Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3069

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
200.266.837/01 en 200.266.839/01 en 200.268.396/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof ziet geen reden om prejudiciële vraag te stellen of bij beëindiging van het ouderlijk gezag het jeugdzorgsysteem voldoende waarborgen kent ter bescherming van de jeugdige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.266.837/01, 200.266.839/01 en 200.268.396/01)

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 167054, 166722 en 165353)

beschikking van 7 april 2020

in de zaken met zaaknummers 200.266.837/01 en 200.266.839/01

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W.G. ten Have te Winschoten,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te Groningen,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de pleegouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders.

in de zaak met zaaknummer 200.268.396/01

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W.G. ten Have te Winschoten,


en


de raad voor de kinderbescherming,

regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 de gecertificeerde instelling

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te Groningen,

verder te noemen: de GI,

2 [de pleegouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 juni 2019 en 31 juli 2019 verbeterd bij beschikking van 28 augustus 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

in de zaak met zaaknummers 200.266.837/01 (uithuisplaatsing)

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 30 september 2019;

- een brief van mr. Ten Have van 28 oktober 2019 met productie(s);

- een brief van mr. Ten Have van 21 januari 2020 met productie(s);

- een brief van mr. Ten Have van 22 januari 2020 met productie(s);

- een brief van de GI van 12 februari 2020 met productie(s).

in de zaak met zaaknummer 200.266.839/01 (schriftelijke aanwijzing)

2.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 30 september 2019;

- een brief van mr. Ten Have van 23 oktober 2019 met productie(s);

- een brief van de GI van 12 februari 2020 met productie(s).

in de zaak met zaaknummer 200.268.396/01 (gezagsbeëindiging)

2.3

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 30 oktober 2019;

- het verweerschrift van de raad met productie(s);

- een brief van mr. Ten Have van 21 januari 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Ten Have van 11 februari 2020 met productie(s);

- een brief van de GI van 12 februari 2020 met productie(s).

in alle zaken

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 24 februari 2020 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI is mevrouw [C] verschenen. Namens de raad zijn de heer [D] en mevrouw [E] verschenen.

Mr. Ten Have heeft het woord ter zitting mede gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota.

3 De feiten

3.1

De moeder heeft een dochter genaamd [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2011. De moeder oefende tot de bestreden beschikking van 31 juli 2019 van rechtswege alleen het gezag over [de minderjarige] uit. De biologische vader van [de minderjarige] is niet bij [de minderjarige] betrokken.

3.2

[de minderjarige] is sinds 22 januari 2016 onder toezicht gesteld. Vanaf 16 februari 2018 staat zij onder toezicht van de huidige GI. Sinds 29 april 2016 is [de minderjarige] door middel van een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. Beide maatregelen zijn de laatste keer verlengd tot uiterlijk 22 juli 2020.

3.3

[de minderjarige] woont sinds 3 augustus 2016 bij de pleegouders.

in de zaak met zaaknummer 200.266.839/01(schriftelijke aanwijzing)

3.4

De GI heeft de moeder op 10 april 2019 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

1. De omgang vindt eenmaal in de acht weken plaats: één uur lang, te weten van 15:30 tot 16:30 uur.

2. Het ene omgangsmoment is de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] .

3. Het volgende omgangsmoment mogen ook [F] en [G] (halfzussen [de minderjarige] ) samen met de moeder bij de omgang met [de minderjarige] aanwezig zijn.

4. De omgang vindt plaats op het kantoor van de GI te Leeuwarden en wordt begeleid door de jeugdbeschermer, de pleegzorgmedewerker of een andere hulpverlener.

4 De omvang van het geschil

in de zaak met zaaknummer 200.266.837/01(uithuisplaatsing)

4.1

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking van 28 juni 2019 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 22 juli 2020.

4.2

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien uitsluitend op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] .

De moeder verzoekt het hof, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking (naar het hof begrijpt:) te vernietigen voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] betreft en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen, een onderzoek te gelasten, dan wel een in goede justitie te bepalen gefaseerde thuisplaatsing te gelasten, dan wel een (gefaseerde) netwerkplaatsing bij grootouders moederszijde.

4.3

De GI heeft bij brief van 12 februari 2020 een toelichting gegeven op de huidige stand van zaken en ter zitting mondeling verweer gevoerd. De GI verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

in de zaak met zaaknummer 200.266.839/01(schriftelijke aanwijzing)

4.4

Bij de bestreden beschikking van 28 juni 2019 heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van de GI van 10 april 2019 geheel vervallen te verklaren, op grond van artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek (BW) een zodanige regeling vast te stellen als de kinderrechter in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt en een bijzondere curator voor [de minderjarige] te benoemen afgewezen.

4.5

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de schriftelijke aanwijzing van de GI van 10 april 2019 vervallen te verklaren en op grond van artikel 1:265f BW een zodanige regeling vast te stellen als het hof in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt, dan wel de zaak aan te houden onder benoeming van een bijzondere curator ex. artikel 1:250 BW.

4.6

De GI heeft bij brief van 12 februari 2020 een toelichting gegeven op de huidige stand van zaken en ter zitting mondeling verweer gevoerd. De GI verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

in de zaak met zaaknummer 200.268.396/01 (gezagsbeëindiging)

4.7

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking van 31 juli 2019, hersteld bij beschikking van 28 augustus 2019, heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd, de GI tot voogd benoemd en het verzoek van de moeder om de zaak aan te houden en een bijzondere curator te benoemen afgewezen.

4.8

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de beëindiging van het gezag van de moeder en de benoeming van een bijzondere curator. De moeder verzoekt het hof, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag af te wijzen, dan wel de zaak aan te houden onder benoeming van een bijzondere curator ex. artikel 1:250 BW.

4.9

De raad voert verweer en verzoekt het hof om het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking, zover mogelijke uitvoerbaar bij voorraad, te bekrachtigen.

4.10

De GI heeft bij brief van 12 februari 2020 een toelichting gegeven op de huidige stand van zaken en heeft ter zitting verweer gevoerd. De GI verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Zaaknummer 200.268.396/01 (gezagsbeëindiging)

5.1

Het hof zal, zoals ter zitting is besproken, beginnen met het bespreken van het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van 31 juli 2019 waarin haar ouderlijk gezag over [de minderjarige] is beëindigd.

Het verzoek tot beëindiging van het gezag

5.2

Op grond van artikel 1:266 van het BW kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.3

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden het gezag van de moeder over [de minderjarige] heeft beëindigd. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank bij de beslissing tot gezagsbeëindiging over en maakt die na eigen onderzoek tot de zijne. Bij beschikking van 17 januari 2019 heeft het hof een beslissing gegeven op het beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Het hof neemt de dragende overwegingen uit deze beschikking (5.2 en 5.3) - na hernieuwd onderzoek - ook over in deze zaak. In aanvulling op beide beschikkingen overweegt het hof als volgt.

5.4

Voor het hof is duidelijk dat de moeder veel van [de minderjarige] houdt. Het belang van [de minderjarige] staat bij de beoordeling door het hof echter voorop. [de minderjarige] is een zeer kwetsbaar en beschadigd meisje met forse hechtingsproblematiek. De hechtingsstoornis van [de minderjarige] is volgens de raad zó ernstig, dat zij iedere situatie waarin sprake is van hechting zal blijven testen, bijvoorbeeld door weg te lopen. [de minderjarige] heeft behoefte aan stabiliteit, veiligheid, continuïteit, een ongestoorde hechting en duidelijkheid over waar zij zal opgroeien. Zij verblijft inmiddels ruim drie en een half jaar bij de pleegouders. Hier wordt haar - met de nodige ondersteuning - de opvoedingsomgeving geboden die zij nodig heeft. Voor [de minderjarige] is de aanvaardbare termijn als bedoeld in artikel 1:266 BW ruimschoots verstreken. Zij heeft een veilige en stabiele plek bij de pleegouders en dankzij de in deze periode ingezette hulpverlening op allerlei gebieden, is er - anders dan de moeder stelt - inmiddels sprake van een (voorzichtig) positieve ontwikkeling bij [de minderjarige] . Dit blijkt onder meer uit de evaluatiebrief van Jeugdhulp Friesland van 7 januari 2020 waarin aangegeven wordt dat [de minderjarige] na maart 2019 beter in haar vel lijkt te zitten. [de minderjarige] is gediagnostiseerd met FAS-D en krijgt hiervoor inmiddels Choline pillen. [de minderjarige] reageert hier goed op en haar gedrag verandert op een positieve manier. Haar gedrag is nog wel pittig, maar ze kan sneller schakelen en blijft niet hangen in haar boosheid. Bij de pleegouders thuis, maar ook op de zorgboerderij, is een zichtbaar verschil in haar gedrag te merken. [de minderjarige] wil zich steeds meer hechten in het pleeggezin, hoewel ze dit ook spannend vindt.

5.5

Voor het verdere herstel van [de minderjarige] , en met name haar hechting in het pleeggezin (dat een wederzijds proces is), is het naar het oordeel van het hof van groot belang om nu iedere onzekerheid omtrent haar toekomstperspectief waar mogelijk weg te nemen. Het belang van [de minderjarige] bij continuïteit en duidelijkheid over haar opvoedingssituatie en perspectief dient zwaarder te wegen dan het belang van de moeder bij behoud van het gezag. Dit klemt temeer nu de wens van de moeder (en haar netwerk) om [de minderjarige] verder bij zich te laten opgroeien door [de minderjarige] wordt gevoeld en een grote invloed op haar heeft. Het hof benadrukt opnieuw dat het voor [de minderjarige] helpend zou zijn als de moeder haar zou kunnen laten weten dat zij het goed vindt dat [de minderjarige] bij de pleegouders opgroeit.

5.6

Voor zover de moeder stelt dat er sprake is van strijd met de verdragsbepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het IVRK overweegt het hof als volgt. Een beëindiging van het gezag is weliswaar een inbreuk op artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK, maar deze inbreuk acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk, gerechtvaardigd en proportioneel. Het hof is dan ook van oordeel dat de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] niet in strijd met voornoemde verdragen is.

Het verzoek om het stellen van een prejudiciële vraag

5.7

Mr. Ten Have heeft het hof verzocht in deze zaak een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen. Hij verzoekt het hof de vraag voor te leggen of de huidige jeugdzorg de bescherming kan bieden om beschadiging bij minderjarigen te voorkomen en/of met een gezagsbeëindigende maatregel het toezicht niet volledig wordt ontnomen op de waarborging hiervan. Hij verwijst in dit kader naar het eindrapport van de Commissie De Winter “Onvoldoende beschermd, geweld in de Nederlandse jeugdzorg van 1945 tot heden”. Zolang de aanbevelingen uit dit rapport niet geïmplementeerd zijn, en niet elk kind toegang heeft tot een onafhankelijke vertrouwenspersoon, voldoet het huidige jeugdzorgsysteem volgens mr. Ten Have niet aan de Europeesrechtelijke normen. Ter zitting heeft mr. Ten Have hier aan toegevoegd van mening te zijn dat het systeem zodanig dient te zijn ingericht dat na een gezagsbeëindiging elke twee jaren dient te worden geëvalueerd of deze maatregel nog steeds nodig is.

5.8

De Commissie De Winter (Commissie Onderzoek naar Geweld in de Jeugdzorg), waar mr. Ten Have naar verwijst, deed in 2016 onderzoek naar fysiek en psychisch geweld in de jeugdzorg van 1945 tot nu. Op 12 juni 2019 publiceerde de commissie haar eindrapport, waarin zij een aantal aanbevelingen doet ten behoeve van de verbetering van de jeugdzorg. Het hof stelt voorop dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de kwaliteit van de opvoeding en verzorging die [de minderjarige] in het pleegezin ontvangt. Er zijn geen aanwijzingen dat [de minderjarige] ’s veiligheid daar in het geding is. Het hof leest - en begrijpt - de stelling van
mr. Ten Have (na de toelichting ter zitting) dan ook zo, dat hij doelt op het feit dat de jaarlijkse rechterlijke toets wegvalt als het gezag van de moeder wordt beëindigd. Er wordt dan niet meer jaarlijks gekeken of de uithuisplaatsing van [de minderjarige] nog steeds in haar belang wordt geacht.

5.9

Het hof overweegt dat het doel van gezagsbeëindiging is dat er duidelijkheid komt over een perspectief van een minderjarige. Het wordt door een gezagsbeëindiging voor alle partijen duidelijk waar een minderjarige zal opgroeien. Inherent hieraan is dat de jaarlijkse rechterlijke toetsing wegvalt. Dit betekent echter niet dat er vervolgens geen zicht meer is op de situatie waarin de minderjarige zich bevindt. Zowel de pleegzorgorganisatie als de GI en de pleegouders zijn er om het welzijn van het kind te waarborgen.

De betrokken organisaties moeten aan allerlei kwaliteitseisen voldoen en de rijksoverheid voert toezicht uit op de jeugdzorgaanbieders. Daarnaast staan er voor de moeder dan nog steeds rechtsmiddelen open, zoals bijvoorbeeld een verzoek tot herstel van haar gezag, welk verzoek een rechterlijke toetsing weer mogelijk maakt.

Mr. Ten Have stelt dat niet aan de Europese richtlijnen is voldaan zolang er niet voorzien is in een onafhankelijk vertrouwenspersoon voor minderjarigen. In de jeugdwet is echter in artikel 1a.1 de vrije toegang van jeugdigen en hun (pleeg)ouders tot de onafhankelijke vertrouwenspersoon gewaarborgd. Zij hebben te allen tijde zelfstandig toegang tot contact met een vertrouwenspersoon zonder tussenkomst van anderen. Deze vertrouwenspersoon dient onafhankelijk te zijn van gemeenten, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen of [H] . Het hof wijst de moeder er in dit kader op dat elk kind, elke jongere en elke (pleeg)ouder of verzorger die te maken heeft met de jeugdhulp een vertrouwenspersoon van het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) kan inschakelen. Een vertrouwenspersoon van het AKJ kan informeren, adviseren en zo nodig ondersteuning bieden.

5.10

Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding om een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen, aangezien het antwoord op de door mr. Ten Have geformuleerde vraag niet nodig is om op het voorliggende verzoek in hoger beroep te beslissen.

Het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator

5.11

De moeder heeft het hof verzocht om een bijzondere curator over [de minderjarige] te benoemen. Uit het verhandelde ter zitting begrijpt het hof dat een bijzondere curator in de visie van de moeder dient te waarborgen dat [de minderjarige] zonder invloed van derden haar mening kan geven en ook echt gehoord wordt.

5.12

[de minderjarige] heeft veel vragen over haar opvoedsituatie. Het hof verwacht dat er door de beëindiging van het gezag van de moeder al veel duidelijkheid voor [de minderjarige] zal ontstaan. Daarnaast blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat er voor [de minderjarige] veel mogelijkheden zijn om haar vragen neer te leggen en haar mening te geven. Zij heeft gesprekken met de voogd (GI) over de situatie waarin zij zich bevindt, alsook met hulpverleners. Dat [de minderjarige] ook daadwerkelijk gehoord wordt blijkt wel uit hetgeen in de hiervoor genoemde evaluatiebrief van Jeugdhulp Friesland is verwoord over het creëren van een zogenoemde troostdoos, met hierin spullen van de moeder, waar [de minderjarige] iets uit kan halen als ze het nodig heeft. Dit is inmiddels ook gedaan.

5.13

Nu er geen sprake is van een belangenstrijd (tussen de belangen van [de minderjarige] en de voogd), als bedoeld in artikel 1:250 BW, en de mening van [de minderjarige] voldoende wordt gehoord, ziet het hof geen aanleiding voor de benoeming van een bijzondere curator.

Zaaknummers 200.266.837/01 en 200.266.839/01 (uithuisplaatsing en schriftelijke aanwijzing)

5.14

Zoals mr. Ten Have ter zitting (desgevraagd) heeft aangegeven vervalt door de bekrachtiging van de gezagsbeëindiging door het hof het belang van de moeder bij de bespreking van haar overige verzoeken (ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] en de schriftelijke aanwijzing van de GI). Het hof zal de beide beschikkingen dan ook bekrachtigen.

Het verzoek om een deskundigenonderzoek

5.15

De moeder heeft het hof verzocht in de zaak met zaaknummer 200.266.837/01 (de uithuisplaatsing) een deskundigenonderzoek ex artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te gelasten. Hoewel mr. Ten Have heeft aangegeven dat de beoordeling in deze zaak achterwege kan blijven nu de beëindiging van het gezag van de moeder wordt bekrachtigd, heeft hij ook benadrukt dat de drie zaken samenhangen en als één geheel moeten worden gezien. Voor het geval dat hij daarmee ook doelt op het verzoek ex artikel 810a, tweede lid, Rv oordeelt het hof hieromtrent als volgt.

5.16

Artikel 810a, tweede lid, Rv regelt het recht op contra-expertise. Het bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a, tweede lid, Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

5.17

Het hof acht een deskundigenonderzoek niet in het belang van [de minderjarige] . Een dergelijk onderzoek zal wederom onrust en onzekerheid voor [de minderjarige] (en de pleegouders) tot gevolg hebben, wat belastend is voor haar en daarom niet in haar belang. Er is sprake van een hechtingsproces tussen [de minderjarige] en de pleegouders en het is voor haar ontwikkeling belangrijk dat dit zich ongestoord kan voortzetten. Gelet op die hechting is het voor [de minderjarige] van groot belang dat haar perspectief duidelijk is. Dit geldt te meer nu uit de stukken blijkt dat bij [de minderjarige] onzekerheid is over waar zij zal opgroeien en dat zij door die onzekerheid wordt belast. De onrust en onzekerheid die een nieuw onderzoek met zich brengt zullen een negatieve invloed kunnen hebben op haar ontwikkeling. Haar belang verzet zich daartegen. Alleen als er duidelijkheid is over waar zij zal opgroeien kan [de minderjarige] door middel van hechtingstherapie, verder werken aan een hechting aan de pleegouders. Zodra het perspectief van [de minderjarige] duidelijk is kan er daarnaast ook gewerkt worden aan een waardevolle omgang tussen [de minderjarige] en de moeder en kan die omgang, indien mogelijk en het in het belang van [de minderjarige] wordt geacht, worden uitgebreid.

5.18

Voor zover het onderzoek gericht zou moeten zijn op de opvoedkwaliteiten van de moeder, is het hof van oordeel dat de uitkomsten van dit onderzoek - ook wanneer vastgesteld zou worden dat de moeder over voldoende opvoedingsvaardigheden zou beschikken - niet tot een andere beslissing zal leiden, gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen over het belang van [de minderjarige] bij het continueren van de huidige opvoedingssituatie en bij duidelijkheid over waar zij zal opgroeien. Daarnaast blijkt uit de stukken dat er al uitvoerig onderzoek is gedaan. Zo is er in maart 2017 onder andere bij [de minderjarige] psychodiagnostisch onderzoek verricht door het diagnostiekteam van het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid. Daarnaast is en wordt er veel hulpverlening ingezet.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikkingen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 juni 2019 (met zaaknummers 167054 en 166722) en de beschikking van 31 juli 2019, verbeterd bij beschikking van 28 augustus 2019 (met zaaknummer 165353), voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, I.M. Dölle en C. Koopman, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 7 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.