Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:3036

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
200.255.456/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging door curator van door curandus gesloten overeenkomst.

Wederpartij van de curandus vordert vergoeding van de waarde van de door hem verrichte prestatie. Ongedaanmakingsverplichting rust slechts dan op de handelingsonbekwame als het ontvangene hem “tot werkelijk voordeel” heeft gestrekt (artikel 6. 209 BW).

Handelwijze van de curandus is niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2020/64.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.255.456/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland,7304709)

arrest van 14 april 2020

in de zaak van

Veen en Veste Bewind en Budget B.V. q.q. curator van [A] ,

gevestigd te [B] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de curator,

advocaat: mr. R.A.M. van der Lubbe, kantoorhoudend te Emmen,

tegen

[geïntimeerde] h.o.d.n. Retlaw Jurisdirect RJD,

wonende te [C] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S. Eernstman, kantoorhoudend te Hilversum.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 augustus 2019 hier over.

1.2

In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen bepaald. De comparitie heeft op 26 november 2019 plaatsgevonden. Het proces-verbaal van comparitie bevindt zich bij de stukken.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier.

1.4

De curator heeft in hoger beroep - verkort weergegeven - gevorderd het vonnis dat op 11 december 2018 is gewezen door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, sectie kanton (hierna: de kantonrechter) te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zoveel nodig uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder aanvulling of verbetering van gronden, de vordering van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

2. Waar gaat het om?

2.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] heeft in de periode juli en augustus 2018 op grond van een met [A] (hierna: [A] ) gesloten overeenkomst werkzaamheden verricht voor [A] . De werkzaamheden bestonden uit het onderzoeken van de mogelijkheden om nieuwe accountantskantoren op te zetten, waarbij de tarieven voor dienstverlening lager zouden liggen dan in de branche gebruikelijk. Nadat de door [geïntimeerde] ter zake van het verrichte werk verzonden facturen door [A] niet betaald werden, is [geïntimeerde] gebleken dat [A] bij beschikking van 9 december 2015 onder curatele is gesteld. Vervolgens heeft [geïntimeerde] de curator aangesproken tot betaling van een bedrag van € 33.310,-

(om proceseconomische redenen in de procedure beperkt tot € 25.000,-).

De curator heeft op 12 september 2018 de door [A] met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd op grond van artikel 3.32 BW.

2.2

[geïntimeerde] stelt dat de curator het gevorderde bedrag aan hem verschuldigd is op grond van onverschuldigde betaling dan wel onrechtmatige daad door [A] .

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd - samengevat - [A] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 25.000,- en veroordeling van [A] in de kosten van de procedure.

3.2

De kantonrechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering toegewezen.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

In hoger beroep vordert de curator vernietiging van het vonnis van de kantonrechter van 11 december 2018 en alsnog afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] . De curator heeft een tweetal grieven geformuleerd tegen het vonnis van de kantonrechter, waarvan de tweede grief is gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg.

Waar in de eerste grief wordt geklaagd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de curator geen verweer heeft gevoerd - en de vordering daarom heeft toegewezen - behoeft dat geen aparte bespreking. Of de curator in eerste aanleg nu wel of geen verweer heeft gevoerd, is niet van belang, nu het hoger beroep er mede toe dient om in eerste aanleg gemaakte fouten of omissies te herstellen en de curator dus in appel al haar stellingen en weren alsnog naar voren kan brengen. Overigens heeft de grief de strekking de zaak in volle in volle omvang aan het hof voor te leggen.

4.2

De curator legt aan haar vordering tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter het volgende ten grondslag.

[geïntimeerde] had, voordat hij zaken deed met [A] , het curateleregister moeten raadplegen. Met zijn achtergrond als ondernemer en professional en gelet op het feit dat het om een transactie van ruim € 20.000,- ging, klemt des te meer dat hij dit heeft nagelaten. De gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] ’ stelling dat de door hem verrichtte werkzaamheden [A] tot voordeel hebben gestrekt, wordt ontkend.

Vernietiging van de overeenkomst

4.3.

Het hof stelt voorop dat (de advocaat van) [geïntimeerde] zowel bij memorie van antwoord als op de comparitie van partijen die daarna heeft plaatsgevonden, heeft erkend dat [geïntimeerde] , voordat hij met [A] tot zaken kwam, het curateleregister had moeten raadplegen.

Deze kwestie is dus geen onderwerp van debat (meer). Evenmin betwist [geïntimeerde] dat de tussen partijen gesloten overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd. Het gaat in deze zaak nog uitsluitend om de vraag wat de rechtsgevolgen van die vernietiging zijn.

4.4

Vernietiging van een overeenkomst heeft terugwerkende kracht (artikel 3.53 BW), op grond waarvan de overeenkomst wordt geacht nooit te hebben bestaan. Is op grond van de overeenkomst gepresteerd, zoals [geïntimeerde] stelt, dan is sprake van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW). [geïntimeerde] zou dus in beginsel het recht hebben de door hem verrichte prestatie terug te vorderen. Nu terugvordering van een verrichte dienst zoals [geïntimeerde] die stelt te hebben verricht, niet mogelijk is, kan de vergoeding van de waarde van de verrichte prestatie daarvoor in de plaats komen. Dat is echter niet zonder meer het geval wanneer, zoals in dit geval, sprake is van een overeenkomst met een handelingsonbekwame persoon. Voor dat geval bepaalt artikel 6:209 BW dat de verplichting tot ongedaanmaking slechts op de onbekwame rust wanneer het ontvangene hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt. De bewijslast van dat werkelijk voordeel rust op [geïntimeerde] .

4.5

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit het voordeel voor [A] blijkt. Waar hij stelt dat het op zichzelf al een voordeel is voor [A] dat hij, [geïntimeerde] , in diens behoefte aan het opstarten van een onderneming heeft voorzien door daartoe onderzoek te verrichten, is dat te vaag. Zijn stelling dat [A] mogelijk nu, of na opheffing van de ondercuratelestelling, toch nog gebruik kan maken van het door [geïntimeerde] verrichtte voorwerk, acht het hof onwaarschijnlijk. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6

De werkzaamheden van [geïntimeerde] bestonden uit het onderzoeken van de mogelijkheden om accountantskantoren “nieuwe stijl” op te zetten. [A] is echter een zeventigjarige man die wegens een bipolaire stoornis en gewoonte van drankmisbruik onder curatele is gesteld. [A] is gepensioneerd en krijgt van de curator geen toestemming om welke onderneming dan ook op te starten. Van spoedige opheffing van de ondercuratelestelling is het hof niet gebleken. Veeleer blijkt uit hetgeen de bewindvoerder ter comparitie bij het hof heeft verklaard dat de geestelijke gesteldheid van [A] geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat de curatele binnen afzienbare tijd zal worden opgeheven. Dat [A] nog ooit enig voordeel van de werkzaamheden van [geïntimeerde] zal genieten, acht het hof dan ook niet meer dan denkbeeldig.

Onrechtmatige daad.

4.7

[geïntimeerde] stelt dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld door willens en wetens - wetende dat hij onder curatele was gesteld en wetende dat zijn rechtshandelingen vernietigbaar

waren - een overeenkomst met [geïntimeerde] aan te gaan en zijn ondercuratelestelling te verzwijgen. [A] heeft inbreuk gemaakt op een (vermogens)recht van [geïntimeerde] en heeft de jegens [geïntimeerde] betamende zorgvuldigheid niet in acht genomen en wel op een zodanige wijze dat deze handelwijze strijd oplevert met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dit levert een onrechtmatige daad op die aan [A] kan worden toegerekend.

4.8

Ten aanzien van de vraag of de handelwijze van [A] een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW oplevert, overweegt het hof als volgt.

Niet uitgesloten is dat het handelen van een handelingsonbekwame persoon onder omstandigheden een onrechtmatige daad oplevert. Hetgeen [geïntimeerde] heeft gesteld is echter onvoldoende om tot dat oordeel te komen. Het sluiten van een vernietigbare overeenkomst en het niet mededelen van de grond die de overeenkomst vernietigbaar maakt, levert op zichzelf nog geen onrechtmatige daad op. Bijkomende omstandigheden waarom dat in dit geval anders zou zijn, zijn niet aangevoerd. Integendeel, [geïntimeerde] had op eenvoudige wijze op de hoogte kunnen zijn van de handelingsonbekwaamheid van [A] door het raadplegen van het openbare curateleregister. Nu [geïntimeerde] vóór het maken van de afspraken met [A] niet in het curateleregister heeft gekeken, heeft hij het risico genomen dat de overeenkomst vernietigd wordt als later blijkt dat degene met wie hij heeft gecontracteerd onder curatele staat. De gevolgen daarvan dienen voor zijn rekening en risico te komen.

Het standpunt dat het in een geval als dit maatschappelijk onbetamelijk zou zijn een contractspartij niet te wijzen op de vernietigbaarheid van de te sluiten overeenkomst, en dat de verplichting tot ongedaanmaking op die grond als schade kan worden gevorderd, is ook strijdig met de strekking van de curatele. Die regeling voorziet immers in de vernietigbaarheid van door de curandus verrichte rechtshandelingen, en in afwijking van de hoofdregel dat de door de wederpartij verrichte prestatie ongedaan kan worden gemaakt. De regeling strekt daarmee in de eerste plaats tot bescherming van de curandus. De wetgever heeft daarnaast in de bescherming van de belangen van zijn wederpartij voorzien met de inschrijving van de curatele in de openbare registers.

4.9

Met betrekking tot het door de curator gedane aanbod tot het leveren van bewijs oordeelt het hof het volgende. Ingevolge het bepaalde in artikel 166 lid 1 in verbinding met artikel 353 lid 1 Rv moet een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. In hoger beroep brengt de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek moet zijn mee dat van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt in beginsel mag worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. Het aanbod van [geïntimeerde] bewijs te leveren “van al zijn stellingen” voldoet niet aan deze eis, zodat het hof eraan voorbij gaat.

4.10

Het voorgaande betekent dat de grieven terecht zijn voorgedragen.

5 De slotsom

5.1

De grieven slagen. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd.

5.2

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Die kosten aan de zijde van de curator worden in eerste aanleg echter begroot op nihil nu zij haar verweer zelf heeft gevoerd en zich niet heeft laten bijstaan door een professioneel gemachtigde en niet is gebleken van kosten als bedoeld in artikel 238 lid 1 Rv. De kosten in hoger beroep worden tot aan deze uitspraak begroot op € 2.108,31 voor verschotten en € 1.391,- ( 1 punt x tarief III) voor salaris advocaat.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, sectie kanton van

11 december 2018;

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, welke kosten aan de zijde van de curator worden bepaald op nihil en in hoger beroep tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 2.108,31 voor verschotten en € 1.391, voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x tarief III).

Dit arrest is gewezen door mrs. K.M. Makkinga, M.W. Zandbergen en O.E. Mulder en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020.