Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3108

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
01-05-2020
Zaaknummer
200.273.009
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling; artikel 1:255, lid 1 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.273.009

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 489066)

beschikking van 16 april 2020

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. P.C. Smit te Utrecht,

en

[de vader] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verder te noemen: [de vader] ,

en

raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,


en

de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als informant is aangemerkt:

[de stiefvader] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verder te noemen: de stiefvader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 oktober 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Verder: de bestreden beschikking.

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties van de moeder, ingekomen op 21 januari 2020;

- een brief van de raad van 20 februari 2020.

2.2

De minderjarige [kind 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 12 maart 2020 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

- de stiefvader en de moeder, bijgestaan door hun advocaat;

- [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad;

- [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI.

[de vader] was niet aanwezig.

3 De feiten

3.1

De moeder en [de vader] zijn de ouders van [kind 1] , geboren op

[geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] .

De moeder en [de vader] zijn samen belast met het gezag over [kind 1] .

3.2

De moeder en de stiefvader zijn de ouders van:

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] , en

- [kind 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats] .

De moeder en de stiefvader vormen met [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] een gezin.

3.3

In de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter [kind 1] onder toezicht gesteld met ingang van 21 oktober 2019 tot

21 oktober 2020.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de ondertoezichtstelling van [kind 1] te beëindigen met ingang van de datum van de beschikking van dit hof of een andere door het hof vast te stellen datum.

4.2

De raad voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

Net als de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255, eerste lid, BW. Het hof voegt hier het volgende nog aan toe.

5.3

Het gezin van de moeder en de stiefvader is door betalingsachterstanden op 24 juli 2019 uit huis gezet. Het is de moeder en de stiefvader na een periode van inwonen bij familie en vrienden inmiddels gelukt om vervangende woonruimte te vinden. De raad heeft op de mondelinge behandeling gezegd dat alleen daarmee de zorgen over dit gezin niet zijn weggenomen. Die zorgen gaan verder dan alleen de huisvesting. Het hof is het daarmee eens. Zo heeft [kind 1] in 2019 veel schoolverzuim gehad. Zij was volgens informatie van de GI vaker niet dan wel op school.

5.4

Het hof heeft op basis van de informatie van de GI de indruk dat de moeder zo minimaal mogelijk meewerkt aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Zo is huisbezoek pas na een intensieve zoektocht naar het woonadres van het gezin toegestaan, is er onvoldoende zicht op de gezondheid van [kind 1] , die aan een stamcelziekte lijdt en blijft de moeder bij haar standpunt dat zij geen hulp nodig heeft. Ondanks de zorgen die er zijn over hun financiële positie na de uit huiszetting in juli 2019, weigeren de moeder en de stiefvader inzage te geven in hun financiële situatie. De toelichting van de stiefvader op de mondelinge behandeling dat het gezin een inkomen heeft van € 5.000,- per maand en daarvan leeft roept meer vragen op dan dat het een antwoord geeft. Het verhoudt zich bijvoorbeeld niet met de waarneming van de GI tijdens een huisbezoek dat de kinderslaapkamers niet zijn ingericht en er geen bedje is voor [kind 3] . Het hof vindt het gezien de grote zorgen die er over het welzijn van [kind 1] in dit gezin zijn, aan de moeder om die zorgen door het geven van openheid van zaken weg te nemen. De enkele stelling van de moeder in hun beroepschrift dat er slechts sprake is geweest van een korte periode van instabiliteit in de opvoedingssituatie door het wegvallen van de vertrouwde woonplek is daartoe onvoldoende. Het hof acht professionele en deskundige hulp, in het bijzonder medische zorg en monitoring, voor [kind 1] dan ook dringend geboden. Dat hulpverlening in een vrijwillig kader effect zal hebben is mede gezien het bovenstaande niet aannemelijk.

5.5

De grieven falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 21 oktober 2019.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 16 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.