Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3415

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
200.223.526
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2019:4172.

7:337 BW. Gepacht land besmet door knolcyperus. Gebrek bij aanvang pacht? Na getuigenverhoor is gebrek niet vast komen te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.223.526

(zaaknummer rechtbank Noord-Holland 3340349)

arrest van de pachtkamer van 28 april 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Steclan Bloembollen B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant 2] B.V.,

beide gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellanten in het principaal hoger beroep en geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseressen in conventie en verweersters in reconventie,

hierna: samen Steclan, afzonderlijk Steclan Bloembollen en [appellant 2] ,

advocaat: mr. A.C. Teeuw,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep en appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.H. Verweij.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 14 mei 2019 hier over. Daarin is Steclan toegelaten tot bewijslevering.

1.1

Op 22 november 2019 heeft het getuigenverhoor plaatsgevonden en is akte verleend van producties 52 tot en met 61 van Steclan. [geïntimeerde] heeft afgezien van contra-enquête.

1.2

Vervolgens hebben partijen memories na getuigenverhoor ingediend. Daarna heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1

Het gaat er in dit geding om of [geïntimeerde] aansprakelijk is voor schade van Steclan. Steclan stelt dat in de door haar gepachte percelen knolcyperus aanwezig was die haar bollen heeft aangetast. Zij lijdt daardoor schade, (tenminste) begroot op 1,275 miljoen euro.

2.2

Over de aanwezigheid van knolcyperus heeft het hof in het tussenarrest – samengevat – geoordeeld dat [C/agrarisch expert] op 25 oktober 2013 één knolcyperusplant in perceel 3 heeft gezien. De broers [broers A] hebben verklaard dat zij langs de sloot op perceel 2 wel zeebies hebben gezien maar op de percelen geen knolcyperus hebben gezien. Zij hebben het gewas wekelijks geïnspecteerd. NAK zou in oktober een paar dode planten hebben gezien. Toen is een teeltverbod opgelegd (KC-13-092). Hoe NAK de omvang bepaalt van perceelsgedeelten waarvoor een teeltverbod geldt was verder onduidelijk. [geïntimeerde] is in november 2013 op het land geweest met een medewerker van NAK, maar heeft toen zelf geen knolcyperus aangetroffen. Hoe de aanwijzing KC-13-106 van eind november/begin december 2013 met de dwarse strook op perceel 2 tot stand is gekomen, was ongewis.

2.3

Verder heeft het hof toen overwogen dat de verklaringen en deskundigenrapporten van [C/agrarisch expert] , [D] en [E] voornamelijk zijn uitgegaan van de uitgebreidere besmetting van perceel 2 binnen de contouren van de stroken op KC-13-106 een jaar later en de nog latere besmetting in 2016 van perceel 1. Op grond van de kenmerken van knolcyperus en de later aangetroffen hoeveelheden op perceel 2 hebben de deskundigen volgens het hof blijkbaar aangenomen dat het wel zo moet zijn dat ten tijde van het aangaan van de pacht (al dan niet via besmetting door perceel 1) op het perceel knolcyperus aanwezig was. Ook omdat [geïntimeerde] een en ander gemotiveerd betwistte, heeft het hof Steclan toegelaten tot het bewijs dat ten tijde van het aangaan van de pachtovereenkomst al een besmetting met knolcyperus aanwezig was in het pachtperceel.

2.4

Steclan heeft [C] , zelfstandig agrarisch schade-expert, [D] , voorheen inspecteur van de NAK, en [broer A 1] , een van de twee broers [broers A] en mededirecteur van Steclan, laten horen. Voor [broer A 1] geldt de beperking van artikel 164 lid 2 Rv. Dat betekent dat er naast zijn partijgetuigenverklaring aanvullende bewijzen moeten zijn die zo sterk en overtuigend zijn wat het te bewijzen feit betreft, dat die de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken.

2.5

De afgelegde verklaringen hebben geen opheldering verschaft over de vraag hoe de aanwijzing eind november/begin december 2013 van de dwarse strook op perceel 2 tot stand is gekomen. Volgens [E] kan alleen een besmetting worden vastgesteld als er planten boven de grond staan, terwijl onweersproken is dat in november 2013, toen [geïntimeerde] met de NAK op het perceel was, [geïntimeerde] geen planten heeft gezien en de grond zwart was. [geïntimeerde] heeft verder al eerder gemotiveerd aangevoerd dat de aanwijzing van de dwarse strook door [B] senior is gebeurd.

2.6

De dwarse strook die in aanwijzing KC-13-106 is opgenomen, is wel het belangrijkste aangrijpingspunt voor [C] om te concluderen dat de besmetting niet door Steclan kan zijn veroorzaakt. Of die conclusie kan worden getrokken - [geïntimeerde] betwist dat - is echter de vraag, omdat er bij het hof twijfel is blijven bestaan over de aanwezigheid van knolcyperus in de dwarse strook. [C] heeft perceel 2 zelf niet gezien. [E] is pas in 2017 bij de door Steclan gestelde schade betrokken en heeft toen alleen perceel 1 gezien. Partijen hebben geen knolcyperus op die plek gezien.

2.7

De ernst en omvang van de besmetting in teeltseizoen 2013 zijn dus onduidelijk gebleven. Waar vermoed kan worden dat NAK een pleksgewijze besmetting van één plant met inachtneming van de mogelijke verspreiding in één seizoen aanduidt als een besmetting van 4 × 4 m (in perceel 3), biedt de aanduiding van de omvang van de stroken veel minder duidelijkheid. In oktober 2013 heeft NAK blijkbaar enkele planten aangetroffen aan de slootkant, net als (mogelijk) eerder de broers [broers A] (de zeebies). De aangetroffen plant in perceel 3 en de enkele planten aan de slootkant van perceel 2 kunnen echter net zo goed uitingen zijn van een geringe besmetting, wat wijst op een eerstejaarsbesmetting. Over de dwarse strook zijn zoals gezegd onvoldoende concrete gegevens voorhanden.

2.8

Daar komt nog het volgende bij. Als sprake zou zijn geweest van een meer dan geringe besmetting van perceel 2, dan hadden de broers [broers A] tijdens hun wekelijkse inspectie vanaf mei 2013 als professionele telers meer planten hebben moeten aantreffen dan de enkele plant (‘zeebies’) die zij bij de sloot hebben gezien. Ook hadden zij dan daarbij bedacht moeten zijn op een knolcyperusbesmetting. Het hof verwijst op dit punt naar de verklaring van [C] : “Van mei tot aan de vorst is knolcyperus boven de grond, dan kun je het dus zien (…). Elke zich zelf respecterende knollenboer kent het gevaar en zal uitkijken dat hij geen knolcyperus aantreft in zijn teelt. Of ze knolcyperus ook altijd zullen herkennen durf ik niet te zeggen. Knolcyperus lijkt erg op zeebies. Als je zeebies aantreft en je trekt het uit de gronden kun je zien of er bolletjes aanzitten en dan weet je dat het foute boel is. Ik denk wel dat telers dat zullen doen en controleren en de knolcyperus herkennen.” De broers hebben in de teelt naar hun zeggen geen zeebies/knolcyperus aangetroffen.

2.9

Het geleverde bewijs is vanwege de twijfels, onduidelijkheden en de mogelijkheid van een eerstejaarsbesmetting onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de percelen bij het aangaan van de pachtovereenkomsten al besmet waren met knolcyperus. Het feit dat perceel 2 in juli 2014 binnen de contouren van de stroken op KC-13-106 besmet is verklaard (er zijn toen 10-100 plantjes per are vastgesteld volgens de nadere stukken van Steclan, productie 62) maakt de conclusie van het hof niet anders. In het tussenarrest (onder 5.2) heeft het hof als onweersproken aangenomen dat knolcyperus zich zeer snel kan verspreiden; een enkele plant kan zich in één seizoen naar alle zijden meters ver uitbreiden. Alleen [E] heeft verklaard dat de verspreiding traag verloopt en knolcyperus er jaren (‘zeker vier jaar’) over doet om een volledig oppervlak te infecteren. Gevraagd naar zijn redenen van wetenschap, heeft hij verklaard dat hij dat door ervaring weet. Die ervaring heeft hij in de drie jaren na zijn pensioen voor NAK opgedaan, overigens vooral in andere teelten dan de bollenteelt. Deze verklaring geeft het hof onvoldoende reden om terug te komen van de op basis van de in het geding gebrachte informatiefolder over knolcyperus getrokken conclusie in het tussenarrest dat knolcyperus zich zeer snel kan verspreiden.

2.10

[geïntimeerde] kan dus niet aansprakelijk worden gehouden omdat moet worden aangenomen dat het perceel in goede staat en niet besmet aan Steclan in gebruik is gegeven. Op de vraag of Steclan geslaagd is in het bewijs van de andere bewijsopdrachten, hoeft het hof niet meer in te gaan.

2.11

Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Voor de vernietiging van de gehele bollenkraam is geen ander bewijs voorhanden dan de verklaring van [broer A 1] . Volgens hem zijn alle bollen in containers gestort en zijn de containers door de vaste chauffeur afgevoerd naar de biovergister. Stukken hiervan zijn er niet. De brief van de productschappen akkerbouw en tuinbouw van 18 augustus 2014 biedt naast de partijgetuigenverklaring onvoldoende aanvullend en overtuigend bewijs dat die vernietiging heeft plaatsgevonden. Uit de brief kan worden afgeleid dat Steclan een paar keer bezoek heeft gekregen van BKD in de periode februari – april 2014 om te controleren of de voorgeschreven maatregelen zijn uitgevoerd. Er zijn volgens de brief geen overtredingen vastgesteld. De opgelegde maatregelen betroffen echter slechts een deel van de bollen (vgl. de brief van 13 december 2013 over KC-13-206, Gewasaanzegging, blad 2, onderdeel van productie 62 bij memorie na enquête). Het antwoord op de vraag of alle bollen zijn vernietigd, volgt niet uit de brief. De BKD is volgens [broer A 1] verder bij de daadwerkelijke vernietiging nooit betrokken geweest.

Slotsom

2.12

Het hoger beroep faalt voor zover het de vordering in conventie betreft zodat het hof het bestreden vonnis in conventie zal bekrachtigen. In het tussenarrest is al geoordeeld dat het hoger beroep slaagt met betrekking tot de vordering in reconventie. Het hof zal het vonnis in reconventie vernietigen en de vordering alsnog afwijzen. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie in eerste aanleg. Die kosten voor Steclan zal het hof vaststellen op € 1.000 aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 500). De restitutievordering blijft buiten beschouwing (rov. 4.4 van het tussenarrest).

2.13

Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal het hof Steclan in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen. Deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 5.200 aan griffierecht en op € 16.503 aan salaris advocaat (3 punten x tarief VIII). Het incidenteel hoger beroep behoeft geen bespreking. Het hof ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling in het incidenteel hoger beroep uit te spreken.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart Steclan niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de vonnissen van 22 oktober 2014 en 18 februari 2015;

bekrachtigt het vonnis in conventie van de pachtkamer te Alkmaar (rechtbank Noord-Holland) van 1 februari 2017;

vernietigt dat vonnis in reconventie en doet opnieuw recht:

wijst de vordering alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten in reconventie van de eerste aanleg tot aan het bestreden vonnis vastgesteld op € 1.000;

veroordeelt Steclan in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 5.200 voor griffierecht en op € 16.503 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, D.H. de Witte en S.B. Boorsma en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en ing. C.R.M. van Wijk-Francissen, ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
28 april 2020.