Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3225

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
200.268.723/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonvordering. Verstek in hoger beroep. Geen reden voor een hogere wettelijke verhoging. Aanspraak op uitbetaling van niet-genoten vakantie-uren toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0461
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.268.723/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7606888)

arrest van 21 april 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. B. van Dijk, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

1 V.O.F. Familie [geïntimeerden] h.o.d.n. Kapsalon De Superschaar,

zaakdoende te [B] en [C] ,

en haar vennoten

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [B] ,

4. [geïntimeerde4] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

in hoger beroep niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van verstekvonnis van 8 januari 2019 en het vonnis in verzet van 30 juli 2019 die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 oktober 2019,

- de memorie van grieven.

2.2

Tegen [geïntimeerden] c.s. is verstek verleend.

2.3

Vervolgens heeft [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten:

3.1

[appellante] , geboren [in] 1995, is in de periode van mei tot en met september 2017 op basis van een arbeidsovereenkomst bij [geïntimeerden] c.s. in dienst geweest.

3.2

In de arbeidsovereenkomst is cao Kappersbedrijven van toepassing verklaard. Voor de beloning is [appellante] ingedeeld in de functiegroep ‘Hairstylist 2’.

3.3

In een brief van 28 augustus 2018 heeft [appellante] tegenover [geïntimeerden] c.s. aanspraak gemaakt op te weinig betaald loon en reiskostenvergoeding en op een vergoeding van opgebouwde en niet genoten verlofuren.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft in eerste aanleg na wijziging van eis - samengevat - gevorderd de veroordeling van [geïntimeerden] c.s. tot betaling van € 1.212,58 bruto aan achterstallig loon, vermeerderd met een wettelijke verhoging en van € 287,50 aan reiskosten en voor recht te verklaren wat de vakantieaanspraken van [appellante] waren en dat de financiële waarde ervan aan [appellante] moet worden uitbetaald, vermeerderd met een wettelijke verhoging, met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten.

4.2

De kantonrechter heeft in een vonnis van 30 juli 2019, na vernietiging van eerder gewezen verstekvonnis van 8 januari 2019, het gevorderd achterstallig loon alsook de gevorderde reiskostenvergoeding toegewezen. De door [appellante] gevorderde wettelijke verhoging is toegewezen tot een beloop van 10%. De vordering omtrent de vakantie-uren is als onvoldoende onderbouwd afgewezen. [geïntimeerden] c.s. zijn tot slot veroordeeld in de proceskosten.

5 De vordering in hoger beroep

5.1

[appellante] in haar dagvaarding in hoger beroep gevorderd:

voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te horen eis doen en concluderen:

I. te vernietigen het vonnis, waarvan beroep;

II. geïntimeerden te veroordelen tot betaling aan appellante van 82,8 vakantie-uren à € 9,87 bruto per uur excl. 8% vakantiegeld, derhalve € 882,61 bruto inclusief vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50%, derhalve in totaal € 1323,92 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. geïntimeerden te veroordelen in de kosten van dit beroep, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,-

V. een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest - en voor het geval de voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten, te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening.

Een vordering sub III ontbreekt.

5.2

[appellante] heeft vervolgens als vordering in haar memorie van grieven vermeld:

Het vonnis waarvan appel, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerde(n) te veroordelen tot betaling aan appellante:

I. Van € 908,20 bruto inclusief vakantiegeld aan vakantie-uren, althans het netto equivalent daarvan, vermeerderd met de wettelijke verhoging over het bruto bedrag ad 50%, althans enig percentage in goede justitie te bepalen;

II. Van de wettelijke verhoging ad 50% in plaats van 10% over de bij aangevallen vonnis toegewezen hoofdsom van € 1.212,58, derhalve € 606,29, uiteraard te verminderen met hetgeen uit het bestreden vonnis op dit punt voldaan was;

III. Van de proceskosten.

5.3

Het hof merkt allereerst op dat [appellante] weliswaar de integrale vernietiging vordert van het vonnis van 30 juli 2019 maar noch in het lichaam van de dagvaarding in hoger beroep noch in dat van de memorie van grieven is een aanknopingspunt te vinden voor de aanname dat [appellante] niet langer aanspraak wil maken op wat in dat vonnis is toegewezen. Het hof verstaat de gevorderde vernietiging aldus dat dat niet ziet op wat ten gunste van [appellante] is toegewezen en alleen op wat is afgewezen, en dat binnen de grenzen van het navolgende.

5.4

Het hof merkt voorts op dat de dagvaarding in hoger beroep een vermeerdering van eis bevat, welke eis vervolgens in de memorie van grieven is verminderd.

6 De beoordeling van de grieven en de vordering

6.1

[appellante] heeft twee grieven tegen het vonnis van 30 juli 2019. Grief I keert zich tegen de afwijzing van haar vordering omtrent vakantie-uren. Met grief II beklaagt [appellante] zich over de beperking van de over het achterstallig loon toegewezen wettelijke verhoging tot 10%.

6.2

Wat betreft grief II geldt het volgende. De kantonrechter heeft de matiging van de wettelijke verhoging gebaseerd op alle omstandigheden van het geval, daarmee reagerend op wat [appellante] én [geïntimeerden] c.s. hebben aangevoerd. Daarmee is onjuist de stelling van [appellante] in hoger beroep dat die matiging alleen gebaseerd is op het niet reageren door [appellante] op het daartoe gevoerde matigingsverweer. [appellante] heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep gereageerd op het verweer van [geïntimeerden] c.s. dat geen sprake is geweest van moedwillige tegenwerking door [geïntimeerden] c.s. Verder is onverklaard gebleven waarom [geïntimeerden] c.s. pas bijna een jaar na het eindigen van de arbeidsverhouding erop gewezen is dat zij te weinig betalingen aan [appellante] hebben gedaan. Onder deze omstandigheden acht ook het hof een matiging tot 10% voldoende passend. Grief II faalt.

6.3

Wat betreft de aanspraak van [appellante] op vergoeding van opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren geldt het volgende.

6.4

[geïntimeerden] c.s. hebben in eerste aanleg voorgerekend dat [appellante] , gelet op het aantal van

25 vakantiedagen per kalenderjaar voor een volledig dienstverband van 38 uur per week,

68 vakantie-uren heeft opgebouwd. Daartoe hebben [geïntimeerden] c.s. tot uitgangspunt genomen een periode van 5 maanden aan dienstverband, welk verband volgens hen een parttime karakter had gezien de gemiddeld door [appellante] gewerkte uren van 32,7 uur per week. [geïntimeerden] c.s. hebben daarnaast aangevoerd dat [appellante] tweemaal een volledige week (van 32,7 uur) heeft opgenomen, te weten de week van 12 t/m 18 juni 2017 en de week van 28 augustus t/m 3 september 2017. Daarmee resteert nog 2,6 reguliere vakantie-uren. [geïntimeerden] c.s. hebben daarnaast erkend dat [appellante] vanwege het niet ziekgemeld hebben aanspraak heeft op bonus vakantie-uren, die volgens [geïntimeerden] c.s. vanwege het parttime karakter van het dienstverband op 5,4 vakantie-uren moet worden berekend. Uitgaande van een bruto-uurloon van € 9,67 heeft [appellante] daardoor in totaal een aanspraak van € 79,36 bruto aan vakantie-uren, aldus [geïntimeerden] c.s.

6.5

[appellante] stelt de periode van haar dienstverband op 5,5 maand, het gemiddeld aantal gewerkte uren op 33,5 uur per week en het voor haar geldende bruto-uurloon op € 9,87.

6.6

Daar waar [appellante] stelt dat zij in de maanden mei tot en met september 2017, aldus een periode van 5 maanden, op basis van een arbeidsovereenkomst bij [geïntimeerden] c.s. in dienst is geweest, heeft zij onvoldoende onderbouwd op basis waarvan dan moet worden aangenomen dat de opbouw van vakantie-uren al zou zijn gestart in april 2017 (zoals haar overzicht vermeldt in randnummer 8 van de conclusie van antwoord in oppositie). Het gemiddelde aantal gewerkte uren als ook het tot uitgangspunt te nemen bruto-uurloon is door [appellante] bij haar conclusie van antwoord in oppositie nader onderbouwd en daarna niet meer door [geïntimeerden] weersproken. Het hof zal dat gemiddelde en dat bruto-uurloon dan ook tot uitgangspunt nemen. Dat leidt dan tot een opgebouwde aanspraak van 69,8 reguliere uren (5/12 x 190 uren per jaar x 33,5/38) vermeerderd met 5,7 bonus uren (5/12 x 15,4 uren x 33,5/38), samen

75,5 uren.

6.7

[appellante] heeft op het verweer van [geïntimeerden] c.s. dat zij twee weken vakantieverlof heeft opgenomen gereageerd, zo begrijpt het hof haar, dat zij weliswaar de door [geïntimeerden] c.s. aangewezen weken niet heeft gewerkt maar ook niet betaald heeft gekregen (randnummer 11 conclusie van antwoord in oppositie). Die stelling sluit aan bij het door [appellante] in die conclusie gegeven overzicht van gewerkte uren die in de maanden juni en augustus 2017 minder zijn dan in de andere maanden. Op een en ander heeft [geïntimeerden] c.s. niet meer gereageerd zodat het hof aan hun verweer ter zake als onvoldoende onderbouwd voorbij gaat.

6.8

Het voorgaande leidt ertoe dat [geïntimeerden] c.s. ten onrechte een bedrag van € 804,80 bruto (75,5 uren à € 9,87, vermeerderd met 8% vakantietoeslag) aan vergoeding van opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren onbetaald hebben gelaten. In zoverre treft grief I doel.

6.9

Het hof ziet geen reden om over de achterstallige vergoeding voor opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren een andere, hogere wettelijke verhoging toe te wijzen dan toegewezen over het achterstallig loon, ook niet in wat [appellante] in grief II (vergeefs) naar voren heeft gebracht over de wettelijke verhoging over het achterstallige loon. Over het bedrag van deze vergoeding zal dan ook een verhoging van 10% zal worden toegewezen in plaats van de door [appellante] gevorderde verhoging van 50%.

7 De slotsom

7.1

Grief I slaagt, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd, voor zover het betreft de afwijzing van het meer of anders gevorderde. Er zal alsnog een bedrag aan vakantie-uren worden toegewezen, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 10%.

7.2

Nu [appellante] deels in het gelijk en deels in het ongelijk wordt gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

8 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 30 juli 2019, behoudens voor zover daarbij het meer of anders gevorderde is afgewezen, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet voor het overige opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot betaling aan [appellante] van € 804,80 bruto inclusief vakantiegeld, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 10%;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, J.H. Kuiper en O.E. Mulder en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

21 april 2020.