Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2880

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
19/00179
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:364, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1916
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Ontvankelijkheid beroep. Termijnoverschrijding. Verschoonbaar? Bewijslastverdeling tijdige terpostbezorging in boetezaken. Omdat beroepschrift is ingediend vóór 1 augustus 2019 zijn oude bewijsregels van toepassing (vgl. ECLI:NL:HR:2019:1102).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/1000
Viditax (FutD), 17-04-2020
FutD 2020-1280
NTFR 2020/1326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/00179

uitspraakdatum: 7 april 2020

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 januari 2019, nummer AWB 17/6368,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft op 26 april 2017 over het jaar 2011 aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.605 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 177.707. Tegelijkertijd is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 22.000 en is € 8.224 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij brief van 9 juni 2017, bij de inspecteur binnengekomen op 14 juni 2017, heeft belanghebbende hiertegen bezwaar ingediend. De inspecteur heeft bij brief van 1 september 2017 uitspraken op bezwaar gedaan en het bezwaar vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

De inspecteur heeft het bezwaar tevens aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering. In de brief van 1 september 2017 heeft de inspecteur dit verzoek afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft op de brief van 1 september 2017 gereageerd bij brief van 11 oktober 2017. Deze brief is volgens de inspecteur op 9 november 2017 door hem ontvangen en ter behandeling doorgestuurd naar de Rechtbank waar deze op 23 november 2017 is binnen gekomen. De Rechtbank heeft de brief aangemerkt als een op 9 november 2017 ingediend beroepschrift.

1.5.

De Rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 11 januari 2018 gevraagd waarom het beroep te laat is ingesteld. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brieven van 19 en 22 januari 2018, door de Rechtbank ontvangen op respectievelijk 23 en 25 januari 2018.

1.6.

De Rechtbank heeft het beroep, voor zover het is gericht tegen de uitspraken op bezwaar en tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de Rechtbank de griffier opgedragen het beroepschrift door te sturen aan de inspecteur ter behandeling als bezwaarschrift tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering.

1.7.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Daar is de zaak gelijktijdig behandeld met de zaak, bekend onder nr. 19/00178. Tijdens de zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en samen met bijlagen overhandigd aan de inspecteur en het Hof. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Voor het procesverloop verwijst het Hof naar hetgeen is opgenomen onder “Ontstaan en loop van het geding”.

2.2.

Op 11 januari 2019 stuurt belanghebbende een brief naar de inspecteur waarin hij nogmaals bezwaar maakt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2011. Hij stelt dat hij pas tijdens de zitting van de Rechtbank van 10 januari 2019 de navorderingsaanslag (voor het eerst) ontvangen heeft en dat daarom pas dan de bezwaartermijn is gaan lopen.

2.3.

Bij brief van 15 maart 2019 reageert de inspecteur op de brief van 11 januari 2019 (met als aanhef: “voorgenomen uitspraak op bezwaar 2011”). Hij stelt dat al eerder, in 2017, bezwaar is gemaakt en dat de navorderingsaanslag op of rond 26 april 2017 (dagtekening belastingaanslag) op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende is bekend gemaakt. Als bewijs daarvoor voegt hij een aantal bescheiden bij, waaronder een “rapport datum verzending”.

2.4.

Met dagtekening 23 maart 2019 doet de inspecteur uitspraak op bezwaar. Hij merkt daarbij de brief met dagtekening 11 oktober 2017, overeenkomstig de beslissing van de Rechtbank, aan als bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. De brief van 11 januari 2019 merkt hij aan als aanvulling op dit bezwaar. In de uitspraak verklaart de inspecteur het bezwaar vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk. Ter zitting bij het Hof is gebleken dat tegen deze uitspraak beroep is ingesteld bij de Rechtbank.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of het beroep bij de Rechtbank ontvankelijk is en zo ja, of het bezwaar ontvankelijk is en zo ja, of de navorderingsaanslag en de boete tijdig zijn opgelegd en zo ja, of de navorderingsaanslag en de boete terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

3.2

Belanghebbende beantwoordt de eerste twee vragen bevestigend en de overige vragen ontkennend. Hij concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de bestreden navorderingsaanslag, boetebeschikking en beschikking heffingsrente.

3.3.

De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen in tegenovergestelde zin en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Met betrekking tot de navorderingsaanslag

4.1.1.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). Deze termijn begint op de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking (artikel 26c van de AWR). Een beroepschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door de Rechtbank is ontvangen. Als het beroepschrift per post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend wanneer het voor afloop van de termijn op de post is gedaan en door de Rechtbank is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn (artikel 6:9, leden 1 en 2, van de Awb).

4.1.2.

Indien het beroepschrift te laat wordt ingediend, moet de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het beroepschrift de belastingplichtige niet kan worden aangerekend. In dat geval is sprake van een zogenaamde verschoonbare termijnoverschrijding en dan laat de Rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege.

4.1.3.

De dagtekening van de bestreden uitspraken op bezwaar is 1 september 2017, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 13 oktober 2017. De inspecteur stelt dat hij de als beroepschrift aangemerkte brief (met dagtekening 11 oktober 2017) op 9 november 2017 heeft ontvangen (en heeft doorgestuurd naar de Rechtbank). Als datum van binnenkomst bij de Rechtbank heeft dan te gelden 9 november 2017 (artikel 6:15, lid 3, van de Awb). Dat is na de beroepstermijn en omdat er in de ogen van de inspecteur geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, is het beroep bij de Rechtbank volgens hem niet-ontvankelijk.

4.1.4.

Belanghebbende voert aan dat de toenmalige gemachtigde ( [A] van [B] ) de als beroep aangemerkte brief van 11 oktober 2017 tijdig heeft verzonden. Als bewijs daarvoor verwijst hij naar de brieven van de toenmalige gemachtigde van 18 januari en 22 januari 2018, waarin deze verklaart dat hij de brief van 11 oktober 2017 tijdig heeft verzonden. Volgens [A] heeft het meer dan een maand geduurd voordat de brief is verwerkt bij de Belastingdienst en komt dit tegenwoordig vaak voor bij de Belastingdienst. Belanghebbende wijst er daarnaast op dat de brief verstuurd is naar een adres van de Belastingdienst in Almelo terwijl de stempel (met ontvangstdatum) op de brief afkomstig is van het ‘Centrum voor Facilitaire Dienstverlening’ uit Zwolle. Alle feiten samen rechtvaardigen volgens belanghebbende het vermoeden dat de brief van 11 oktober 2017 op tijd bij de fiscus is binnengekomen, maar daar vervolgens een maand heeft rondgezworven. De inspecteur bestrijdt dat. Als bewijs daarvoor verwijst hij naar de datumstempel (“9 november 2017”) op de brief en naar een schermafdruk uit de systemen van de Belastingdienst waarin staat dat de brief op 9 november 2017 is opgevoerd. Dat is tevens de datum van binnenkomst, aldus de inspecteur. De inspecteur heeft die schermafdruk – zonder bezwaar van de wederpartij - ter zitting bij het Hof overgelegd. Het Hof oordeelt als volgt.

4.1.5.

Nu de inspecteur de tijdige ontvangst van de brief van 11 oktober 2017 ontkent, is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de brief tijdig door de inspecteur is ontvangen. Er bestaat een vermoeden van tijdige ontvangst als belanghebbende de brief van 17 oktober 2017 tijdig ter post bezorgd heeft.1 Het ligt op de weg van belanghebbende om de tijdige postbezorging aannemelijk te maken. Daarin is hij naar het oordeel van het Hof niet geslaagd. De enkele verklaring van de toenmalige gemachtigde dat hij de brief tijdig heeft verzonden is, zonder nadere bewijsvoering die ontbreekt, daarvoor onvoldoende.

Het staat belanghebbende vrij om, ondanks het ontbreken van een bewijs van verzending, op andere wijze aan te tonen dat de inspecteur de brief tijdig heeft ontvangen. Met hetgeen belanghebbende daarover heeft gesteld, heeft hij dat bewijs, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet geleverd.

Belanghebbende heeft evenmin omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Omdat het beroep bij de Rechtbank niet-ontvankelijk is, heeft de Rechtbank de door belanghebbende ingenomen standpunten met betrekking tot de tijdigheid van het bezwaar en met betrekking tot de bekendmaking van de navorderingsaanslag terecht niet behandeld. Het hoger beroep met betrekking tot de navorderingsaanslag is dan ook ongegrond.

4.2.

Met betrekking tot de boete

4.2.1.

Belanghebbende voert aan dat met betrekking tot de boete een andere bewijslastverdeling geldt. Het Hof overweegt als volgt. In (onder andere) het arrest van 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0550 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de belanghebbende bij een geschil omtrent de boete, anders dan bij een geschil omtrent de aanslag, slechts hoeft te stellen dat hij het beroepschrift tijdig ter post heeft bezorgd. De niet-ontvankelijkheid kan dan alleen maar worden uitgesproken indien de onjuistheid van die stelling is bewezen. In het arrest van 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, heeft de Hoge Raad deze leer verlaten en heeft daarbij geoordeeld dat er geen reden is om in boetezaken een andere bewijslastverdeling toe te passen dan in andere zaken. Omwille van de rechtszekerheid moeten deze nieuwe bewijsregels volgens de Hoge Raad echter buiten toepassing blijven met betrekking tot de ontvankelijkheid van bezwaar- en beroepschriften die zijn ingediend vóór 1 augustus 2019. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende het beroepschrift ingediend op 9 november 2017, belanghebbende gaat uit van een eerdere datum. Dat betekent dat hier de oude bewijsregels van toepassing zijn.

4.2.2.

Belanghebbende stelt dat hij het beroepschrift, met dagtekening 11 oktober 2017, tijdig ter post heeft bezorgd. Gelet op de in 4.2.1 vermelde jurisprudentie moet de inspecteur dan de onjuistheid van die stelling bewijzen. Met de (onderbouwde) stelling dat de brief pas op 9 november 2017 is binnengekomen, heeft de inspecteur dat bewijs niet geleverd. Dat betekent dat het beroep met betrekking tot de boete ontvankelijk is en dat het hoger beroep in zoverre dus gegrond is. Het Hof zal, mede gelet op de omstandigheid dat het beroep met betrekking tot de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering voorligt bij de Rechtbank (zie 2.4.), de zaak op het punt van de boete terugwijzen naar de Rechtbank ter behandeling van de zaak met inachtneming van deze uitspraak.

4.3.

Met betrekking tot de ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag en de boete

4.3.1.

Het verzoek om ambtshalve vermindering dateert van 14 juni 2017. Het verzoek is afgewezen op 1 september 2017. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 11 oktober 2017, binnengekomen bij de inspecteur op 9 november 2017, bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft dit bezwaar ten onrechte doorgezonden aan de Rechtbank om het als beroep in behandeling te nemen. Er was immers niet eerder uitspraak op bezwaar tegen de afwijzing gedaan. Gelet daarop heeft de Rechtbank het beroep terecht teruggezonden naar de inspecteur om het alsnog als bezwaar in behandeling te nemen. In zoverre is het hoger beroep ongegrond.

Slotsom

4.4.

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep met betrekking tot de boete gegrond en voor het overige ongegrond.

5 Ten aanzien van de proceskosten

5.1.

Het Hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep bij het Hof gegrond is. Omdat de zaak met betrekking tot de boete teruggewezen wordt naar de Rechtbank komt het Hof in zoverre niet toe aan een oordeel over de vergoeding van de kosten van bezwaar en beroep bij de Rechtbank. Daar zal de Rechtbank over moeten oordelen.

5.2.

Het Hof stelt de tegemoetkoming voor de kosten die gemaakt zijn in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof vast op 2 (1 punt voor de indiening van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) x € 525 (waarde per punt) x 1/2 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 525. Het gewicht van de zaak is bepaald op 1/2 (licht) omdat alleen de ontvankelijkheid van het beroep bij de Rechtbank in het geding was.

5.3.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

6 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank maar alleen voor zover het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de boete niet-ontvankelijk is verklaard;

- wijst de zaak met betrekking tot de boete, met inachtneming van deze uitspraak, ter behandeling terug naar de Rechtbank;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten van het geding bij het Hof tot een bedrag van € 525.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. de Werd, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Flutsch als griffier.

De beslissing is op 7 april 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 7 april 2020

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Vergelijk Hoge Raad 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:418.