Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2864

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
200.265.529
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten hoger beroep toegewezen (art. 224 Rv jo art. 353 lid 2 Rv).

Geen sprake van situatie dat redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal in Nederland mogelijk zal zijn (art. 224 lid 2, aanhef en onder c, Rv).

Bij vaststelling hoogte bedrag zekerheidstelling wordt geen rekening gehouden met proceskosten eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.265.529

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, NL18.12840)

arrest van 7 april 2020

in het incident ex artikel 224 Rv in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten

SDB General Trading L.L.C.,

gevestigd te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,

appellante, tevens verweerster in het incident,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: SDB,

advocaat: mr. A. Kara,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ITT Controls B.V.,

gevestigd te Barneveld,

geïntimeerde, tevens eiseres in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ITT,

advocaat: mr. A.J.P. Ariëns.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 februari 2020 hier over.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van antwoord, tevens incidentele conclusie tot zekerheidsstelling ex artikel 224 e.v. Rv, tevens bezwaar vermeerdering van eis,

- de memorie van antwoord in incident ex artikel 224 Rv, tevens houdende akte overlegging producties.

1.3.

Vervolgens heeft ITT de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald.

2 De motivering van de beslissing in het incident

2.1.

Bij arrest van 4 februari 2020 heeft het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst. Vervolgens heeft ITT een incident ingesteld tot zekerheidsstelling van de proceskosten. ITT heeft gevorderd SDB te veroordelen tot het stellen van zekerheid voor de betaling van alle (proces)kosten, schaden en interesten, waarin SDB naar aanleiding van de door haar ingestelde vorderingen ten behoeve van ITT reeds door de rechtbank is veroordeeld en door het hof veroordeeld zou kunnen worden, met bepaling van het bedrag van de zekerheid op € 25.000,-, kosten rechtens.

2.2.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 224 lid 1 Rv allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding alhier, verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. Uit artikel 353 lid 2 Rv volgt dat deze verplichting ook geldt voor de oorspronkelijke eiser, die in hoger beroep komt.

2.3.

Niet in geschil is dat SDB niet in Nederland is gevestigd, zodat zij in beginsel zekerheid dient te stellen. SDB heeft een beroep gedaan op artikel 224 lid 2, aanhef en onder c, Rv. Op grond daarvan bestaat geen verplichting tot het stellen van zekerheid indien redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding in Nederland mogelijk zal zijn. Het is aan degene van wie zekerheid wordt gevorderd om terzake voldoende (specifieke) gegevens te verschaffen (zie Kamerstukken II 2000-2001, 26 855, nr. 8, p. 3 en 4). SDB en ITT hebben drie overeenkomsten met elkaar gesloten voor de levering van industriële kleppen door ITT aan SDB. De industriële kleppen van de derde overeenkomst heeft SDB nooit opgehaald bij ITT. ITT heeft aangevoerd dat zij deze derde lading inmiddels – ruim vier jaar na de beoogde aflevering aan SDB – uit haar magazijn heeft verwijderd en dat ze waardeloos zijn voor derden. Naar het oordeel van het hof biedt hetgeen SDB heeft aangevoerd onvoldoende specifieke gegevens voor de conclusie dat redelijkerwijs aannemelijk is dat deze derde lading voldoende verhaal biedt voor de proceskosten. Het enkele feit dat SDB voor deze industriële kleppen een bedrag van € 205.250,- aan ITT heeft betaald, betekent niet dat de inmiddels meer dan vier jaar oude kleppen bij eventuele verkoop door ITT aan een derde een bedrag opleveren dat de proceskosten dekt. Volgens ITT zijn de industriële kleppen immers specifiek op maat gemaakt voor SDB en zijn deze onverkoopbaar aan derden. Het had op de weg van SDB gelegen om informatie te verschaffen waaruit volgt dat de industriële kleppen nog voorhanden zijn en bij verkoop wel degelijk voldoende verhaal bieden voor de proceskosten. Daarom faalt het beroep van SDB op artikel 224 lid 2, aanhef en onder c, Rv. Verder is niet gesteld of gebleken dat sprake is van een van de overige in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen op de verplichting tot zekerheidsstelling. Daarom is de vordering tot zekerheidsstelling in principe toewijsbaar.

2.4.

De verplichting tot zekerheidstelling ex artikel 224 lid 1 Rv heeft enkel betrekking op de (geliquideerde) proceskosten van de procedure in hoger beroep en de schade die het rechtstreeks gevolg is van het in rechte opkomen van SDB in hoger beroep. Bij de vaststelling van de hoogte van de door SDB te stellen zekerheid zal het hof dus geen rekening houden met de proceskosten waarin de rechtbank SDB heeft veroordeeld. De vordering zal in zoverre worden afgewezen. Het hof stelt het bedrag waarvoor SDB zekerheid moet stellen vast op € 19.416,-. Daarbij gaat het hof uit van het door ITT betaalde griffierecht van € 5.382,- en van € 14.034,- aan salaris voor de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten x appeltarief VII ad € 4.678,-). ITT heeft in de hoofdzaak een memorie van antwoord genomen (1 punt) en zal mogelijk een comparitie van partijen bijwonen (1 punt). Het hof houdt de beslissing over de kosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak. Voor zover SDB in het eindarrest in de kosten van het incident zal worden veroordeeld, zullen deze kosten worden vastgesteld op 1 punt.

2.5.

Het hof zal naar analogie van artikel 616 lid 3, aanhef en onder a en b, Rv de termijn waarbinnen de zekerheid moet zijn gesteld bepalen op vier weken na de datum van dit arrest, en de termijn waarbinnen de gestelde zekerheid moet worden aanvaard dan wel geweigerd op twee weken nadien. Als SDB niet binnen de termijn zekerheid stelt, kan zij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.

Wat betreft de wijze waarop de zekerheidstelling ex artikel 224 Rv dient te geschieden, moet aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in artikel 6:51 BW. In ieder geval is van belang dat ITT zonder moeite verhaal zal kunnen nemen op de aangeboden zekerheid, zoals het geval zal zijn bij een bankgarantie.

3 De slotsom

3.1.

Het hof zal SDB veroordelen tot het stellen van zekerheid zoals hierna vermeld. De beslissing over de kosten van het incident zal het hof aanhouden tot aan het eindarrest in de hoofdzaak.

3.2.

Het hof zal bepalen dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt.

4 De beslissing

Het hof, recht doende:

in het incident:

veroordeelt SDB tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten van ITT voor een bedrag van € 19.416,-;

bepaalt dat SDB deze zekerheid moet hebben gesteld binnen een termijn van vier weken na de datum van dit arrest, waarna ITT binnen twee weken de gestelde zekerheid dient te accepteren of te weigeren;

voornoemde zekerheid dient te worden gesteld in een vorm die aan de eisen van artikel 6:51 lid 2 BW voldoet;

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak in hoger beroep:

bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, Th.C.M. Willemse en S.B. Boorsma, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 april 2020.