Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3406

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
200.215.096/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof verbindt ambtshalve een dwangsom aan nakoming van de omgangsregeling door de moeder, ook al geeft de wet deze bevoegdheid niet expliciet aan de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.215.096/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 339079)

beschikking van 21 april 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

thans zonder advocaat,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden,

verder te noemen: de GI.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 29 augustus 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikkingen van 23 januari 2018, 27 maart 2018 en 29 augustus 2019.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van de GI van 28 februari 2020 met productie(s);

- een brief van de moeder van 4 maart 2020 met productie(s).

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van

29 augustus 2019, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

Het hof heeft in die beschikking onder meer overwogen dat het voor (de ontwikkeling van) [de minderjarige] van belang is dat zij weet wie haar vader is en dat daarom het contact met de vader op korte termijn alsnog tot stand dient te worden gebracht waarbij de omgang gefaseerd en onder begeleiding van de GI moet worden opgebouwd. Het hof heeft daarbij overwogen dat er geen contra-indicaties zijn om uiteindelijk te komen tot een frequentie en duur van de omgang zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking bepaald.

Het hof achtte het aangewezen om, alvorens een definitieve beslissing te geven, geïnformeerd te worden over het verloop van de (opbouw van de) omgang.

Het hof heeft daarom de beslissing op het verzoek van de moeder in hoger beroep aangehouden en bepaald dat de GI tot opbouw van de omgang kan overgaan tot uiteindelijk een (onbegeleide) omgang tussen de vader en [de minderjarige] van eenmaal per veertien dagen, twee uren. Het hof heeft de moeder opgedragen onvoorwaardelijk haar medewerking te verlenen aan de omgang tussen de vader en [de minderjarige] .

2.3

Uit de informatiebrief van de GI van 28 februari 2020 blijkt dat de GI meerdere malen tevergeefs heeft geprobeerd om in contact te komen met de moeder; er is gebeld, er zijn voicemailberichten ingesproken en er hebben onverwachtse huisbezoeken plaatsgevonden.

Omdat de moeder ook niet reageerde op contactverzoeken, heeft de GI op 17 januari 2020 een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing aan haar verzonden. Vervolgens heeft er op

31 januari 2020 een gesprek plaatsgevonden bij de GI en is met de moeder afgesproken dat er op 21 februari 2020 een huisbezoek zou plaatsvinden waarbij de gezinsvoogd [de minderjarige] zou zien. Er zou dan ook een door de gezinsvoogd begeleide omgang met de vader plaatsvinden.

De afspraak op 21 februari 2020 is door de moeder afgezegd en het is niet gelukt om een nieuwe afspraak te maken. De GI heeft hierdoor geen zicht gekregen op de opvoedsituatie

bij moeder. Wel heeft de school van [de minderjarige] bij de GI aangegeven zorgen te hebben over het gedrag van [de minderjarige] . De GI heeft het contact tussen [de minderjarige] en haar vader nog niet tot stand kunnen brengen. De GI is daarom voornemens om spoedig een schriftelijke aanwijzing aan de moeder te geven. De GI pleit voor stevige externe druk in de vorm van het opleggen van een dwangsom teneinde de moeder te bewegen om de omgang tussen vader en [de minderjarige] te doen plaatsvinden.

2.4

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de vader en de raad voor de kinderbescherming niet gereageerd op de informatiebrief van de GI. De moeder heeft bij brief van 4 maart 2020 gereageerd. Volgens de moeder is [de minderjarige] een sociale meid met veel vriendinnetjes die het erg goed doet op school. De moeder herkent de door de school geuite zorgen niet. Volgens de moeder heeft zij het geplande tweede gesprek (op 21 februari 2020) moeten afzeggen omdat zij ziek was en is er geen sprake van dat zij geen nieuwe afspraak wilde maken.

2.5

Het hof overweegt naar aanleiding van het vorenstaande als volgt.

Het hof acht de stelling van de moeder, dat zij niet onwillig is om mee te werken aan afspraken met de GI om tot omgang tussen de vader en [de minderjarige] te komen, ongeloofwaardig. Uit de jarenlange voorgeschiedenis zoals die blijkt uit het dossier, blijkt het tegendeel.

Het hof constateert dat het nog steeds niet is gelukt om de in de bestreden beschikking van 30 januari 2017 vastgestelde omgangsregeling tot uitvoering te brengen, terwijl meermalen en door verschillende instanties is geoordeeld dat dit in het belang van [de minderjarige] is.

Het is zelfs niet gelukt om de bij beschikking van 29 augustus 2018 vastgestelde minimale (opbouw van de) omgang van een half uur per maand tot stand te brengen.

Inmiddels heeft er al meer dan drie jaar geen omgang plaatsgevonden als gevolg van het gedrag en de weerstand van de moeder.

Het hof acht het onverkort in het belang van [de minderjarige] dat er in het kader van de ondertoezichtstelling (die inmiddels in verlengd tot 18 juni 2020) verder wordt gewerkt aan het tot stand brengen van het contact tussen vader en [de minderjarige] . Nu er geen contra-indicaties zijn gebleken voor contact tussen de vader en [de minderjarige] , zal het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep afwijzen. De door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling (van twee uur per veertien dagen zonder begeleiding op een openbare locatie) blijft daardoor in stand. Het hof wijst de moeder er nogmaals met klem op dat zij hieraan haar medewerking dient te verlenen.

2.6

De GI heeft in haar brief van 28 februari 2020 gepleit voor het opleggen van een dwangsom aan de nakoming van de omgangsregeling door de moeder.

Het hof stelt voorop dat dit niet kan worden opgevat als een verzoek ex artikel 611a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, nu een dergelijk verzoek, dat voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan, gelet op de strekking van de betreffende bepaling, is voorbehouden aan de partijen die direct betrokken zijn bij (de uitvoering van) het geschil.

Het hof is echter, anders dan in de schorsingszaak eerder is overwogen, van oordeel dat het feit dat artikel 377a BW, anders dan artikel 253a BW, de rechter niet expliciet de bevoegdheid geeft om eventueel ambtshalve een door de wet toegelaten dwangmiddel op

te leggen (mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet), niet betekent dat het opleggen van zo’n dwangmiddel, indien sprake is van een situatie ex artikel 377a BW,

in het geheel niet mogelijk zou zijn. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91) vloeit bovendien de uitdrukkelijke opdracht aan de rechter voort

om als deze de gronden van de met het gezag belaste ouder om medewerking aan omgang te weigeren ongenoegzaam acht, alle passende maatregelen te nemen om de met gezag belaste ouder er alsnog toe te bewegen om alsnog medewerking te verlenen. In lijn met deze uitspraak en onder verwijzing naar overweging 2.5 acht het hof een dwangsom bij

niet-nakoming zoals de rechtbank heeft bepaald in het belang van [de minderjarige] .

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen en deels op andere gronden, bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van

30 januari 2017, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, A.W. Beversluis en M.A.F. Holtvluwer-Veenstra, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 21 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.