verzoek tot verwijdering van de persoonsgegevens van [appellante] in het IR en EVR af en neemt het oordeel van de rechtbank op dit punt over. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat vast is komen te staan dat [appellante] een vervalst fiscaal overzicht aan ABN AMRO heeft verstrekt. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellante] (wederom) erkend dat het fiscaal overzicht van haar bankrekening bij Lloyds Bank, dat in het kader van haar hypotheekaanvraag aan ABN AMRO is verstrekt, is vervalst. [appellante] heeft weliswaar weersproken dat zij het vervalste overzicht heeft opgemaakt en dat zij dit overzicht zelf vanaf haar e-mailadres aan ABN AMRO heeft verzonden, maar ook in hoger beroep heeft [appellante] nagelaten deze stellingen nader te onderbouwen. [appellante] heeft ABN AMRO laten geloven dat zij over
€ 110.000,- meer aan eigen middelen beschikte dan feitelijk het geval was, dit kennelijk om in aanmerking te komen voor de aangevraagde hypothecaire lening. Deze gedraging leidt zonder meer tot benadeling en bedreiging van de belangen van de financiële sector en levert een zwaarwegend belang op aan de zijde van ABN AMRO om [appellante] in het IR en EVR te registeren. [appellante] heeft aangevoerd dat haar belangen bij verwijdering van de registraties zwaarder dienen te wegen, mede omdat de registraties haar in de uitoefening van haar beroep als accountant in de weg staan. [appellante] stelt dat zij voornamelijk werkzaam is bij financiële instellingen en dat deze instellingen bij het raadplegen van de systemen de melding van haar in het IR en EVR tegenkomen. Het incident is echter zo ernstig, juist voor iemand die accountant is, dat de registraties zijn gerechtvaardigd en dat dit dus ook de nadelige gevolgen rechtvaardigt die [appellante] kan ondervinden in haar werk als accountant. [appellante] heeft daarnaast aangevoerd dat zij geen nieuwe financiering zal verkrijgen zolang de registraties worden gehandhaafd. Ook deze omstandigheid leidt niet tot een ander oordeel. Verder is niet gebleken dat [appellante] in woningnood verkeert, aangezien [appellante] op dit moment woont in een (andere) woning die zij in eigendom heeft. Voorts ligt het in de lijn der verwachting dat [appellante] op korte termijn door de gemeente verder geholpen kan worden met het openen van een basisrekening, zodat de registraties op dit punt evenmin een belemmering vormen voor [appellante] om te kunnen deelnemen aan het financiële verkeer. De door [appellante] aangevoerde belangen en omstandigheden zijn, afzonderlijk maar ook in onderlinge samenhang bezien, voor het hof onvoldoende om tot een andere afweging te komen dan de rechtbank. Aangezien [appellante] haar stellingen omtrent het vervalste fiscaal overzicht, zoals hiervoor geoordeeld, onvoldoende heeft onderbouwd, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het hof acht de opname en handhaving van de registraties in overeenstemming met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Gelet op het voorgaande weegt het belang van ABN AMRO bij handhaving van de registraties zwaarder dan de belangen van [appellante] bij de verwijdering daarvan.

beperking duur registratie IR en EVR
4.7 Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de AVG en de Uitvoeringwet wel een grondslag bieden voor een bevel tot beperking van de duur van de registratie. De mogelijkheid daarvan ligt besloten in de verdergaande bevoegdheid van de rechter te bevelen de verwerking van persoonsgegevens te staken. In de belangenafweging om de gegevens te verwijderen ligt immers eveneens de afweging besloten om de duur van de registratie te beperken en dus de verwijdering te laten plaatsvinden, niet per direct maar wel op een eerder moment dan waarop dit volgens het protocol uiterlijk zou moeten gebeuren. Het hof dient ook in dit kader een afweging te maken van de door beide partijen aangevoerde belangen en te beoordelen of aan het proportionaliteitsbeginsel is voldaan. Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.6 over die belangen is overwogen, acht het hof de uiterlijke duur van de registraties van 8 jaar vanwege de ernst van het incident thans niet disproportioneel. Ook het subsidiaire verzoek van [appellante] zal worden afgewezen.

5 Slotsom

5.1

Het hoger beroep slaagt weliswaar op het punt dat ook de beperking in duur van de registratie op grond van de AVG verzocht kan worden, maar de beoordeling van het verzoek op dit punt leidt niet tot een ander oordeel. De bestreden beschikking zal dan ook worden bekrachtigd.

5.2

Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van ABN AMRO zullen worden vastgesteld op € 741,- voor griffierecht en € 2.148,- salaris advocaat conform het liquidatietarief (2 punten x appeltarief II).

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 juni 2019;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO vastgesteld op € 741,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, J.H. Lieber en H.L. Wattel, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de jongste raadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken 28 april 2020.