Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3299

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
200.251.014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep. Geschatte (pensioen)premies verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0498
PR-Updates.nl PR-2020-0098
PJ 2020/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.251.014

(zaaknummer rechtbank 5637752 \ CV EXPL 17-684)

arrest van 21 april 2020

in de zaak van

de commanditaire vennootschap “met rechtspersoonlijkheid”

Grondwerken Kerkdriel,

gevestigd te Kerkdriel,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Grondwerken Kerkdriel,

advocaat: mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen,

tegen:

1. de stichting

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid,

gevestigd te Amsterdam,

2. de stichting

Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra, (voorheen: Stichting Aanvullingsfonds voor de Bouwnijverheid),

gevestigd te Harderwijk,

3. de stichting

Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra, (voorheen: Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid),

gevestigd te Harderwijk

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eiseressen,

advocaat: mr. J. Verbeeke.

Geïntimeerde sub 1 zal hierna SBB, geïntimeerde sub 2 SABI, geïntimeerde sub 3 SOOBI en geïntimeerden gezamenlijk zullen de Stichtingen worden genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 8 maart 2017 en 23 mei 2018 die de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector kanton, locatie Arnhem) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 23 augustus 2018,

- de memorie van grieven, met een productie,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens zijn de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

De Stichtingen vorderden in eerste aanleg – samengevat – veroordeling van Grondwerken Kerkdriel tot betaling van een bedrag van € 927.438,39, vermeerderd met de wettelijke rente over € 705.065,37, te berekenen vanaf 23 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Tevens vorderden de stichtingen Grondwerken Kerkdriel te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

SBB legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Grondwerken Kerkdriel is conform de Verplichtstellingsbeschikking van 14 november 2013 (Stcrt. 2013 nr. 32183) van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, een werkgever in de Bouwnijverheid.

Grondwerken Kerkdriel valt daarom als werkgever onder de werkingssfeer van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid, zoals omschreven in de wet Verplichte Deelneming in een Bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf2000). Op grond van het bepaalde in artikel 8 van de Wet Bpf2000 en met inachtneming van het bijbehorende Uitvoeringsreglement van de stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (hierna: Uitvoeringsreglement), is Grondwerken Kerkdriel gehouden om de premies voor haar werknemers uit hoofde van de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds te betalen. Op grond van artikel 5 van het Uitvoeringsreglement is Grondwerken Kerkdriel over iedere loondag premie verschuldigd. Op grond van artikel 6 van het Uitvoeringsreglement is Grondwerken Kerkdriel verplicht voor de werknemer uiterlijk binnen veertien dagen na het einde van elke loonperiode maandelijks de verschuldigde premie met inbegrip van het werknemersdeel te betalen. Tevens is Grondwerken Kerkdriel verplicht, op grond van artikel 14 lid 3 van het Uitvoeringsreglement, om volledige en juiste gegevens tijdig aan het fonds te verstrekken. Bij niet tijdige betaling van de verschuldigde premies is Grondwerken Kerkdriel door het enkele verloop van de termijn in gebreke. Een achterstallig bedrag aan premiebetaling wordt vermeerderd met wettelijke rente en/of buitengerechtelijke incassokosten en/of kosten voor vergaren van gegevens voor de vaststelling van de premie en/of een boete, zoals geregeld in artikel 6 lid 5 van het Uitvoeringsreglement.

3.3.

SABI legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. De collectieve Arbeidsovereenkomst Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouwnijverheid 2011-2015 (hierna: CAO BTER) is van toepassing. Grondwerken Kerkdriel is werkgever in de bedrijfstak als bedoeld in Hoofdstuk 4, artikel 1 lid 8 CAO BTER en daarom is zij een bijdrage verschuldigd aan SABI over elke dag waarop loon wordt ontvangen (Hoofdstuk 6, paragraaf I, artikel 4 CAO BTER). Bij niet tijdige betaling van de verschuldigde bijdrage is Grondwerken Kerkdriel ingevolge het Financieringsreglement van SABI invorderingsrente (gelijk aan de wettelijke rente) verschuldigd met ingang van 15 dagen na afloop van de dag waarop de premie is vastgesteld. Grondwerken Kerkdriel verstrekt alle inlichtingen die nodig zijn voor de uitvoering van de Statuten en hetgeen in de reglementen is bepaald (Hoofdstuk 6, paragraaf Hl, artikel 6 CAO BTER).

3.4.

SOOBI legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Grondwerken Kerkdriel is werkgever in de bedrijfstak op grond van de toepasselijke CAO BTER. Grondwerken Kerkdriel is aan SBB een bijdrage verschuldigd over elke dag waarover loon wordt ontvangen. Bij niet tijdige betaling van de verschuldigde bijdrage is Grondwerken Kerkdriel ingevolge het Financieringsreglement van SOOBI invorderingsrente (gelijk aan de wettelijke rente) verschuldigd met ingang van 15 dagen na afloop van de dag waarop de premie is vastgesteld.

3.5.

Grondwerken Kerkdriel heeft de verschuldigde (premie)bijdragen (deels) onbetaald gelaten. Voor zover Grondwerken Kerkdriel heeft verzuimd loongegevens te verstrekken aan de Stichtingen zijn de Stichtingen bevoegd om de hoogte van de premie te schatten. Ondanks facturatie en aanmaningen is de vordering niet (volledig) betaald. Vervolgens hebben de Stichtingen hun vorderingen ter incasso uit handen gegeven aan hun gemachtigde, die Grondwerken Kerkdriel tevergeefs tot betaling heeft gesommeerd, waarvoor aan SABI en SOOBI buitengerechtelijke kosten in rekening zijn gebracht. Daarom vorderen SABI en SOOBI vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten op grond van Hoofdstuk 6, paragraaf n, artikel 3 lid 5 sub a CAO BTER en Hoofdstuk 5, paragraaf II, artikel 3 lid 6 sub a CAO BTER. Tevens maken de stichtingen aanspraak op de wettelijke rente, primair op grond van de cao en de daarbij horende reglementen en subsidiair op grond van artikel 6:119 BW.

3.6.

De kantonrechter oordeelde dat Grondwerken Kerkdriel onder de werkingssfeer van de Stichtingen valt en dat Grondwerken Kerkdriel niet de benodigde gegevens heeft aangeleverd om de verschuldigde bedragen te kunnen berekenen. De ambtshalve opgelegde nota’s zijn verschuldigd en Grondwerken Kerkdriel is veroordeeld tot betaling van de vordering.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

In hoger beroep komt Grondwerken Kerkdriel met twee grieven op tegen de toewijzing van de vordering en de veroordeling van Grondwerken Kerkdriel in de proceskosten in eerste aanleg.

4.2.

Grondwerken Kerkdriel betwist niet dat het Uitvoeringsreglement en de cao waar de Stichtingen zich op beroepen op haar van toepassing zijn. Grondwerken Kerkdriel heeft, zo is als onweersproken komen vast te staan, niet voldaan aan haar verplichting om de volledige en juiste informatie te verstrekken. Zij betwist niet dat de Stichtingen bevoegd zijn om de premies en bijdragen te schatten. Haar verweer ten aanzien van de gevorderd hoofdsom is dat de geschatte premies en bijdragen te hoog zijn, omdat “de opgelegde premies hoger zijn dan de gehele loonsom”.

4.3.

Het hof overweegt hierover het volgende. De nota’s van SBB zijn overgelegd in eerste aanleg (productie 13 inl dgv). De Stichtingen hebben ook de uitgangspunten voor hun schattingen toegelicht. Een concreet verweer tegen de door de Stichtingen blijkens die nota’s gehanteerde uitgangspunten (het aantal werknemers dat volgens informatie van de stichtingen bij Grondwerken Kerkdriel in dienst was, gecombineerd met aannames over

lonen, arbeidsduur en andere grondslagen) ontbreekt. Aanknopingspunten voor een -in haar visie juiste(re)- schatting worden door Grondwerken Kerkdriel evenmin gegeven. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat De Stichtingen het recht hebben om uit te gaan van een ruime schatting van de premies, die niet nauwkeurig hoeft te zijn (en in dit geval ook niet nauwkeurig kan zijn gelet op de onvolledige gegevens die zijn verstrekt door Grondwerken Kerkdriel), mede gelet op het aansporingskarakter van de bevoegdheid om premie-nota’s op grond van schattingen op te leggen. Dit betekent dat Grondwerken Kerkdriel onvoldoende onderbouwt waarom de op grond van die schattingen opgelegde nota’s niet van kracht kunnen blijven en niet verschuldigd zijn. De grief faalt.

Het hof merkt nog op dat de Stichtingen zich ook in hoger beroep bereid hebben verklaard om, na correcte aanlevering van de benodigde loon- en premiegegevens door Grondwerken Kerkdriel, tot herberekening van de verschuldigde premies over te gaan.

4.4.

Grondwerken Kerkdriel voert voorts met grief 1 aan dat haar verweren tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de gevorderde wettelijke rente ten onrechte niet zijn gehonoreerd.

4.5.

Ook dat deel van de grief faalt. De Stichtingen stellen dat Grondwerken Kerkdriel in verzuim is en vorderen rente en buitengerechtelijke incassokosten op grond van de bepalingen van het Uitvoeringsreglement en de cao. Door Grondwerken Kerkdriel is niet betwist dat het Uitvoeringsreglement en de cao van toepassing zijn. Voorts staat vast dat Grondwerken Kerkdriel na het verstrijken van de in die regelingen genoemde termijnen in verzuim is geraakt met betrekking tot het verstrekken van de benodigde informatie en de betaling van de premie. De toegewezen wettelijke rente is Grondwerken Kerkdriel daarom verschuldigd.

Ook het verweer tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten faalt. Volgens Grondwerken Kerkdriel hebben de Stichtingen “enkel aanmaningen verzonden en hebben niet inhoudelijk op de vragen en bezwaren van Grondwerken Kerkdriel gereageerd”. Daarmee staat echter vast dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, namelijk het verzenden van aanmaningen, zodat Grondwerken Kerkdriel, aangezien zij in verzuim was, op grond van de toepasselijke regelingen de bedongen buitengerechtelijke kosten verschuldigd is.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat Grondwerken Kerkdriel in eerste aanleg terecht als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten is veroordeeld. Ook grief 2 faalt daarom.

Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Grondwerken Kerkdriel in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Stichtingen zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 5.270,00

- salaris advocaat € 4.678,00 (1 punt × tarief VII)

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 23 mei 2018 die de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector kanton, locatie Arnhem);

veroordeelt Grondwerken Kerkdriel in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Stichtingen vastgesteld op € 5.270,00 voor verschotten en op € 4.678,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, O.G.H. Milar en H.F.P. van Gastel, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2020.