Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3426

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
200.254.822
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het echtscheidingsconvenant een vaststellingsovereenkomst? Draagplicht schulden bij helfte onaanvaardbaar? Gebruiksvergoeding. Artikel 7:900 BW, artikel 6:2 en 6:248 BW; artikel 3:169 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2020/108
FJR 2020/49.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.254.822

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 212420)

arrest van 28 april 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: de man,

advocaat: mr. R.J. Versteeg te Zaltbommel,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B]

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. A.W. van der Boom te Doetinchem.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 mei 2019 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 27 september 2019;?

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

- de akte van de man en de antwoordakte van de vrouw.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1

De man en de vrouw zijn in 1985 met elkaar getrouwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. Het huwelijk is [in] 2011 door echtscheiding ontbonden. Partijen hebben in een echtscheidingsconvenant in 2011 afgesproken dat zij de echtelijke woning ( [a-straat 1] in [B] , hierna: de woning) zullen verkopen en ieder de helft van de netto-opbrengst zullen krijgen. Tot de verkoop mag de vrouw in de woning blijven wonen. De man en de vrouw hebben samen een hypothecaire geldlening bij de [a-bank] van € 141.500. Zij hebben in hun convenant afgesproken dat zij de hypotheeklasten en de zakelijke lasten van de woning (onroerendzaakbelasting, verzekering en onderhoud) samen zullen dragen. Ook hebben zij afgesproken dat de vrouw de rente van de hypothecaire lening zal betalen en dat de man zijn deel van de rente bij de levering van de woning aan een derde aan de vrouw zal terugbetalen. In het convenant staat verder dat de ontbonden huwelijksgemeenschap is verdeeld, dat de man en de vrouw niet zijn overbedeeld en dat zij ter zake van de verdeling niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar algehele en finale kwijting verlenen. De woning is nog steeds niet verkocht. De vrouw wil de woning en de hypothecaire geldlening graag overnemen.

2.2

De vrouw en de man hebben in de procedure bij de rechtbank over en weer vorderingen ingesteld. In het vonnis van de rechtbank zijn die vorderingen opgesomd in onderdeel 3.2 (vorderingen van de vrouw in conventie) en 4.3 (vorderingen van de man in reconventie).

2.3

De rechtbank heeft de wijze van verdeling van de woning en de caravan gelast. De rechtbank heeft bepaald dat:

  • -

    de woning aan de vrouw wordt toegedeeld tegen een waarde van € 223.750 onder de verplichting de hypothecaire geldlening over te nemen en aan de man een bedrag van € 41.125 te betalen (het aandeel van de man in de overwaarde van de woning);

  • -

    de caravan aan de vrouw wordt toegedeeld en dat de vrouw aan de man € 1.000 moet betalen (aandeel van de man in de overwaarde van de caravan).

2.4

De rechtbank heeft de man veroordeeld aan de vrouw te betalen:

  • -

    € 26.036; dat is de hypotheekrente van 1 april 2010 tot 1 december 2017.

  • -

    € 715,98 aan wettelijke rente over de achterstallige hypotheekrente;

  • -

    € 484,06; dat is de helft van de premie opstalverzekering van 1 april 2014 tot 1 december 2017;

De man is ook veroordeeld de uitvaartverzekering over te schrijven op de naam van de vrouw.

2.5

De rechtbank heeft de vrouw veroordeeld aan de man te betalen:

  • -

    € 2.168; dat is de helft van de hypotheekrenteteruggaaf van 1 april 2013 tot 1 december 2017;

  • -

    de helft van de teruggaaf hypotheekrente vanaf 1 december 2017 tot het moment dat de woning aan de vrouw is geleverd;

  • -

    € 529,50; dat is de helft van de WOZ-aanslagen 2014-2017;

  • -

    de helft van de WOZ-aanslagen vanaf 1 januari 2018 tot het moment dat de woning is geleverd aan de vrouw.

2.6

De rechtbank heeft alle andere vorderingen afgewezen.

2.7

De man is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank. Hij heeft in zijn memorie van grieven een groot aantal onderdelen van het vonnis van de rechtbank van 31 oktober 2018 letterlijk overgeschreven en daarvan gezegd dat die onderdelen (overwegingen en beslissingen van de rechtbank) niet juist zijn. Hij licht verder in zijn memorie van grieven toe waarom hij vindt dat de rechtbank het niet goed heeft gedaan. Hij wil dat het hof het vonnis van de rechtbank ongedaan maakt (vernietigt) en alle vorderingen van de vrouw afwijst behalve die over de toedeling van de woning. Hij wil wel dat het hof aan de toedeling van de woning aan de vrouw de voorwaarden stelt dat de man ook echt het bedrag van € 41.125,- krijgt en ook niet langer hoofdelijk aansprakelijk zal blijven voor de hypothecaire geldlening. Hij wil ook dat het hof zijn eigen vorderingen alsnog toewijst, voor zover de rechtbank dat al niet heeft gedaan. Het gaat er hem vooral om dat de vrouw aan hem een vergoeding moet betalen voor het gebruik dat zij sinds 2010 heeft gehad van de woning. De vrouw is het eens met de beslissingen van de rechtbank en wil dat het hof het vonnis van de rechtbank in stand laat.

2.8

De memorie van grieven is een heel lang stuk met veel herhaling en opsommingen van beslissingen van andere rechters. Het hof begrijpt dat het de man om het volgende gaat:

  1. Het convenant is geen vaststellingsovereenkomst.

  2. De afspraken over de verdeling van de woning en de betaling van de lasten gelden alleen als de woning op korte termijn wordt verkocht.

  3. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de man de helft van de lasten van de woning moet blijven betalen.

  4. Het hof moet de overeenkomst over de betaling van de lasten van de woning ontbinden of wijzigen.

  5. De vrouw moet de man een vergoeding betalen voor het gebruik van de woning.

  6. De man gaat alleen akkoord met toedeling van de woning aan de vrouw als hij de zekerheid heeft dat hij zijn geld krijgt en dat hij niet langer aansprakelijk blijft voor de hypothecaire geldlening.

  7. De man is voor meer dan een kwart benadeeld bij de afspraken over de woning in de zin van artikel 3:196 BW.

a. Is het convenant een vaststellingsovereenkomst

2.9

De man en de vrouw zijn het niet eens over de betekenis van de afspraken die zij in het convenant hebben gemaakt over de woning. Is het een vaststellingsovereenkomst zoals de vrouw vindt (onderdeel 25 memorie van antwoord) of juist niet? In artikel 7:900 lid 1 BW staat dat een vaststellingsovereenkomst een overeenkomst is die partijen sluiten om een onzekerheid of een geschil over wat 'tussen hen rechtens geldt' te beëindigen of te voorkomen. Nu hebben de man en de vrouw in het convenant wel afspraken gemaakt over de verdeling van de woning en de hypothecaire geldlening , maar uit niets blijkt dat zij die afspraken hebben gemaakt met de bedoeling om een onzekerheid of geschil te beëindigen of te voorkomen. De vrouw legt ook niet uit welke onzekerheid of welk geschil zij met de afspraken over de woning en de hypothecaire geldlening wilden beëindigen of voorkomen. Zij zegt wel dat het de bedoeling van het convenant is om einde te maken aan alle conflicten tussen partijen, ook voor de toekomst. Het hof vindt dat te vaag om te kunnen spreken van een vaststellingsovereenkomst. De afspraken over de woning en de hypothecaire geldlening komen neer op verdeling van de opbrengst van de woning na verkoop. De afspraken over de hypothecaire geldlening zijn een bevestiging van de wettelijke regel dat de man en de vrouw deze lening en de rente daarover samen moeten dragen. Zij zijn ook een bevestiging van de wettelijke regel dat degene die de rente betaalt de helft daarvan van de ander terugkrijgt. De vrouw zegt niet dat de man en zij onzeker waren over de toepasselijkheid van deze wettelijke regels of dat zij daarover een geschil hadden. Het hof is het met de man eens: de afspraken in het convenant zijn geen vaststellingsovereenkomst.

b. Voor welke situatie zijn de afspraken over de woning gemaakt?

2.10

De man zegt dat de vrouw geen beroep kan doen op de afspraken in het convenant over de betaling van de lasten voor de woning (p. 32 memorie van grieven ). Die afspraken zijn volgens de man alleen gemaakt voor het geval de woning binnen anderhalf jaar zou zijn verkocht en niet voor het geval de woning aan de vrouw wordt toegedeeld. Als dat klopt, schiet de man daar niets mee op. De afspraken die zijn gemaakt over de betaling van de lasten voor de woning zijn als gezegd niet meer dan een bevestiging van de wettelijke regels over de draagplicht voor gemeenschappelijke schulden. Die regels blijven natuurlijk ook van toepassing in gevallen waarvoor de man en de vrouw geen andere afspraken hebben gemaakt.

c. Is het onaanvaardbaar dat de man de helft van de gezamenlijke lasten betaalt?

2.11

De man zegt verder dat het in deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij de lasten van de woning voor de helft moet blijven meebetalen, terwijl de vrouw alleen het gebruik heeft van de woning en aan hem geen vergoeding betaalt (p. 33 memorie van grieven ). De man wijst op artikel 6:2 lid 2 BW en artikel 6:248 lid 2 BW. Het hof is het niet met de man eens. Een belangrijke reden daarvoor is dat het hof hierna zal oordelen dat de vrouw aan de man wel een vergoeding voor het gebruik moet betalen. Ook de omstandigheid dat de man en de vrouw de woning vanwege de economische crisis niet konden verkopen binnen de termijn van anderhalf jaar is onvoldoende om het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te maken dat de man zijn aandeel in de lasten van de woning blijft dragen. Daarvoor is meer nodig. In de wet staat dat bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken. Van rechtsbeginselen of rechtsovertuigingen die de visie van de man steunen is niet gebleken. Evenmin van maatschappelijke belangen. De man en de vrouw hebben wel tegengestelde persoonlijke belangen. Het belang van de man om niet te worden geconfronteerd met dubbele woonlasten staat tegenover het belang van de vrouw dat zij niet alleen de schulden hoeft te betalen van de man en van haar samen. Dat persoonlijke belang van de man is hier onvoldoende om te kunnen zeggen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij moet meebetalen aan de gemeenschappelijke lasten van de woning. Het is eerder zo dat redelijkheid en billijkheid verlangen dat gemeenschappelijk schulden samen worden gedragen en betaald, zeker nu de man en de vrouw dat ook nog eens schriftelijk hebben vastgelegd.

d. Moet het hof de overeenkomst in het convenant wijzigen of ontbinden?

2.12

Om diezelfde redenen als genoemd in 2.10 zal het hof niet ingaan op het beroep van de man op artikel 6:258 BW om de overeenkomst over de betaling van de lasten van de woning te ontbinden of te wijzigen.

e. Moet de vrouw de man een vergoeding voor het gebruik betalen en zo ja hoe groot is die vergoeding en vanaf wanneer?

2.13

Moet de vrouw aan de man een vergoeding betalen voor het gebruik dat zij heeft van de woning? De man en de vrouw hebben afgesproken dat de vrouw alleen het gebruik zal hebben van de woning. Zij hebben geen uitdrukkelijke afspraken gemaakt over een vergoeding voor dat gebruik. In het convenant is niets bepaald over een gebruiksvergoeding. Wel hebben de man en de vrouw afgesproken dat zij de huwelijksgemeenschap hebben verdeeld en - zo staat het in artikel 5.1 van het convenant - dat zij:

"behoudens de rechten en verplichtingen genoemd in dit convenant, niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar algehele en finale kwijting verlenen."

Volgt hieruit dat de man en de vrouw ook bedoeld hebben dat de vrouw aan de man geen vergoeding voor het gebruik hoefde te betalen? Dat is de uitleg die vrouw aan deze bepaling geeft. De man ziet dit anders. Hij vindt dat het convenant geen alomvattende regeling bevat en dat daarin geen afspraken zijn gemaakt over een vergoeding voor het gebruik, zeker niet voor het geval de woning anders dan verwacht niet binnen anderhalf jaar zou zijn verkocht. Het hof is het eens met de uitleg van de man. In het convenant is niets bepaald over een gebruiksvergoeding. Daarbij komt dat de man naar voren brengt dat bij het maken van het convenant niet is gedacht aan de situatie dat de woning niet wordt verkocht en ook niet is gesproken over een vergoeding voor het gebruik in dat geval. De vrouw weerspreekt dat onvoldoende. Zij zegt alleen dat het de bedoeling is dat het convenant een einde maakt aan alle conflicten tussen partijen, ook voor de toekomst (onderdeel 25 memorie van antwoord). Het hof vindt dat te vaag. De man hoefde niet ervan uit te gaan dat het convenant ook een vergoeding voor het gebruik regelde voor het geval partijen niet binnen de door hen verwachte termijn van anderhalf jaar de woning zouden hebben verkocht. Hiervoor is al beslist dat het convenant geen vaststellingsovereenkomst is (onderdeel 2.8).

2.14

Hoe moet de omvang van de vergoeding worden bepaald? In de parlementaire geschiedenis bij artikel 3:169 BW is daarover het volgende bepaald. Een deelgenoot (de vrouw) die een gemeenschappelijk goed met uitsluiting van de andere deelgenoot (de man) gebruikt moet de andere deelgenoot die verstoken blijft van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van de mede-eigendom recht heeft, schadeloos stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Daarbij dienen de redelijkheid en de billijkheid die de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen tot maatstaf (Parlementaire geschiedenis Boek 3, pagina 587).

2.15

De man lijdt schade doordat de woning veel later wordt verdeeld dan hij mocht verwachten toen partijen de afspraken maakten in het convenant. Uiteindelijk is de woning niet verkocht, maar heeft de rechtbank in het vonnis van 31 oktober 2018 bepaald dat partijen de woning moeten toedelen aan de vrouw en dat de vrouw aan de man zijn aandeel in de overwaarde van € 41.125,- moet betalen. Zowel de man als de vrouw zijn het eens met die beslissing van de rechtbank. De man en de vrouw hebben afgesproken dat de vrouw het gebruik van de woning zal hebben. Zij moeten samen de lasten van de woning moeten dragen - of dat nu op grond van de overeenkomst is op grond van de wet. De schade van de man is dan ook niet dat hij het gebruik en genot van de woning heeft moeten missen. Die schade is ook niet dat hij de helft van de lasten van de woning moet betalen, ook al heeft hij daarvan niet het gebruik. Dat vloeit nu juist voort uit wat hij heeft afgesproken met de vrouw. Die schade is wel dat hij pas veel later dan verwacht de beschikking zal krijgen over het geld dat hij verwachtte te krijgen bij de verkoop en dat hij het rendement van dat geld heeft moeten missen, terwijl de vrouw wel het gebruik heeft gehouden van de gemeenschappelijke woning en in dat opzicht juist geen schade heeft geleden, maar een voordeel heeft gehad. Het hof vindt dat in dit geval uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de vrouw aan de man dit gemiste rendement zal vergoeden over dit bedrag van € 41.125. Het hof acht als vergoeding een rente van 2% per jaar van € 41.125 redelijk.

2.16

De vergoeding is gebaseerd op artikel 3:169 BW en kan niet eerder ingaan dan bij de ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 4 mei 2011. Op de periode daarvoor is deze regel immers niet van toepassing (artikel 3:189 lid 1 BW). Het hof vindt het redelijk de vergoeding te laten ingaan anderhalf jaar na de ondertekening van het convenant op 30/31 maart 2011, omdat partijen destijds beiden verwachtten dat de woning binnen anderhalf jaar verkocht zou zijn. Dat betekent dat de vrouw de vergoeding moet betalen met ingang van 1 oktober 2012 tot het tijdstip van verdeling en levering van de woning aan haar. Er is geen regel die bepaalt dat de vergoeding pas kan ingaan vanaf het tijdstip dat de man daarop aanspraak maakt en een rechtsvordering instelt (21 februari 2018). De vrouw beroept zich overigens niet op verjaring van de rechtsvordering van de man.

2.17

Het is ook redelijk dat zij de vergoeding pas hoeft te betalen ter gelegenheid van de verdeling en levering van de woning en dat de vergoeding ook vanaf dat moment opeisbaar is. De vrouw hoeft dan ook nog geen wettelijke rente te betalen over de vergoeding. Het hof gaat ervan uit dat de man en de vrouw opdracht zullen geven aan een notaris om de akte van verdeling en levering op te maken en dat de over en weer te betalen bedragen worden betaald via de kwaliteitsrekening van de notaris. Daarbij geldt dat de akte pas zal worden gepasseerd als alle gelden die daarvoor nodig zijn op de kwaliteitsrekening van de notaris zijn overgemaakt, zodat de man en de vrouw over en weer de zekerheid hebben dat zij deze gelden ontvangen als de verdeling en levering van de woning aan de vrouw hebben plaatsgehad. De man wil als gezegd graag zekerheid dat hij de bedragen krijgt die de vrouw hem moet betalen. Die zekerheid heeft hij al vanwege de verplichte inschakeling van een notaris bij de verdeling van de woning. Het hof zal volledigheidshalve beslissen dat alle betalingen zullen plaatsvinden ter gelegenheid van de levering van de woning via de kwaliteitsrekening van de notaris.

f. Voorwaarden aan de toedeling van de woning aan de vrouw

2.18

De man stemt in met toedeling van de woning aan de vrouw, maar wil ook dat hij niet langer aansprakelijk is voor de lasten die voortvloeien uit de hypothecaire geldlening. De vrouw heeft gezegd dat zij ook wil dat de man niet langer aansprakelijk is voor deze lening. Zij heeft ook gezegd dat zij pas zeker weet of de bank de man zal ontslaan uit zijn aansprakelijkheid als duidelijk is welke bedragen zij aan de man moet betalen. Die duidelijkheid heeft zij nu. Omdat zij nu ook nog een gebruiksvergoeding aan de man moet betalen en daardoor een hoger bedrag moet financieren om de toedeling van de woning te kunnen betalen, zal zij opnieuw aan de bank moeten vragen te toetsen of zij het geld dat nodig is voor de toedeling kan lenen en of ontslag van de man uit zijn aansprakelijkheid wel mogelijk is. De vrouw kan alleen maar haar best doen om ervoor te zorgen dat dit lukt. Zij kan dat niet garanderen. Het hof begrijpt dat de vrouw ook alleen wil meewerken aan een toedeling van de woning als zij dat kan betalen en als de man niet langer aansprakelijk blijft voor die hypothecaire geldlening. Het hof zal dan ook bepalen dat toedeling aan de vrouw alleen kan als de man niet langer aansprakelijk blijft voor die geldlening. Het hof gaat ervan uit dat de man en de vrouw aan de notaris de opdracht zullen geven aan de bank te vragen dat ontslag te verlenen voor het geval de vrouw de hypothecaire geldlening zal overnemen. Als de vrouw een nieuwe geldlening aangaat en daarmee de hypothecaire geldlening aflost, is geen ontslag nodig en is de man vanwege die aflossing niet langer aansprakelijk voor de lening. De woning kan alleen aan de vrouw worden toegedeeld als de man niet langer aansprakelijk is voor de lening. Lukt het niet aan die voorwaarde te voldoen, dan zullen de man en de vrouw opnieuw met elkaar moeten overleggen over de verdeling van de woning. Voor die situatie hebben zij geen beslissing van de rechter gevraagd.

g. Benadeling voor meer dan een kwart

2.19

Er is nog een laatste geschilpunt, al lijkt de man daar niets mee te doen. Dat gaat over artikel 3:196 BW. De man zegt dat hij is benadeeld doordat hij de afspraken heeft gemaakt over de lasten van de woning. Dat gaat niet op. De man en de vrouw hebben afgesproken dat ieder de helft van de gemeenschappelijke schulden betaalt. Daardoor is niemand bevoordeeld of benadeeld. Zonder die afspraak zou precies hetzelfde gelden. Die afspraken blijven dan ook gewoon in stand. De man vraagt niet de verdeling te vernietigen Dat is nu wat artikel 3:196 BW juist wel mogelijk maakt.

Slotsom

2.20

De man heeft terecht naar voren gebracht dat hij recht heeft op een gebruiksvergoeding en dat toedeling van de woning aan de vrouw alleen kan plaatsvinden als de man wordt ontslagen uit zijn aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Het hof zal het vonnis van de rechtbank van 31 oktober 2018 in stand laten en beslissen dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding moet betalen en dat de toedeling alleen plaatsvindt bij ontslag van de man uit de aansprakelijkheid voor de geldlening. Het hof zal ook bepalen dat de man en de vrouw elk de eigen proceskosten moet betalen. De reden daarvoor is dat zij met elkaar getrouwd zijn geweest en het in deze procedure gaat over de afwikkeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 31 oktober 2018 in conventie en bepaalt in aanvulling daarop dat de toedeling van de woning aan de vrouw alleen kan plaatsvinden als de man niet langer aansprakelijk blijft voor zijn verplichtingen uit de hypothecaire geldlening;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 31 oktober 2018 in reconventie en vernietigt alleen de afwijzing van de vordering van de man ten aanzien van de gebruiksvergoeding;

bepaalt dat de vrouw aan de man een vergoeding betaalt voor het gebruik van de woning van 2% van € 41.125,- per jaar vanaf 1 oktober 2012 tot de dag van levering van de woning aan de vrouw of aan een derde;

bepaalt dat die vergoeding opeisbaar is op het tijdstip van de levering van de woning aan de vrouw of aan een derde;

verklaart de veroordeling van de vrouw ten aanzien van de vergoeding voor het gebruik uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat alle betalingen tussen partijen in deze procedure zullen plaatsvinden ter gelegenheid van de levering van de woning aan de vrouw of aan een derde via de kwaliteitsrekening van de notaris;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, zodat ieder de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.H.H.A. Moes en J.U.M. van der Werff
en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.