Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3102

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
200.206.601
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Geen aanleiding voor afwijking van door rechtbank vastgestelde behoefte. Rekening gehouden met bonussen, ‘hardship allowance’ (dubbele bijstandsnorm), vliegtickets.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2020/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.197.413, 200.197.414 en 200.206.601

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 403137 en 408357)

beschikking van 16 april 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L. Berghuis-Knijff te Utrecht,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] (Saoedi-Arabië),

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.M. van Wijk te Honselersdijk, gemeente Westland.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 mei 2016 (zoals hersteld bij beschikkingen van

1 juli 2016 en 17 augustus 2016), uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1 tot en met 33 (producties 1 tot en met 17 zijn de stukken

van de procedure in eerste aanleg), ingekomen op 18 februari 2016;

- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 6;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 34 tot en met 40;

- een journaalbericht van mr. Berghuis-Knijff van 19 augustus 2016 met een wijziging van

de laatste zin van het petitum in het beroepschrift;

- een journaalbericht van mr. Berghuis-Knijff van 22 augustus 2016 met een aanvulling van

productie 1 bij het beroepschrift (huwelijksakte);

- een journaalbericht van mr. Berghuis-Knijff van 30 augustus 2016 met herstelbeschikking

en een wijziging van een onderdeel van het petitum in het beroepschrift;

- een journaalbericht van mr. Berghuis-Knijff van 7 oktober 2016 met het proces-verbaal uit

de eerste aanleg;

- een journaalbericht van mr. Van Wijk van 7 oktober 2016 met een kopie van een paspoort

behorende bij productie 3 van het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht van mr. Berghuis-Knijff van 16 januari 2020 met een brief en

toelichting op de behoefte en met nieuwe verzoeken en met producties 41 tot en met 75;

- een journaalbericht van mr. Berghuis-Knijff van 20 januari 2020 met producties 76 en 77;

- een journaalbericht van mr. Van Wijk van 20 januari 2020 met een brief waarin onder

meer aanvullende verzoeken en met producties 7 tot en met 30;

- een journaalbericht van mr. Van Wijk van 29 januari 2020 met een draagkrachtberekening

die behoort bij productie 25.

2.2

De vrouw heeft om een voorlopig getuigenverhoor verzocht in verband met haar stelling dat de man een hoger inkomen heeft dan het door hem genoemde (en door de rechtbank in aanmerking genomen) bedrag van € 13.100,- per maand en dus voldoende draagkracht heeft om een bedrag aan partneralimentatie te betalen gelijk aan haar behoefte. Dit verzoek is bij het hof geadministreerd onder zaaknummer 200.206.601. Ten aanzien van dit verzoek heeft op 2 maart 2017 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarna bij beschikking van dit hof van 23 maart 2017 het verzoek van de is toegewezen en is bepaald dat de vrouw de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven. De kosten van die procedure zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.3

Op 6 oktober 2017 zijn partijen, ieder vergezeld van zijn of haar advocaat, na daartoe te zijn opgeroepen verschenen en zijn als getuigen van de zijde van de vrouw gehoord de heer [C] (bijgestaan door een tolk) en mevrouw [D] . Van dit getuigenverhoor is een proces-verbaal opgemaakt. Volgens is het getuigenverhoor gesloten aan de zijde van de vrouw en is de zaak verwezen naar 20 oktober 2017 voor opgeven verhinderdata in het kader van de datumbepaling contra-enquête.

2.4

Op 21 december 2017 zijn partijen, ieder vergezeld van zijn of haar advocaat, na te zijn opgeroepen verschenen en is als getuige van de zijde van de man gehoord de heer

[E] . Van dit getuigenverhoor is een proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is de zitting gesloten en is de zaak aangehouden tot 11 januari 2018 voor het opgeven van verhinderdata ten behoeve van de voortzetting van het tegengetuigenverhoor. Middels een V8-formulier heeft de advocaat van de man het hof bericht dat de man afziet van het verder horen van getuigen in de contra-enquête.

2.5

De mondelinge behandeling (in de hoofdzaak) heeft op 30 januari 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1990 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

3.2

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 22 september 2015 is – voor de duur het van geding en uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [a-straat 1] te [A] , met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden en is bepaald dat de man met ingang van de datum van die beschikking € 1.371,- per maand aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in haar levensonderhoud.

3.2

De vrouw heeft op 19 oktober 2015 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan. Bij de beschikking van 20 mei 2016 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 12 september 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

Naast het uitspreken van de echtscheiding heeft de rechtbank in de beschikking van

20 mei 2016 (zoals hersteld bij beschikkingen van 1 juli 2016 en 17 augustus 2016 en hierna ook aan te duiden als ‘de bestreden beschikking’) bepaald dat de man aan de vrouw € 3.635,- per maand dient te voldoen als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Verder is het voorgezet gebruik van de woning aan de [a-straat 1] te [A] aan de vrouw toegekend, is bepaald dat uit de opbrengst van de verkoop van de woning een bedrag van € 33.289,- aan de vrouw dient te worden vergoed, is voor recht verklaard dat de man vanwege schenkingen een privévermogen toekomt van € 48.658,80 en is de man

niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om te bepalen dat het saldo van een Robecorekening behoort tot zijn privévermogen. Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het geschil tussen partijen in hoger beroep betreft de volgende onderwerpen:

- de partneralimentatie;

- verschaffen van informatie en van stukken met het oog op vermogensverrekening;

- vergoedingsrechten.

4.2

De vrouw is met vijftien grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof om bij beschikking voor zover mogelijk

uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen:

  1. voor zover daarin de partneralimentatie is bepaald op een bedrag van € 3.635,- per maand en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 14.367,01 per maand te voldoen telkens bij vooruitbetaling, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

  2. voor zover daarin het verzoek onder punt IV van het verzoekschrift is afgewezen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man een beschrijving en waardebepaling van zijn per 3 januari 2015 aanwezige goederen en gelden, met stukken ter onderbouwing, aan de vrouw dient te verstrekken, althans te bevelen een beschrijving en waardebepaling van de per 3 januari 2015 aanwezige goederen en gelden van de man bij een bij het bevel aan te wijzen notaris alsmede dat de man zijn medewerking daaraan dient te verlenen, zulks ter vaststelling van zijn voor verrekening in aanmerking komende vermogen, dit binnen twee weken na de datum van de door het hof te wijzen beschikking, op straffe van een dwangsom van € 500,- met een maximum van € 100.000,- voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke blijft, indien en voor zover de man deze stukken niet overlegt;

  3. voor zover daarin het verzoek onder punt V van het verzoekschrift is afgewezen en opnieuw rechtdoende [F] , equip-partner bij [G] te [H] , als deskundige op te roepen zulks ter vaststelling van het voor verrekening in aanmerking komende vermogen van de man;

  4. voor zover daarin het verzoek onder punt VI van het verzoekschrift is afgewezen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man binnen twee weken na de datum van de door het hof te wijzen beschikking een overzicht van al zijn bankrekeningen en rekeningafschriften in Saoedi-Arabië en bij andere buitenlandse en Nederlandse banken over de periode 23 maart 2011 tot aan de door het hof te geven beschikking aan de vrouw dient te overleggen vergezeld van verklaring van de SABB met een opgave van de op zijn naam staande bankrekeningen alsmede een verklaring van de werkgever van de man waaruit blijkt op welke rekeningen van de man zijn salaris, bonussen, vergoedingen, en andere werk gerelateerde betalingen worden overgemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,- met een maximum van € 100.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man deze stukken, of een gedeelte daarvan, niet overlegt;

  5. voor zover daarin het verzoek onder punt IX van het verzoekschrift is afgewezen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man binnen twee weken na datum van de te wijzen beschikking, dan wel een termijn die het hof juist acht, inzage zal verschaffen in de door hem tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten door verstrekking van een recent overzicht van de door de man opgebouwde pensioenrechten van mijn.pensioenoverzicht.nl, alsmede alle op zijn naam staande uniforme pensioen overzichten 2015, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- met een maximum van € 100.000,- voor elke dag of een gedeelte daarvan dat de man in gebreke blijft geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling te voldoen;

  6. voor zover daarin het verzoek onder punt X van het verzoekschrift is afgewezen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat uit de opbrengst uit verkoop van de gemeenschappelijke woning na aftrek van de hypothecaire lening en verkoopkosten een bedrag van € 71.860,- dient te worden vergoed, waarna de restantopbrengst bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld, en daarbij tevens te bepalen dat wanneer de overwaarde van de woning niet toereikend is voor betaling van de vergoeding van de vrouw van € 71.860,- aan haar, het tekort uit het positief saldo van de overige gemeenschappelijke vermogensbestanddelen wordt voldaan en bij (gedeeltelijke) onmogelijkheid daarvan te bepalen dat de vrouw ter zake het tekort een vordering gelijk aan de helft van het resterende bedrag heeft op de man, een en ander binnen veertien dagen na betekening van de door het hof te wijzen beschikking;

  7. voor zover daarin het verzoek onder punt X van het verzoekschrift is afgewezen en opnieuw rechtdoende te bepalen de man een bedrag van € 27.344,26 aan de vrouw verschuldigd is uit hoofde van hetgeen de vrouw te veel heeft voldaan en zal voldoen aan de kosten van de huishouding;

  8. voor zover daarin door de rechtbank voor recht verklaard is dat de man een privé vermogen heeft van € 48.658,-; en

  9. te bepalen dat de man binnen twee weken na de datum van de door het hof te wijzen (tussen-)beschikking kopieën van al zijn bankafschriften van de rekening op zijn naam met nummer [00000] bij de [a-bank] over de jaren 1996 en 1997 aan de vrouw dient te verstrekken zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- met een maximum van € 100.000,- voor elke dag of een gedeelte daarvan dat de man in gebreke blijft geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling te voldoen,

en de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.

Aanvullend verzoekt zij, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (blijkend uit de brief bij het journaalbericht van mr. Berghuis-Knijff van 17 januari 2020):

primair

de man te veroordelen in de werkelijke kosten van rechtsbijstand in dit geding, bestaande uit het honorarium van de advocaat van de vrouw vermeerderd met de kantoorkosten en BTW ad € 3.316,- alsmede verschuldigd griffierecht ad € 287,- voor een totaalbedrag van € 9.179,36 alsmede de kosten van de getuigen de heer [C] en mevrouw [D] (de ‘taxe’) in het getuigenverhoor met zaaknummer met kenmerk 200.206.607 voor een bedrag van € 2.350,- in totaal,

subsidiair

de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, de na de uitspraak nog vallende kosten (de nakosten) van € 157,- en, ingeval van betekening, verhoogd met € 82,-, daaronder uitdrukkelijk begrepen, alsmede de man te veroordelen in de kosten van de getuigen de heer [C] en mevrouw [D] (de ‘taxe’) in het getuigenverhoor met zaaknummer met kenmerk 200.206.601 voor een bedrag van € 2.350,- in totaal.

4.3

De man voert verweer en verzoekt de vrouw in haar twaalfde grief niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen en de overige verzoeken van de vrouw af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

4.4

Op zijn beurt is de man met tien grieven in incidenteel hoger beroep gekomen en verzoekt de bestreden beschikking met uitzondering van de punten 4.1, 4.3 en 4.5 van het dictum van de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

  1. te bepalen dat de vrouw in deze procedure alle relevante informatie met betrekking tot haar vermogenspositie over dient te leggen, zodat deze meegewogen kan worden bij het bepalen van haar behoeftigheid aan partneralimentatie;

  2. naar goede justitie en rekening houdend met hetgeen de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ten aanzien van behoefte, draagkracht en verdiencapaciteit naar voren heeft gebracht een bijdrage van de man aan de vrouw in haar kosten van levensonderhoud vast te stellen, niet hoger dan € 3.635,- bruto per maand;

  3. te bepalen dat de vrouw binnen 14 dagen na de in deze te wijzen beschikking haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking dient te verlenen aan het verkopen en leveren van de woning met toebehoren, staande en gelegen aan de [a-straat 1] te [A] , alsmede te bepalen dat, indien de vrijwillige medewerking van de vrouw uitblijft ook nadat haar een redelijke termijn van 14 dagen is gesteld om deze alsnog te verlenen, de beschikking van het hof in de plaats zal treden van de van de vrouw vereiste medewerking aan zowel verkoop als levering;

  4. te bepalen dat aan de vrouw de gelegenheid toekomt om uiterlijk binnen een maand na de datum van de beschikking van het hof aan te tonen dat zij in staat is de volledige eigendom van de woning over te nemen en de op de woning rustende hypotheeklening elders dan bij [I] BV te financieren;

  5. te bepalen dat de eigendom van de tweede garage die kadastraal is toegevoegd aan de [a-straat 1] en voorheen behoorde bij [a-straat 2] , inclusief de bij die garage oorspronkelijk behorende ondergrond (te verifiëren aan de hand van de kadastrale gegevens van destijds), uitsluitend de man toebehoort, zodat hem de (verkoop)waarde van dit onderdeel van de onroerende zaak [a-straat 1] geheel toekomt, waarbij de verkopend makelaar c.q. (bij overname van de woning door de vrouw) een door partijen gezamenlijk aan te wijzen makelaar bindend advies zal uitbrengen over het deel van de verkoopprijs c.q. waarde van de woning dat deze garage betreft en de man dit bedrag bij de overdracht van de woning aan de koper dan wel de vrouw rechtstreeks via de notaris uitgekeerd dient te krijgen;

  6. te bepalen dat aan de man een vergoedingsrecht toekomt ter zake zijn investeringen in de echtelijke woning aan de [a-straat 1] te [A] ten bedrage van € 71.247,- (te weten de schenkingen van zijn ouders ad NLG 109.592,12 + NLG 25.015,- en zijn eigen betaling van NLG 22.400,- aan de keuken), te vermeerderen met de overige investeringen die de man in de woning heeft gedaan ad € 91.869,77;

  7. te bepalen dat de man het hiervoor genoemde bedrag van € 71.247,- + € 91.869,77 mag verhalen op de verkoopopbrengst van de woning, verminderd met de waarde van de tweede garage c.a. die geheel aan de man toekomt en verminderd met de hypotheekschuld, waarna het resterende deel tussen partijen bij gelijke helften zal worden verdeeld, alsmede te bepalen dat indien de hiervoor bedoelde (per saldo-) verkoopopbrengst van de woning onvoldoende zal zijn om de vordering van de man op te verhalen dan wel indien de woning aan de vrouw wordt toegedeeld, hij zich bij voorrang mag verhalen op de overige positieve vermogensbestanddelen die tot het te verrekenen vermogen behoren, alsmede te bepalen dat indien ook die ontoereikend zijn om de vordering van de man op te verhalen, de man een vordering op de vrouw zal hebben voor de helft van het (resterende) bedrag, welke vordering door de vrouw dient te worden voldaan binnen 14 dagen na de datum van de in deze door het hof te wijzen beschikking;

  8. te bepalen dat aan de man uit hoofde van de schenking op 10 juli 2002 een privé vermogen toekomt ad € 50.000,-;

  9. te bepalen dat de man het bedrag ad € 48.658,80 ter zake door zijn ouders betaalde rente over schuldig erkende schenkingen, dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag, op de vrouw te vorderen heeft uit hoofde van door hem voor haar betaalde vermogensbelasting, die voor haar eigen rekening had moeten komen;

  10. te bepalen dat aan de man een privé vermogen toekomt van NLG 77.981,61 ter zake zijn vermogen bij aanvang van het huwelijk van partijen op zijn Robeco/Roparcorekening met nummer [00001] , zoals blijkt uit productie 45 van de zijde van de man, overgelegd in eerste aanleg;

  11. te bepalen dat de vrouw aan de man ter zake de factuur van de firma [J] een bedrag van € 800,- dient te vergoeden en dat zij, voor zover zij dat nog niet heeft gedaan, de resterende 33% van de factuur van de firma [J] voor eigen rekening dient te nemen;

  12. te bepalen dat het meerwerk, zoals gefactureerd door de firma [K] , geheel voor rekening van de vrouw komt en dat het resterende bedrag door ieder van partijen gelijkelijk dient te worden gedragen.

Aanvullend verzoekt de man het hof (blijkend uit de brief bij het journaalbericht van 20 januari 2020 van mr. Van Wijk):

- te bepalen dat de indexering over de vast te stellen alimentatie wordt uitgesloten;

- te bepalen dat aan de man een regresvordering toekomt ter grootte van het voor de vrouw

aan premies betaalde bedrag over de genoemde periode.

4.5

De vrouw voert verweer op het incidenteel hoger beroep van de man en verzoekt de man in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op de mondelinge behandeling is aan de orde gesteld dat het voorlopig getuigenverhoor (zaaknummer 200.206.601) formeel nog niet is afgesloten. Nu echter geen van partijen nog getuigen wenst te horen kan dat dossier worden gesloten. Het hof zal dit in het dictum van deze beschikking opnemen.

5.2

De vrouw heeft op de mondelinge behandeling haar eerste grief, over de pensioenrechten, ingetrokken. Verder is op de mondelinge behandeling gesproken over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen. Daarbij zijn tussen partijen afspraken gemaakt die, na een korte schorsing van de mondelinge behandeling, als volgt in het proces-verbaal zijn opgenomen:

Na de schorsing verzoeken partijen eenparig om de grieven die niet zien op de alimentatie in deze procedure als ingetrokken te beschouwen. Partijen zijn overeengekomen deze kwesties tezamen met de overige vorderingen over en weer in onderling overleg dan wel door middel van een bodemprocedure bij de rechtbank te (laten) beslissen. Zij zullen zich ten aanzien van de bovenbedoelde grieven beiden niet op het standpunt stellen dat de beslissingen die de rechtbank Midden-Nederland heeft genomen in de beschikking van 20 mei 2016 (hersteld bij beschikkingen van 1 juli 2016 en 17 augustus 2016) tussen hen kracht - dan wel gezag van gewijsde gekregen hebben. Het gaat om de grieven XII tot en met XV uit het principaal hoger beroep en de grieven 5 tot en met 10 uit het incidenteel hoger beroep.

5.3

Daarmee zijn ook de met die grieven verband houdende verzoeken ingetrokken, zodat daar door het hof niet op zal worden beslist. Dit betreft de verzoeken 2 tot en met 9 van de vrouw zoals hiervoor onder 4.2 vermeld, en de verzoeken iii tot en met xii en het tweede aanvullend verzoek van de man zoals hiervoor onder 4.3 vermeld. De resterende grieven betreffen alle de bijdrage van de man in het in levensonderhoud van de vrouw (verder: de partneralimentatie) en deze zullen hierna worden besproken. Grief XI van de vrouw is een zogenoemde veeggrief, waaraan geen zelfstandige betekenis toekomt en deze zal dan ook niet afzonderlijk worden besproken.

de behoefte van de vrouw (grief II van de vrouw, grief 1 van de man)

5.4

De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw vastgesteld op € 5.145,- netto per maand. Evenals in eerste aanleg stelt de vrouw in hoger beroep dat haar behoefte € 7.612,03 netto per maand is, en voegt daar in hoger beroep aan toe dat haar behoefte met ingang van 16 maart 2018 € 6.033,- netto per maand is. De man stelt dat de behoefte van de vrouw maximaal € 3.085,- netto per maand is.

5.5

Het hof stelt ten aanzien van de behoefte het volgende voorop. De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

5.6

Ook de rechtbank heeft het voorgaande bij de vaststelling van de behoefte vooropgesteld. Nu partijen het niet eens waren over toepassing van de zogenoemde ‘Hofnorm’ heeft de rechtbank de door de vrouw overgelegde behoeftelijst als uitgangspunt genomen voor zover die door de man niet is weersproken. Vervolgens is de rechtbank de verschillende kostenposten langsgegaan en heeft deze op sommige onderdelen in redelijkheid gecorrigeerd. In hetgeen partijen thans aanvoeren, waarbij ook zij de eerder overgelegde behoeftelijst aanhouden, ziet het hof geen aanleiding om van de door de rechtbank vastgestelde behoefte af te wijken. Het hof zou ten aanzien van een enkele kostenpost mogelijk een hoger bedrag in aanmerking nemen en bij andere posten weer een lager bedrag, maar per saldo betekent dat geen ander behoeftebedrag. Los daarvan komt het door de rechtbank berekende bedrag, gelet ook op de welstand van partijen, het hof niet onredelijk voor en is het in beginsel niet aan het hof om te oordelen over de individuele bestedingskeuzes van de vrouw. Het hof volgt dus de rechtbank in deze en stelt de behoefte van de vrouw op € 5.145,- netto per maand. De beide grieven falen op dit onderdeel.

behoeftigheid/eigen inkomsten/verdiencapaciteit van de vrouw (grief 1 van de man)

5.7

Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft tot haar levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. In eerste aanleg heeft de rechtbank vastgesteld dat de vrouw een minimaal inkomen had en heeft de rechtbank het niet reëel geacht om de eerste twee jaar uit te gaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. Na ommekomst van die twee jaar zou de vrouw naar het oordeel van de rechtbank in staat moeten zijn om een netto inkomen van € 1.000,- per maand te verdienen. De grief van de man richt zich tegen dit oordeel. Hij stelt dat de verdiencapaciteit van de vrouw minimaal op € 2.500,- netto per maand kan worden gesteld, nu de vrouw universitair geschoold is en een makelaarsopleiding heeft gedaan. Bovendien heeft de vrouw vermogen waarmee ze een inkomen kan genereren/rendement kan maken.

5.8

De vrouw heeft haar aangiftes inkomstenbelasting over de jaren 2016 tot en met 2019 overgelegd. Daaruit blijkt dat de vrouw in 2016 geen inkomsten uit arbeid had, dat zij in 2017 een bruto jaarinkomen had van € 1.788,- , in 2018 een bruto jaarinkomen van € 13.352,- en in 2019 een bruto jaarinkomen van € 17.232,-. De vrouw heeft haar netto inkomen per maand berekend op nihil in de jaren 2016 en 2017, € 962,- in 2018 en € 1.270,- in 2019. Dit inkomen sluit aan bij hetgeen de rechtbank ten aanzien van de verdiencapaciteit van de vrouw heeft overwogen (€ 1.000,- na ommekomst van twee jaar). Anders dan de man is het hof niet van oordeel dat de verdiencapaciteit van de vrouw op € 2.500,- netto per maand zou moeten worden gesteld. Die stelling van de man wordt niet gesteund door feiten en omstandigheden. De enkele stelling dat de vrouw universitair is opgeleid is in dit kader onvoldoende. Feit is dat de vrouw werkt en een eigen inkomen heeft waar een stijgende lijn in zit. Wel zal haar behoefte over de jaren waarin ze zelf een inkomen heeft gehad worden verminderd met die inkomsten, nu zij voor dat deel zelf in haar behoefte voorziet. Aldus is de netto behoefte van de vrouw over de jaren 2016 en 2017 € 5.145,- per maand, in 2018

€ 4.183,- per maand en in 2019 € 3.875,- per maand. Gebruteerd zijn deze behoeftes

€ 9.752,- in 2016, € 9.772,- in 2017, € 7.773,- in 2018 en € 6.917,- in 2019. Dat de vrouw ook inkomsten uit vermogen zou hebben is niet gebleken, zodat het hof daar geen rekening mee houdt.

de draagkracht van de man (grief III t/m X van de vrouw, grief 2 t/m 4 van de man)

5.9

Voor de vaststelling van de draagkracht van de man is ten eerste relevant wat de man aan inkomen geniet. De man werkt en woont sinds 15 maart 2011 in Saoedi Arabië. Hij werkt bij [L] en maakt deel uit van het managementteam. Aldus ontvangt hij een basissalaris (‘basic salary’) en daarnaast (variabele) bonussen. Ook ontvangt de man (een) toelage(s) (‘allowances’) ter bestrijding van diverse kosten. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat niet van zijn daadwerkelijke inkomen in Saoedi Arabië dient te worden uitgegaan, maar van een inkomen dat hij in een vergelijkbare functie in Nederland zou ontvangen. Voor de berekening van de draagkracht van de man is namelijk niet maatgevend wat de man zou hebben verdiend als hij – in een vergelijkbare functie – in Nederland zou werken, maar wat hij daadwerkelijk aan inkomen heeft. Daarbij maakt het niet uit dat hij dit inkomen buiten Nederland verdiend. Grief 2 van de man faalt. Naast het inkomen van de man is voor de berekening van diens draagkracht ook van belang vast te stellen met welke lasten/deel van het inkomen geen rekening dient te worden gehouden (het draagkrachtloos inkomen). Hierna zal het hof deze onderdelen, waarop ook de grieven van partijen zich richten, bespreken.

basisinkomen (‘basic salary’)

5.10

De rechtbank heeft rekening gehouden met een basisinkomen van 56.000 Saoedische Ryal (SAR) per maand, en heeft dit omgerekend naar € 13.100,- per maand. Over dit inkomen betaalt de man noch in Saoedi Arabië noch in Nederland inkomstenbelasting, zodat dit bedrag netto in aanmerking is genomen. Waar de man in eerste aanleg geen schriftelijke arbeidsovereenkomst kon overleggen, omdat hij die naar eigen zeggen niet had, heeft hij dat in hoger beroep wel gedaan. Daaruit blijkt dat de man een ‘basic salary’ heeft van 62.461 SAR per maand en op de mondelinge behandeling is namens de man verklaard dat hij dit basisinkomen vanaf januari 2019 geniet. Dat de man feitelijk 68.961 SAR maandelijks ontvangt, zoals de vrouw stelt en zoals ook blijkt uit door de man overgelegde bankafschriften, is door de man op de mondelinge behandeling bevestigd en hij heeft ter toelichting daarop verklaard dat hij naast zijn basisinkomen ook een ‘transportation allowance’ van 6.500 ontvangt. Het hof zal ten aanzien van het basisinkomen van de man vanaf de ingangsdatum van de alimentatieverplichting (12 september 2016, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) tot januari 2019 uitgaan van een basisinkomen van 56.000 SAR. Uit de processtukken blijkt niet dat dit salaris in die periode is gewijzigd. Vanaf januari 2019 zal het hof uitgaan van een basis maandsalaris van 62.461 SAR. Het hof zal daarbij de bedragen omrekenen naar euro’s. Daarbij gaat het hof ten aanzien van de 56.000 SAR uit van de wisselkoers die de rechtbank heeft gehanteerd, wat neerkomt op een inkomen van € 13.100,-, en ten aanzien van de 62.241 SAR van de tijdens de mondelinge behandeling geldende wisselkoers (1 SAR = € 0,24) hetgeen neerkomt op € 14.911,-. Het hof merkt op dat de wisselkoers in 2016 (zoals door de rechtbank gehanteerd) niet veel verschilt van de huidige wisselkoers. Het hof ziet daarom geen aanleiding om van een gemiddelde wisselkoers uit te gaan zoals de man in zijn derde grief voor staat. Grief 3 van de man faalt dan ook.

bonussen

5.11

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de in aanmerking te nemen door de man ontvangen bonussen. De rechtbank heeft in eerste aanleg geen rekening gehouden met bonussen, omdat de man op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij zijn target om voor een bonus in aanmerking te komen de afgelopen jaren niet heeft behaald waardoor hem geen extra inkomsten zijn uitgekeerd. Bovendien heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank niet met verificatoire bescheiden aangetoond dat de man bonussen heeft ontvangen. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank blijkt dat de man verklaard heeft dat hij in 2013 wel een bonus heeft gehad, maar in 2014 en 2015 niet. Uit de door de man in hoger beroep overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt dat de man recht heeft op een jaarlijkse bonus gerelateerd aan het ‘basic salary’, en gebaseerd op de ‘personal Key Performance Indicator (KPI’s)’ en op het financieel resultaat van de onderneming. In de door de man in hoger beroep als productie 12 overgelegde (door hem aangeduid als) werkgeversverklaring van 21 maart 2019 staat vermeld dat de man sinds zijn indiensttreding bij [L] een totaalbedrag van 722.766 SAR aan bonussen heeft ontvangen. De vrouw betwist de authenticiteit van dit laatste stuk. Zij stelt op basis van de jaarstukken van [L] dat de man naast een basissalaris jaarlijks gemiddeld € 108.938,- aan bonussen ontvangt.

5.12

Het hof is van oordeel dat inmiddels vast staat dat de man bonussen ontvangt. De man heeft immers het stuk van 21 maart 2019 overgelegd waaruit blijkt dat hij in de jaren dat hij in dienst is, in totaal 722.766 SAR aan bonussen heeft ontvangen. Nu de man sinds 15 maart 2011 in dienst is bij [L] en de verklaring dateert van 21 maart 2019, heeft de man volgend uit het door hem overgelegde stuk over de acht jaren dat hij in dienst is gemiddeld 90.345 SAR per (boek)jaar aan bonussen ontvangen. Omgerekend is dat € 21.682,- gemiddeld per jaar.

5.13

Met de vrouw is het hof van oordeel dat de man onnodig lang heeft gewacht met het verschaffen van enige duidelijkheid omtrent zijn bonussen. De man heeft blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank wel verklaard dat hij in 2013 een bonus heeft ontvangen, zonder echter duidelijkheid te verstrekken omtrent de bonusregeling en de uitkeringen in andere jaren. Eerst na vele verzoeken van de vrouw om inzicht te geven in zijn inkomsten en na het houden van voorlopige getuigenverhoren, heeft de man in hoger beroep summiere gegevens verstrekt.

5.14

Tijdens de voorlopige getuigenverhoren is door [C] , van 2008 tot 2015 CFO van [L] , verklaard:

[L] kent ook een bonusregeling. (…) Er is een bonusregeling voor iedereen gebaseerd op het resultaat van het bedrijf en er is een individuele bonus gebaseerd op van te voren afgesproken doelen (KPI’s). In het algemeen geldt dat in 2013, 2014 en 2015 de bonus gebaseerd op het resultaat zijn uitgekeerd. Ik heb in die jaren die bonus ook ontvangen. Ik weet dat [verweerder] in 2013 en 2014 de bonus heeft gehad. Voor 2015 kan ik dat niet met zekerheid zeggen, omdat ik vertrokken was voordat de bonussen werden uitbetaald. Ik weet wel dat ik hem voor 2015 op de lijst heb gezet.’

5.15

Door [E] , directeur bij [L] is verklaard:

Ik heb geen arbeidsovereenkomst. Wel heb ik toen ik in dienst trad een brief gekregen, de zogenaamde employment offer, waarin mijn toenmalige salaris staat vermeld. Ook staat daarin de vakantiedagen en de regelingen omtrent de huisvesting, de auto, de vliegtickets, ziektekosten en de maximale bonus die ik zou kunnen verdienen. Met die bonus is het zo geregeld dat die wordt vastgesteld door mijn leidinggevende, de CEO van [L] . Op basis van KPI. Tachtig procent van de bonus wordt gevormd door het resultaat van het bedrijf en twintig procent door de mate waarin ik mijn eigen KPI heb behaald. Ik krijg een brief van [L] waarin het bedrag van de bonus staat vermeld. Ook van salarisverhogingen sedert de indiensttreding heb ik een schriftelijke bevestiging gehad.

5.16

Gelet op deze verklaringen en gelet op de positie van de man binnen het bedrijf had het voor hem relatief eenvoudig moeten zijn om een overzicht te geven van de jaarlijks door hem ontvangen basissalaris, zijn bonussen en allowances. Door de man is echter eerst in hoger beroep en pas bij journaalbericht van 20 januari 2020 een verklaring omtrent de door hem ontvangen bonussen overgelegd. Dat had veel eerder gekund en gemoeten. Daarbij is de verklaring uiterst summier nu deze enkel een opgave van het totaal van de ontvangen bonussen omvat, zonder dat deze zijn uitgesplitst naar (boek)jaar en soort bonus.

5.17

Daartegenover staat dat uit de door de vrouw overgelegde (delen uit) jaarverslagen van de [L] onbetwist blijkt dat aan het executive management, waarvan de man deel uitmaakt, in het boekjaar 2017/2018 ( [L] kent een gebroken boekjaar) en 2018/2019 bonussen zijn uitgekeerd van respectievelijk 4.137.780 SAR en 3.688.761 SAR te verdelen over respectievelijk 7 en 6 leden van het executive management. De vrouw heeft berekend dat het basisinkomen van de man in het jaar dat hij begon 11,7 % van het totaal aan uitgekeerde basissalaris aan het management behelsde en heeft dit percentage ook toegepast op de hiervoor vermelde bonussen. Aldus komt zij tot een gemiddelde bonus van de man van € 108.938,- per jaar. Dit wijkt aanzienlijk af van de gemiddelde bonus van € 21.682,- die volgt uit het enkele door de man overgelegde stuk van de man, van welk stuk de vrouw bovendien de authenticiteit betwist.

5.18

De man heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende inzage gegeven in de omvang van de door hem ontvangen bonussen. Het door hem overlegde stuk is laat in de procedure ingebracht, zonder dat daarvoor een verklaring is gegeven, en is bovendien uiterst summier. Het zou voor de man relatief eenvoudig moeten zijn om een meer adequaat en naar boekjaar uitgesplitst overzicht van de door hem ontvangen bonussen te verschaffen, gelet op zijn positie binnen de onderneming. Waarom die informatievoorziening vanuit de man over zijn inkomen zo moeizaam verloopt, is het hof niet duidelijk geworden. Zeker ook omdat ieder lid van het managementteam, blijkens ook de verklaring van de door de man aangebracht getuige [E] , een zogenaamde bonusbrief ontvangt waarin staat vermeld wat er in het betreffende boekjaar aan bonus wordt uitgekeerd. Op de mondelinge behandeling heeft de man desgevraagd verklaard dat ook hij deze bonusbrieven heeft. Deze bonusbrieven zijn door de man echter niet overgelegd, niet in eerste aanleg en niet in hoger beroep. Gelet op de door de vrouw zowel in eerste aanleg als in hoger beroep overgelegde jaarstukken, dan wel passages uit de jaarstukken, zijn de aan het executive management uitgekeerde bonussen in boekjaren 2017/2018 en 2018/2019 aanzienlijk. Ook bij een verdeling van die bonussen over de leden van het executive management naar rato van de basissalarissen, hetgeen op zichzelf gelet op de bepalingen uit de arbeidsovereenkomst omtrent de koppeling van de bonus aan het basissalaris niet onlogisch lijkt, komt de bonus van de man aanzienlijk hoger uit dan het gemiddelde dat volgt uit het door hem overgelegde stuk.

5.19

Al deze feiten en omstandigheden leiden ertoe dat het hof de gevolgtrekking geraden acht dat de man jaarlijks meer bonussen ontvangt dan een gemiddelde van € 21.682,- per jaar. Het hof zal de vrouw niet helemaal volgen, nu uit de door de vrouw overgelegde stukken niet expliciet blijkt hoeveel bonus er aan ieder lid van het executive management is uitgekeerd. Het hof zal daarom in redelijkheid uitgaan van een jaarlijks door de man ontvangen bonus die ongeveer in het midden ligt tussen de € 21.682,- en € 108.938,- en komt dan op € 65.000,- per jaar. In zoverre slaagt grief III van de vrouw.

inkomsten uit vermogen

5.20

Hoewel zij van mening is dat de omvang van het vermogen van de man onduidelijk is, legt de vrouw zich neer bij het door de rechtbank gehanteerde box III vermogen van de man van € 260.885,-. In haar vierde grief stelt zij dat de rechtbank weliswaar rekening heeft gehouden met de belastingdruk over dit vermogen, maar niet met het (het hof leest: werkelijk) inkomen uit dit vermogen. Zij stelt dit op 4% van het vermogen. De man betwist dit gemotiveerd.

5.21

Indien met de werkelijke inkomsten uit het vermogen van de man rekening gehouden dient te worden, had het op de weg van de vrouw gelegen om inzichtelijk te maken dat de man inkomsten uit zijn vermogen heeft en hoe hoog die dan zouden zijn. De man heeft in zijn verweer onweersproken aangevoerd dat zijn box III vermogen wordt gevormd door de woning in Nederland; de woning waarin de vrouw woont en waarvan de man alle kosten betaalt. Nergens blijkt uit dat de man uit dit vermogen een rendement haalt, laat staan een rendement van 4%. Grief IV van de vrouw faalt.

bijstandsnorm/hardship

5.22

De rechtbank heeft, gelet op de door de man geschetste zware en onveilige omstandigheden waaronder hij in Saoedi-Arabië leeft (‘hardship’), het redelijk geacht om bij de berekening van diens draagkracht bij de vaststelling van zijn draagkrachtloos inkomen rekening te houden met een extra bedrag van € 500,- per maand. De vrouw verzet zich daartegen in haar zesde grief, terwijl de man in zijn vierde grief juist betoogt dat zijn inkomen met 25% moet worden verminderd wegens ‘hardship’.

5.23

Het hof overweegt als volgt. Een ‘hardship allowance’ is een vergoeding die wordt betaald wanneer een werknemer gestationeerd is in een gevaarlijke regio, waar oorlog is en/of waar hij of zij onder onplezierige levensomstandigheden leeft (de definitie is ontleend aan het stuk van mrs. Y. van Yperen-Groenleer en C.C. van Bodegom van 7 oktober 2016, EB 2016/83). De man ontvangt niet een zodanige hardship allowance, maar wenst op een andere wijze gecompenseerd te worden voor de door hem geschetste ontberingen (zoals aanslagen, activiteiten van IS, elektriciteits- en communicatiestoringen, overstromingen). Hoewel de vrouw stelt dat de man ‘leeft als god in Frankrijk’ is het hof van oordeel dat het leven in Saoedi-Arabië alleen al door de totaal verschillende cultuur niet is te vergelijken met het leven in Nederland. Daarbij is de man ver verwijderd van Nederland en kan daarom niet zomaar overkomen om bijvoorbeeld familie te bezoeken. Verder is van algemene bekendheid dat Saoedi-Arabië een streng Islamitisch land is dat weinig, voor westerlingen vanzelfsprekende en als prettig ervaren, vrijheden kent. Dit zijn onplezierige levensomstandigheden en dit maakt dat het hof van oordeel is dat bij de man met enige ‘hardship’ rekening dient te worden gehouden. Het hof zal daarom voor de berekening van de draagkracht van de man rekenen met een dubbele bijstandsnorm. Grief VI van de vrouw faalt, grief 4 van de man slaagt deels waar het de ‘hardship’ betreft.

compoundkosten

5.24

De rechtbank heeft bij de berekening van de draagkracht van de man verder rekening gehouden met ‘compoundkosten’ van (omgerekend) € 469,- per maand. De vrouw stelt dat de man deze kosten niet heeft en dat daarmee geen rekening moet worden gehouden. De man betwist dat.

5.25

Het hof zal met deze kosten geen rekening houden. Niet duidelijk is wat deze ‘compoundkosten’ inhouden. Kennelijk hebben deze te maken met het feit dat de man op een compound woont. Deze kosten vallen daarom onder de in de (dubbele) bijstandsnorm begrepen woonlast. Grief V van de vrouw slaagt.

vliegtickets en reservering werkloosheid

5.26

De man stelt dat hij moet reserveren voor het geval hij werkloos wordt, nu in Saoedi-Arabië geen ww-uitkering of een vergelijkbare uitkering bestaat en hij daar ook in Nederland niet voor in aanmerking komt omdat hij in Nederland geen premies betaalt. Daarnaast stelt de man dat hij extra kosten heeft voor vliegtickets. Weliswaar krijgt hij vanuit zijn werkgever de gelegenheid om eenmaal per jaar naar Nederland te vliegen, maar eenmaal per jaar is volgens de man te weinig. Uit eigen zak betaalt hij daarom extra tickets. Daarmee dient rekening te worden gehouden bij de berekening van zijn draagkracht. De rechtbank heeft ten aanzien van de reservering voor werkloosheid en extra vliegtickets in redelijkheid met € 1.200,- per maand rekening gehouden. De vrouw is het daarmee niet eens. Zij stelt dat de man een BV in Nederland heeft die hij kan aanspreken in het geval hij werkloos wordt. Een reservering daarvoor is volgens haar dus niet nodig. De man maakt volgens de vrouw niet aannemelijk dat de vliegkosten die hij voor zichzelf en de kinderen maakt niet vergoed worden door de werkgever. Volgens haar is de vergoeding die de man daarvoor ontvangt ruimschoots voldoende.

5.27

Het hof zal geen rekening houden met reserveringen van de man voor het geval hij werkloos wordt. Dat hij niet in aanmerking komt voor een ww-uitkering in Nederland voor het geval hij werkloos wordt, is geen reden om met een reservering daarvoor rekening te houden. Hetzelfde geldt ook voor bijvoorbeeld zzp-ers in Nederland. Zij betalen ook geen ww-premie en bij hen kan ook niet ten laste van de draagkracht voor werkloosheid worden gereserveerd. Als de man daarvoor wil reserveren staat hem dat vrij, maar dit gaat niet voor op de betaling van partneralimentatie. Bovendien blijkt uit de door de man overgelegde arbeidsovereenkomst dat werknemers bij [L] een zogenaamde ‘end of service bonus’ ontvangen, waarvan de hoogte afhankelijk is de duur van het dienstverband. Daarmee zou de man, gelet op zijn reeds achtjarig dienstverband, een eventuele werkloosheidsperiode kunnen overbruggen. Overigens kan de man bij een relevante wijziging van omstandigheden – verlies van inkomen heeft als zodanig te gelden – bij de rechtbank om wijziging van de door hem verschuldigde bijdrage verzoeken.

5.28

Ten aanzien van de vliegtickets overweegt het hof dat de man is verstoken van fysiek contact met zijn familie. De regeling ten aanzien van vliegtickets, zoals blijkt uit de arbeidsovereenkomst, voorziet slechts in één vliegticket per jaar voor hemzelf en eenmaal voor zijn kinderen. Dat is niet veel. Het hof zal daarom in redelijkheid rekening houden met twee extra vliegtickets per jaar en aldus op het draagkrachtloos inkomen in mindering brengen een bedrag van € 2.400,- per jaar, ofwel € 200,- per maand.

Grief VII van de vrouw faalt, grief 4 van de man slaagt deels waar het de vliegtickets betreft.

5.29

Het hof zal wel rekening houden met de door de man verschuldigde jaarpremie € 8.314,21 (afgerond € 692,- per maand) voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze blijkt uit het door hem overgelegde polisblad.

kosten van de woning in Frankrijk

5.30

Het hof zal geen rekening houden met de kosten van de woning in Frankrijk van de man. Weliswaar heeft de man kosten ten aanzien van die woning, maar deze dienen naar het oordeel van het hof niet voor te gaan op de partneralimentatie. Grief VIII van de vrouw slaagt, grief 4 van de man faalt op dit onderdeel.

transactiekosten

5.31

Anders dat de rechtbank zal het hof geen rekening houden met ‘transactiekosten’ en honoreert daarmee het verzoek dienaangaande van de vrouw in haar negende grief. In zijn verweer ten aanzien van die grief voert de man ter verduidelijking aan dat hem geen transactiekosten separaat in rekening worden gebracht bij overboekingen vanuit Saoedi-Arabië naar Nederland, maar dat het hem gaat om het verschil tussen de bedragen die hij overmaakt en wat hij uiteindelijk in Nederland op zijn rekening krijgt. Dat heeft volgens de man maken met een voor hem ongunstige wisselkoers; er blijft wat ‘aan de strijkstok hangen’. Zo dat al het geval is, ziet het hof zonder nadere toelichting niet in waarom dat verschil dan ten laste dient te komen van zijn draagkracht en dus voor zou gaan op de partneralimentatie. Overigens acht het hof die kosten in de dubbele bijstandsnorm begrepen. Grief IX van de vrouw slaagt.

bijdrage aan de (jong)meerderjarige kinderen

5.32

De man draagt (maandelijks) rechtstreeks bij in de kosten van de beide (jong)meerderjarige dochters van partijen. Daarmee dient volgens hem rekening te worden gehouden in zijn draagkrachtloos inkomen. Partijen verschillen van mening over de mate waarin. De man stelt dat hij minimaal € 1.200,- per dochter per maand betaalt, terwijl de vrouw in haar verweer op de grief van de man en verwijzend naar haar productie 40 bij haar verweer in het incidenteel hoger beroep, de bijdrage van de man aan de beide dochters samen berekent op € 1.930,- per maand. Gebleken is dat de oudste dochter, [M] , inmiddels is afgestudeerd en een baan heeft. Vanaf 1 oktober 2019 betaalt de man aan haar geen bijdrage meer.

5.33

Partijen zijn het erover eens dat de man bijdraagt in de kosten van de beide dochters, ten aanzien van [M] tot 1 oktober 2019. Het hof zal daarom bij de man rekening houden met deze bijdragen. Nu de vrouw de bijdrage heeft berekend op € 1.930,- per maand voor de beide dochters samen en de man de bijdrage enkel heeft geschat, zal het hof uitgaan van het door de vrouw genoemde bedrag. Vanaf 1 oktober 2019 zal het hof enkel nog rekening houden met de kosten van [N] , door de vrouw berekend op € 765,- per maand (€ 600,- per maand en collegegeld). Grief X van de vrouw slaagt deels, grief 4 van de man slaagt ook deels op dit onderdeel.

autokosten

5.34

De man stelt dat bij hem rekening moet worden gehouden met € 150,- per maand aan autokosten. De vrouw betwist dit. Het hof zal met deze kosten geen rekening houden. De man ontvangt een ‘transportation allowance’ van 6.500 SAR. Niet valt in te zien waarom daarnaast nog autokosten ten laste van zijn draagkracht dienen te worden gebracht. Grief 4 van de man faalt op dit onderdeel.

overnachtingskosten

5.35

De man stelt dat met overnachtingskosten rekening dient te worden gehouden voor de momenten dat hij in Nederland is. De vrouw betwist dat hij dan overnachtingskosten heeft. Het hof is van oordeel dat de man de overnachtingskosten, gelet op de betwisting door de vrouw, niet heeft onderbouwd, zodat de grief 4 op dit punt reeds faalt op de stelplicht.

indexatie

5.36

Aanvullend, in het stuk bij het journaalbericht van mr. Van Wijk van 20 januari 2020, verzoekt de man nog om indexatie van de partneralimentatie uit te sluiten. Dit verzoek zal het hof niet behandelen als zijnde te laat ingediend en daarmee in strijd met een goede procesorde. Dit verzoek had de man in zijn verweerschrift kunnen en moeten doen. Het hof merkt ten overvloede op dat de man ook niet duidelijk maakt waarom indexatie uitgesloten zou moeten worden en het hof daarvoor ook geen aanleiding ziet. Het hof zou het verzoek daarom hebben afgewezen.

draagkrachtberekeningen

5.37

Met inachtneming van het vorenstaande zal het hof de draagkracht van de man berekenen over de jaren 2016 t/m 2019, waarbij vanaf 1 oktober 2019 niet meer met een bijdrage van de man aan [M] rekening wordt gehouden maar alleen met een bijdrage van € 765,- per maand aan [N] . Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekeningen.

5.38

Uit die berekeningen volgt dat de man:

- in 2016 een draagkracht heeft van € 7.492,- per maand;

- in 2017 een draagkracht heeft van € 7.481,- per maand;

- in 2018 een draagkracht heeft van € 7.457,- per maand;

- in 2019 tot 1 oktober een draagkracht heeft van € 8.516,- per maand; en

- in 2019 vanaf 1 oktober een draagkracht heeft van € 9.681,- per maand.

draagkracht tegenover (aanvullende) behoefte

5.39

Gelet op de in overweging 5.8 berekende (resterende) behoeftes van de vrouw van € 9.752,- in 2016, € 9.772,- in 2017, € 7.773,- in 2018 en € 6.917,- in 2019, is de man in staat over de jaren 2016 tot en met 2018 grotendeels en over 2019 geheel in die (aanvullende) behoeftes te voorzien. Het hof zal dan ook die bedragen als door de man te betalen partneralimentatie opleggen, zij het dat zijn draagkracht als maximale bijdrage geldt.

5.40

Om te bezien of de vrouw bij een dergelijke bijdrage niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man, heeft het hof zogenaamde jusvergelijkingen uitgevoerd. Daarbij houdt het hof aan de zijde van de vrouw rekening met de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60. Ten aanzien van haar woonlasten houdt het hof in 2016 en 2017 geen rekening met woonlasten, omdat de vrouw toen feitelijk geen woonlasten had. Vanaf 2018 houdt het hof rekening met een netto huur van € 1.300,- per maand (volgend uit de door de vrouw als productie 50 overgelegde huurovereenkomst).Ten aanzien van haar ziektekosten houdt het hof rekening met een premie van € 154,- per maand (volgend uit haar behoeftelijst) en een eigen risico van € 31,- per maand. Verder houdt het hof rekening met haar inkomen zoals blijkt uit deze beschikking.

5.41

Uit die berekeningen volgt dat de vrouw bij de op te leggen bijdrages als hiervoor onder 5.39 besproken niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man, zodat er geen reden is die bijdrages te matigen. Het hof zal daarom bepalen dat de man de navolgende bijdrages in het levensonderhoud van de vrouw dient te betalen:

- vanaf 12 september 2016 (datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking)

€ 7.492,- per maand;

- vanaf 1 januari 2017 € 7.481,- per maand;

- vanaf 1 januari 2018 € 7.457,- per maand;

- vanaf 1 januari 2019 € 6.917,- per maand.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen en voor zover het betreft de partneralimentatie, vernietigen en beslissen als hierna vermeld.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de partneralimentatie betreft.

6.3

Het hof ziet wel aanleiding om de man te veroordelen in de man te veroordelen in de werkelijke kosten van rechtsbijstand in het voorlopig getuigenverhoor bij dit hof bekend onder nummer 200.206.601. Naar het oordeel van het hof had deze procedure voorkomen kunnen worden indien de man van meet af aan openheid had gegeven over de door hem ontvangen bonussen. De door de vrouw hiervoor opgevoerde kosten, bestaande uit het honorarium van haar advocaat inclusief kantoorkosten, BTW en griffierecht € 9.179,36 zijn door de man onvoldoende betwist. Daarnaast komen ook de aan de getuigen betaalde taxen voor een bedrag van € 2.350,- in totaal voor vergoeding in aanmerking.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep:

7.1

verklaart partijen niet ontvankelijk in hun verzoeken ten aanzien van vergoeding en verrekening;

7.2

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

20 mei 2016 (zoals hersteld bij beschikkingen van 1 juli 2016 en 17 augustus 2016), voor zover daarin is beslist over de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (onderdeel 4.2 van het dictum van die beschikking) en in zoverre opnieuw beschikkende:

7.3

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vanaf 12 september 2016 € 7.492,- per maand zal betalen, vanaf 1 januari 2017 € 7.481,- per maand, vanaf 1 januari 2018 € 7.457,- per maand en vanaf 1 januari 2019 € 6.917,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

7.4

in zaaknummer 200.206.601: veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 11.529,36 als vergoeding voor de door de vrouw gemaakte kosten in de procedure met nummer 200.206.601 en bepaalt dat die zaak wordt gesloten;

7.5

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.6

compenseert de kosten van het geding (zaaknummers 200.197.413 en 200.197.414) in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

7.7

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.L. van der Bel en

C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 16 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.