Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3425

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
01-05-2020
Zaaknummer
200.255.801
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg kwijtingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.255.801

(zaaknummer rechtbank Gelderland NL18.12587)

arrest van 28 april 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. E. Weijer,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.H. Hofstede.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 april 2019 hier over. In dit arrest is een comparitie van partijen gelast die heeft plaatsgevonden op 4 juni 2019.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een voorafgaand aan die comparitie gestuurde brief van [geïntimeerde] van 20 mei 2019 (met één productie);

- een voorafgaand aan die comparitie gestuurde brief van [appellant] van 20 mei 2019 (met producties);

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 4 juni 2019;

- de memorie van grieven (met producties);

- de memorie van antwoord (met producties);

- een akte van [appellant] (met producties);

- een akte van [geïntimeerde] (met producties).

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De feiten

[geïntimeerde] enerzijds en [appellant] (of aan hem gelieerde bedrijven) anderzijds hebben in de periode 2005 tot en met 2008 verschillende overeenkomsten gesloten. Het betrof transacties in onroerend goed (onder meer de aankoop door [geïntimeerde] van een appartement in Spanje) en daarmee samenhangende financiële transacties.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[geïntimeerde] vordert op grond van een leningsovereenkomst gedateerd 9 juli 2005

€ 300.000,- (met daarover verschenen contractuele rente) van [appellant] . De rechtbank heeft deze vordering toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de (buitengerechtelijke) kosten.

3.2

Het hof ziet aanleiding eerst het beroep te behandelen dat [appellant] heeft gedaan op een overeenkomst van 25 augustus 2008, waarin partijen zijn overeengekomen dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben en waardoor volgens [appellant] de vordering van [geïntimeerde] teniet is gegaan.

3.3

De overeenkomst van 25 augustus 2008 (hierna: de kwijtingovereenkomst) is handgeschreven, door beide partijen ondertekend en luidt als volgt:

“Vandaag de 25 augustus 2008 zeggen tweeduizend acht

Komen [appellant] en [geïntimeerde] het volgende overeen.

[appellant] en [geïntimeerde] hebben vanaf heden niets van elkaar te vorderen.

Dwz. a) het woonhuis aan de [a-straat 1] te [B] gaat terug aan [geïntimeerde] met alle belastende leningen b) de vordering van € 300.000,- van [geïntimeerde] van [appellant] komt of is bij deze verrekend c.q. afgelost en c) de heer [appellant] zal voor zorgdragen voor de lening die rust op de appartement te [C] en zal t. zijner tijd aflossen bij verkoop”.

3.4

De rechtbank heeft deze overeenkomst uitgelegd en heeft daarover samengevat het volgende overwogen (in 4.7 tot en met 4.10 van het bestreden vonnis).

Vast staat dat [geïntimeerde] een appartement met garage in Spanje heeft gekocht voor een bedrag van € 335.000,-. Ook staat vast een hypothecaire lening is geregeld voor het appartement van € 180.000,-. Bij de verschillende overeenkomsten die partijen met elkaar zijn aangegaan en waarin de schuldposities over en weer worden weergegeven, wordt de koopprijs van het appartement verrekend met de bedragen die [appellant] aan [geïntimeerde] moet betalen, onder meer uit de lening van 9 juli 2005. Dit blijkt ook uit de overeenkomst van 7 juli 2008, waarin bovendien wordt vermeld dat [geïntimeerde] het appartement vrij van hypotheek zou hebben. De samenhang van de vorderingen over en weer blijkt duidelijk uit deze overeenkomst en volgt ook uit de kwijtingovereenkomst, waarin de lening van 9 juli 2005 als afgelost wordt beschouwd, maar tegelijkertijd wordt verlangd dat [appellant] de lening van het appartement aflost. Dit laatste moet worden beschouwd als een ontbindende voorwaarde. Nu aan deze voorwaarde niet is voldaan is de kwijtingsovereenkomst ontbonden en moet [appellant] de lening van 9 juli 2005 terugbetalen, aldus de rechtbank

3.5

Ook het hof zal de kwijtingsovereenkomst dienen uit te leggen, waarbij het niet slechts aan komt op de bewoordingen van de overeenkomst (die in deze zaak niet bepaald helder en eenduidig zijn), maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van hun overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Het hof zal bij de uitleg van de kwijtingsovereenkomst ook betrekken de achtergrond van de andere overeenkomsten die partijen zijn aangegaan en die zij kennelijk steeds zelf, zonder juridische bijstand, hebben opgesteld en die veelal voor meerderlei uitleg vatbaar zijn. De uitleg wordt bemoeilijkt doordat partijen blijkbaar plannen hadden samen meerdere onroerend goed transacties uit te voeren, die deels niet door gegaan zijn, waardoor bepaalde overeenkomsten niet meer uitgevoerd zijn of in een ander licht zijn komen te staan. De versies van partijen van de gang van zaken rond deze transacties en de gevolgen daarvan staan bovendien lijnrecht tegenover elkaar.

3.6

[appellant] heeft betwist dat het zonder meer de bedoeling was dat [geïntimeerde] het appartement vrij van hypotheek zou verkrijgen. Dat kan volgens hem niet volgen uit de door [geïntimeerde] opgestelde (maar niet door [appellant] ondertekende) overeenkomst van 7 juli 2008. Deze overeenkomst had betrekking op de situatie dat [geïntimeerde] zijn woning in [B] zou verkopen en van de overwaarde daarvan de koopsom van het appartement in Spanje deels zou voldoen. Die situatie heeft zich uiteindelijk niet voorgedaan, omdat [geïntimeerde] besloot in de woning in [B] te blijven wonen. Uit die overeenkomst blijkt volgens [appellant] wel dat [geïntimeerde] al op 7 juli 2008 en dus voor het sluiten van de kwijtingsovereenkomst wist dat er een hypotheek rustte op het appartement. Het appartement zou vrij gemaakt worden van hypotheek door aflossing van die hypotheek vanuit de opbrengst van de verkoop van de woning in [B] of nadat [geïntimeerde] het appartement in Spanje weer had doorverkocht aan een derde, uit de opbrengst van die transactie.

3.7

Deze stellingen van [appellant] passen bij de letterlijke tekst van de overeenkomst van 7 juli 2008, waar die luidt: “(…) Nadat de woning aan de [a-straat 1] is verkocht wordt de hypotheek AD.€ 425.000,- bij de Rabobank afgelost en de restant schuld bij de Bank Unicaja van de bestaande hypothecaire inschrijven van het appartement in [C] . Of eerder door verkoop van het appartement door [geïntimeerde] . Zodat [geïntimeerde] een vrij van hypothecaire lening appartement heeft (…)”.

3.8

Tegen deze achtergrond bezien kan onderdeel c van de kwijtingsovereenkomst ook zo worden uitgelegd dat de hypothecaire schuld op het appartement pas zou worden afgelost bij verkoop door [geïntimeerde] aan een derde (“te zijner tijd”). Onduidelijk blijft dan nog wie voor aflossing van de hypotheek zou zorgdragen.

3.9

[appellant] stelt dat [geïntimeerde] de hypothecaire schuld op het appartement zou aflossen en stelt dat dit ook logisch is, aangezien [geïntimeerde] daarmee het appartement volledig in eigendom zou krijgen. Als de uitleg van de rechtbank gevolgd wordt, zou [geïntimeerde] voor het appartement in Spanje maar € 135.000,- hebben hoeven betalen, terwijl de overeengekomen koopprijs voor het appartement € 335.000,- was. Dat kan nooit de bedoeling van partijen geweest zijn. Met punt c van de kwijtingsovereenkomst hebben partijen alleen bedoeld af te spreken dat [appellant] [geïntimeerde] ondersteuning zou bieden bij de doorverkoop van het appartement in Spanje.

3.10

De stelling van [appellant] dat het niet de bedoeling van partijen was dat [geïntimeerde] het appartement zou verkrijgen tegen betaling van slechts € 135.000,-, terwijl dit wel het gevolg is van het bestreden vonnis, heeft [geïntimeerde] niet betwist. In diens memorie van antwoord (randnummer 61) staat: “ [geïntimeerde] realiseert zich dat het appartement in Spanje op zijn naam staat. Nadat [appellant] het aan hem verschuldigde volledig heeft voldaan is [geïntimeerde] bereid zijn volledige medewerking te verlenen aan terug levering van het appartement, zodat ook de kwestie van het appartement de wereld uit is”.

3.11

De stelling van [geïntimeerde] dat sprake zou zijn van een ontbindende voorwaarde en dat de verplichtingen uit de overeenkomst van 9 juli 2005 nog onverkort zouden gelden, vindt onvoldoende aansluiting in de tekst van de overeenkomsten en in de feitelijke situatie waarin partijen zich bevonden ten tijde van het sluiten van de kwijtingsovereenkomst van 25 augustus 2008. Blijkens die kwijtingsovereenkomst bleef [geïntimeerde] in het bezit van de woning in [B] en was hij ook eigenaar van het appartement in Spanje. Op grond waarvan [appellant] dan nog € 300.000,- zou moeten betalen wordt door [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd. Het beroep op eerdere schulderkenningen volstaat daarbij niet, nu partijen in de kwijtingsovereenkomst hun rechtsverhouding kennelijk geheel hebben willen regelen. Bovendien blijft in de lezing van [geïntimeerde] ook onduidelijk hoe de zinsnede moet worden verstaan dat “de vordering van € 300.000,- van [geïntimeerde] van [appellant] komt of is bij deze verrekend c.q. afgelost”. Dit kan, in het licht van het voorgaande, moeilijk anders worden gelezen dan dat de verplichting van [appellant] om een dergelijk bedrag aan [geïntimeerde] te betalen met de kwijtingsovereenkomst kwam te vervallen.

3.12

Bij deze stand van zaken heeft [geïntimeerde] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zijn uitleg van de kwijtingovereenkomst kan volgen. Dit betekent dat [appellant] zich kan beroepen op de kwijtingovereenkomst en dat daarmee zijn verplichting uit de leningovereenkomst van 9 juli 2005 is komen te vervallen. Grief IX slaagt en de overige stellingen van partijen behoeven daarmee geen behandeling.

4 De slotsom

4.1

Het hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] zal alsnog worden afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft betaald.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 79,-

- salaris advocaat € 4.804,-

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 102,27

- griffierecht € 324,-

totaal verschotten € 426,27

- salaris advocaat € 9.797,50 (2,5 punt x appeltarief V ad € 3.919,- per punt).

4.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

5.1

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 9 januari 2019 en doet opnieuw recht:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

5.2

veroordeelt [geïntimeerde] om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der betaling tot de dag van terugbetaling;

5.3

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op

€ 79,- voor griffierecht en op € 4.804,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 426,27 voor verschotten en op € 9.797,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

5.4

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevondeneen en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening.

5.5

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

5.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, B.J. Engberts en J. Sap, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.