Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3236

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
200.266.154
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot erkenning en informatieplicht. Reëel risico dat zowel belang moeder bij ongestoorde verhouding met kind als het belang kind bij evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling worden geschaad. Geen informatieplicht, geen juridisch ouder, geen family life. 1:204 lid 3 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0184
FJR 2020/58.21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.266.154

(zaaknummer rechtbank Gelderland 345883)

beschikking van 21 april 2020

inzake

[verzoeker] ,

verblijvende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. F.E. van Nisselrooij te Zutphen,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de GI,

en

[de bijzondere curator] ,

bijzondere curator in eerste aanleg,

kantoorhoudende te [B] ,

verder te noemen: de bijzondere curator,

en

de advocaat-generaal,

Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 19 december 2018 en 21 juni 2019 (welke laatste beschikking verder de bestreden beschikking zal worden genoemd), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 september 2019;

- het verweerschrift;

- een brief van de bijzondere curator van 30 oktober 2019;

- een journaalbericht van mr. Van Nisselrooij van 19 februari 2020 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 5 maart 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [C] verschenen. Namens de GI is mw. [D] verschenen. Voorts is de bijzondere curator verschenen.

3 De feiten

3.1

De man en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. De man is de verwekker van [de minderjarige] , geboren [in] 2018 te Arnhem. De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .

3.2

[de minderjarige] is door de rechtbank op 15 oktober 2018 onder toezicht gesteld van de GI.

3.3

[de minderjarige] is sinds januari 2019 uit huis geplaatst.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil de erkenning van [de minderjarige] door de man en de informatieplicht van de moeder jegens de man.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de man afgewezen.

4.2

De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat alsnog aan hem vervangende

toestemming wordt verleend voor erkenning van [de minderjarige] en de ambtenaar van de burgerlijke

stand wordt gelast om een akte van erkenning op te maken, alsmede te bepalen dat de moeder (al dan niet via de voogd) hem een keer per maand dient te informeren hoe het met [de minderjarige] gaat en daarbij een recente foto behoort te doen en de meest recente gegevens van het consultatiebureau en dat moeder hem voorts direct behoort te informeren wanneer zich ingrijpende gebeurtenissen in het leven van [de minderjarige] voordoen (b.v. ziekenhuisopname), althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.3

De moeder voert daartegen verweer en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover

mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de man af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.4

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man voert aan dat zowel [de minderjarige] als hij er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Hij vindt dat zijn belang bij erkenning groter is dan de belangen van anderen bij niet-erkennen.

De man betoogt dat de moeder haar standpunt dat zij erg bang is voor de man en dat dit leidt tot spanningen die ook effect hebben op haar contact met [de minderjarige] niet heeft onderbouwd met medische stukken van een psycholoog. Daar komt bij dat [de minderjarige] al geruime tijd uit huis is geplaatst zodat het contact tussen de moeder en [de minderjarige] volgens de man dermate beperkt zal zijn dat spanningen bij de moeder geen noemenswaardig effect op [de minderjarige] zullen hebben op dat contact.

Het is volgens hem niet aannemelijk dat de stress en spanning die de moeder mogelijk ervaart als gevolg van de erkenning door hem een zodanige weerslag zullen hebben op [de minderjarige] dat het risico reëel is dat [de minderjarige] wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.

De weerstand van de moeder lijkt aldus de man vooral gelegen te zijn in haar vrees voor gezag van en omgang tussen man en [de minderjarige] . Erkenning van [de minderjarige] door de man zal op zichzelf geen wijziging in de feitelijke situatie van de moeder en [de minderjarige] brengen.

De man heeft daarentegen een groot belang bij erkenning. Zolang hij geen juridisch vader is heeft hij niet de rechten die een juridisch vader heeft, zoals het recht op informatie over [de minderjarige] . Hij is nog steeds bezig met zijn leven een positieve wending te geven. Hij volgt therapieën en een opleiding met uitzicht op werk en is inmiddels al een aantal keer op verlof geweest.

De man meent dat aan hem vervangende toestemming tot erkenning had

moeten worden verleend en dat een informatieregeling had moeten worden vastgesteld.

5.2

De moeder voert daartegen primair aan dat zij niet negatief staat tegenover een eventuele erkenning van [de minderjarige] door de man in de toekomst, maar dat zij meent dat erkenning op dit moment nog niet aan de orde zou moeten zijn. Door erkenning komt volgens haar de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] in het gedrang.

Gelet op de mishandelingen en bedreigingen van de moeder, waarvoor de man onder meer op dit moment een ISD-maatregel volgt tot juni 2020, acht de moeder erkenning op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] . Dat erkenning door de vader gevolgen heeft voor de psychische gesteldheid van de moeder is een logisch en verklaarbaar gevolg.

Daarbij komt dat [de minderjarige] de man nog nooit heeft gezien. Volgens de man lijkt de

weerstand van de moeder vooral gelegen te zijn in haar vrees voor gezag en omgang.

De moeder is ermee bekend dat de man op termijn meer verzoeken zou willen doen. De man heeft bij de bijzondere curator aangegeven dat hij in de nabije toekomst graag een vaderrol voor [de minderjarige] wil vervullen en dat hij, na een eventuele erkenning, ook graag omgang met [de minderjarige] zou willen. Dit staat evenwel los van het standpunt van de moeder dat erkenning op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] is, juist gezien de fragiele situatie waarin [de minderjarige] zich momenteel bevindt. Een erkenning op dit moment is te vroeg en zou de belangen van [de minderjarige] schaden, aldus de moeder.

De moeder stelt zich subsidiair op het standpunt dat door een erkenning haar belang bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] wordt geschaad. Zij betwist dat, doordat [de minderjarige] al geruime tijd uit huis is geplaatst, mogelijke spanningen bij haar naar verwachting geen noemenswaardig effect zullen hebben op haar contact met [de minderjarige] .

[de minderjarige] was ten tijde van de behandeling in eerste aanleg al uit huis geplaatst. Het contact tussen haar en [de minderjarige] was nog heel fragiel. Dat is nog steeds zo. Gelet op diverse omstandigheden heeft zij [de minderjarige] een geruime tijd niet kunnen zien. Het is van belang dat de moeder en [de minderjarige] eerst volledig op elkaar kunnen focussen, zonder dat nu het risico wordt genomen dat de verhouding tussen hen gefrustreerd zou kunnen raken.

Hoewel de moeder het waardeert dat de man zijn leven een positieve wending wil laten

nemen, is het wat haar betreft nog te vroeg om zijn belangen in deze zwaarder te laten wegen dan de belangen van haarzelf en [de minderjarige] . Zij vraagt om geduld, mede gelet op het leed dat de

man haar (en indirect: ook [de minderjarige] ) heeft aangedaan. De positie van [de minderjarige] is nog te kwetsbaar. Hetzelfde geldt voor de kennelijk ingezette verbetering van de man. [de minderjarige] heeft op dit moment rust en stabiliteit nodig.

Op een later moment zal de moeder jegens [de minderjarige] geen geheim maken van het vaderschap van de man. Zij sluit erkenning en een eventuele informatieregeling in de toekomst dan ook niet uit.

5.3

De bijzondere curator adviseert tot afwijzing van het verzoek van de man.

Het zou niet in het belang van [de minderjarige] zijn dat de verhouding die hij nu met zijn moeder heeft door de gevolgen van de erkenning (ten dele) gefrustreerd zou raken. De moeder vermeldt diverse redenen waardoor de ongestoorde verhouding met [de minderjarige] verstoord zou kunnen raken.

De bijzondere curator meent dat, mede gebaseerd op de tussen partijen bestaande zeer 'turbulente' voorgeschiedenis en het standpunt van de GI, dat erkenning op dit moment een reëel risico met zich meebrengt dat zowel de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] als de belangen (evenwichtige ontwikkeling) van [de minderjarige] worden geschaad.

De bijzondere curator handhaaft zijn advies tot afwijzing van het verzoek om vervangende toestemming te verlenen.

5.4

Het openbaar ministerie heeft geadviseerd het verzoek van de man af te wijzen. Het

openbaar ministerie wijst er op dat de man momenteel een ISD maatregel ondergaat, opgelegd voor feiten, onder meer gepleegd jegens de moeder. Mede gezien het

standpunt van de GI en de bijzondere curator is het OM van mening dat het

verzoek van de man moet worden afgewezen.

5.5

De raad heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat [de minderjarige] een zorgenkind is. Er moet heel veel aandacht zijn voor goede ontwikkeling en er moet rust zijn voor hem. Het is belangrijk dat hij op enig moment weet wie zijn vader is, maar op dit moment is er al veel onrust door procedures rondom het gezag van de moeder. Mogelijk kan er meer contact zijn met de moeder in de toekomst. Het is complicerend als de man nu [de minderjarige] erkent. De situatie moet nu blijven zoals die is.

5.6

De GI heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat het gematigd goed met [de minderjarige] gaat. Hij heeft geen goede gezondheid en hij groeit niet goed. [de minderjarige] is een zorgenkindje. Hij is soms een blij kind, maar hij heeft veel meegemaakt en heeft nu al een belast verleden. Hij heeft een trauma te verwerken. In januari heeft hij in het ziekenhuis gelegen, hij was ziek en at slecht. Hij heeft sondevoeding gekregen. Hij is nu wel weer thuis bij het gezinshuis, maar krijgt nog voeding via een sonde.

Er is een tijd lang geen omgang geweest tussen de moeder en [de minderjarige] van april 2019 tot oktober 2019.

5.7

Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen.

erkenning

5.8

Volgens het bepaalde in artikel 1:204 lid 3 BW van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan op verzoek van de verwekker die het kind wil erkennen de ontbrekende toestemming van de moeder door de toestemming van de rechter worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker van het kind is. Hierbij dient een afweging te worden gemaakt tussen de belangen van betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De wetgever heeft met het scheppen van de wettelijke mogelijkheid van vervangende toestemming beoogd in het kader van de afstamming meer aansluiting te zoeken bij de biologische werkelijkheid.

5.9

Het hof overweegt als volgt.

Partijen hebben korte tijd een relatie met elkaar gehad, binnen welke relatie de man de moeder mishandelde. Mede voor deze mishandeling heeft de man vastgezeten en is een ISD maatregel opgelegd die nog voortduurt tot juni 2020.

Gebleken is dat er grote zorgen zijn rondom de opvoedsituatie en de ontwikkeling van [de minderjarige] . Hij is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Ook is er een procedure gaande waarbij beëindiging van het gezag van de moeder wordt verzocht. De moeder en [de minderjarige] zien elkaar op dit moment ongeveer eens per drie weken. In 2019 is er gedurende een lange periode geen contact tussen hen geweest. Het contact tussen de moeder en [de minderjarige] is nog heel fragiel. De man en [de minderjarige] hebben elkaar nog nooit gezien. Daar komt bij dat [de minderjarige] een zorgenkind is: hij heeft een belast verleden en een slechte gezondheid. Hij bevindt zich, gelet op al deze omstandigheden, thans nog in een zeer kwetsbare positie.

5.10

Het hof is van oordeel dat erkenning van [de minderjarige] door de vader op dit moment, gegeven de hiervoor opgenoemde omstandigheden, een reëel risico met zich meebrengt dat zowel het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] , als het belang van [de minderjarige] bij een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling worden geschaad.

Daartegenover staat het belang van de man bij erkenning. Gebleken is dat de man zijn leven een positieve wending wil laten nemen. Hij volgt therapie en diverse cursussen. Het hof is evenwel van oordeel dat deze positieve ontwikkelingen bij de man zich nog in een zeer pril stadium bevinden. De ISD maatregel van de man duurt nog voort tot juni 2020 en de man woont nog altijd begeleid. Onduidelijk is hoe de man zijn leven zal voortzetten wanneer de maatregel is afgelopen, hij niet langer begeleid woont en hij zijn leven zelfstandig moet vormgeven.

Bij een afweging van alle belangen is het hof van oordeel dat het belang van [de minderjarige] bij een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling thans het zwaarst weegt.

Het hof zal daarom het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende

toestemming voor de erkenning van [de minderjarige] op dit moment afwijzen.

informatieregeling

5.11

Ingevolge artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de

niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden

met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig

door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een

ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.

5.12

Reeds omdat de man niet de juridisch ouder is van [de minderjarige] kan het verzoek van de

man niet worden toegewezen. Bovendien is geen sprake (geweest) van het in artikel 8

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens genoemde ‘family life’ (gezinsleven) tussen

de man en het kind. Het kind en de man hebben nog nooit contact met elkaar gehad. Het

verzoek om een informatieregeling vast te stellen zal dan ook worden afgewezen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 21 juni 2019.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.H.F. van Vugt en L. Hamer, bijgestaan door de griffier, en is op 21 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.