Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3193

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
200.268.030
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident tot overname procedure aan de zijde van een failliet door pandhouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.268.030

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, 309310)

arrest van 14 april 2020

in het incident tot overname van de procedure namens

de besloten vennootschap

Hassel Holding B.V.,

gevestigd te Sleeuwijk, gemeente Land van Altena,

eiseres in het incident,

hierna: Hassel Holding,

advocaat: mr. S. Mol,

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Vrijheid Apeldoorn B.V.,

gevestigd te Hengelo (Overijssel),

2. [appellant2],

wonende te [A] , Thailand,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

hierna: Vrijheid Apeldoorn respectievelijk [appellant2] ,

advocaat: mr. S. Mol,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Victoria Beheer B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: Victoria Beheer,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 26 april 2017, 5 juli 2017, 7 maart 2018, 22 augustus 2018 en 19 juni 2019 die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding in hoger beroep van 19 september 2019, het herstelexploot van 30 september 2019 en het aanbrengen van de zaak op 12 november 2019, op welke datum jegens geïntimeerde verstek is verleend. Vervolgens is de zaak op de rol gezet van 7 januari 2020 voor memorie van grieven. Op 3 januari 2020 is bij de griffie van het hof binnengekomen een brief d.d. 2 januari 2020 van mr. Luttikhuis, curator van Vrijheid Apeldoorn B.V., met de mededeling dat Vrijheid Apeldoorn B.V. op 30 oktober 2019 failliet was verklaard en het verzoek om een termijn te geven voor uitlating over het al dan niet overnemen van (onder meer) deze procedure. De zaak is vervolgens op de rol geplaatst van 4 februari 2020 voor uitlating curator. De curator heeft de procedure niet overgenomen. Op de rol van 4 februari 2020 is aangetekend dat de procedure in conventie tussen Victoria Beheer en Vrijheid Apeldoorn B.V. op grond van artikel 29 Fw van rechtswege is geschorst. Op 18 februari 2020 heeft Hassel Holding B.V. een incidentele vordering ingediend tot overname van de procedure aan de zijde van Vrijheid Apeldoorn. Vrijheid Apeldoorn is in de gelegenheid gesteld een antwoordconclusie in het incident te nemen, maar zij heeft die gelegenheid niet benut. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het griffiedossier.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1

Victoria Beheer heeft in eerste aanleg in conventie de hoofdelijke veroordeling gevorderd van Vrijheid Apeldoorn en [appellant2] tot betaling van een aantal geldsommen, met rente daarover. In reconventie hebben Vrijheid Apeldoorn en [appellant2] de betaling van Victoria Beheer gevorderd van een geldsom, met rente daarover. De rechtbank heeft bij haar eindvonnis in conventie Vrijheid Apeldoorn veroordeeld tot betaling van een aantal geldsommen en het meer of anders gevorderde afgewezen. De rechtbank heeft in reconventie de vorderingen afgewezen.

3.2

Door het faillissement van Vrijheid Apeldoorn is de procedure in conventie ten aanzien van haar van rechtswege geschorst op grond van artikel 29 Fw.

3.3

Hassel Holding vordert in het incident dat het hof haar toestaat “deze procedure met zaaknummer 200.268.030 aan de zijde van Vrijheid Apeldoorn in reconventie over te nemen in conventie; en dat het gerechtshof de procedure hervat in de stand waarin deze zich bevond voor het faillissement van Vrijheid Apeldoorn en aan Hassel Holding de gelegenheid geeft een memorie van grieven in te dienen”. Hassel Holding heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij op 1 november 2017 een pandrecht heeft verkregen op alle huidige en toekomstige vorderingen van Vrijheid Apeldoorn, waaronder de vorderingen die Vrijheid Apeldoorn in reconventie heeft ingesteld, dat zij het pandrecht aan de curator heeft geopenbaard, dat de curator het pandrecht van Hassel Holding heeft erkend en dat zij dit pandrecht bij de incidentele conclusie aan Victoria Beheer openbaart. De inningsbevoegdheid is op grond van artikel 3:246 lid 1 BW daarmee op Hassel Holding overgegaan, zo stelt zij.

3.4

Hierover wordt als volgt overwogen. Op grond van artikel 225 lid 1 sub c Rv is een grond voor schorsing van het geding het ophouden van de betrekkingen waarin een partij het geding voerde, hetzij ten gevolge van rechtsopvolging onder algemene titel op een ander, hetzij door een andere oorzaak. Ingevolge artikel 227 lid 1 Rv wordt het geding hervat in de stand waarin dit zich bij de schorsing bevond ofwel a) doordat de partij bij wie de grond voor schorsing is opgekomen bij de betekening van de schorsingsgrond verklaart dat het geding wordt hervat, ofwel b) doordat een der partijen, met instemming van de andere partij, een daartoe strekkende akte ter rolle neemt, dan wel bij exploot verklaart dat het geding wordt hervat.

3.5

Het overgaan van de inningsbevoegdheid ten aanzien van een vordering door het openbaar maken van een stil pandrecht, valt onder artikel 225 lid 1 onder c Rv (het ophouden van de betrekkingen waarin een partij het geding voerde door een andere oorzaak). Artikel 3:246 lid 1 BW bepaalt: “Rust het pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder bevoegd in en buiten rechte nakoming daarvan te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld.” Hassel Holding stelt dat de inningsbevoegdheid ten aanzien van de door Vrijheid Apeldoorn aan haar stil verpande vorderingen op haar is overgegaan doordat zij de verpanding bij haar vordering in incident aan de schuldenaar bekend heeft gemaakt. De schuldenaar van de gestelde vordering is hier Victoria Beheer. Het mededelen van een pandrecht in een incidentele conclusie in een procedure waarin de schuldenaar niet is verschenen, is onvoldoende om als ‘mededeling’ te gelden in de zin van artikel 3:246 lid 1 BW. Aangenomen moet immers worden dat die mededeling de schuldenaar, Victoria Beheer, niet heeft bereikt. Bovendien beoogt Hassel Holding kennelijk onmiddellijke hervatting van de procedure. Daartoe is echter een akte ter rolle onvoldoende, nu niet is gebleken van de instemming van Victoria Beheer (artikel 227 lid 2 Rv).

3.6

Het vorenstaande betekent dat de incidentele vordering wordt afgewezen.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incident

wijst de vordering af;

veroordeelt Hassel Holding B.V. in de kosten van het incident, aan de zijde van Victoria Beheer begroot op nihil;

in de hoofdzaak

bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.B. ter Heide, H.L. Wattel en C.J.H.G. Bronzwaer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020.