Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2840

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
200.266.832
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verlenen machtiging tot verwerping nalatenschap. Niet-ontvankelijk, termijnoverschrijding. 4:193 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0162
JERF Actueel 2020/233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.266.832

(zaaknummer rechtbank Gelderland 7867473

beschikking van 7 april 2020

inzake

[verzoeker] en

[verzoekster] ,

in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van na te noemen [de minderjarige] ,

beiden wonende te [A] ,
verzoekers in hoger beroep,

verder ook te noemen: de ouders van [de minderjarige] en afzonderlijk ook te noemen: de vader van [de minderjarige] en de moeder van [de minderjarige] ,

advocaat: mr. S.H. van Os te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 28 juni 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 september 2019.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 28 januari 2020 plaatsgevonden. De vader van [de minderjarige] is verschenen, bijgestaan door de advocaat en vergezeld van mr. I. Bleeker, kandidaat-notaris. Mr. Bleeker heeft met toestemming van het hof, op enkele punten een korte toelichting gegeven.

3 De feiten

3.1

[Erflater] (verder te noemen: erflater) en [de echtgenote van erflater] (verder te noemen: de echtgenote van erflater) waren voor het overlijden van erflater getrouwd. De vader van [de minderjarige] is de biologische zoon van de echtgenote van erflater. Sinds 1985 heeft hij de achternaam van erflater.

[de minderjarige] (verder te noemen : [de minderjarige] ) is de zoon van [verzoeker] en

[verzoekster] en is geboren [in] 2006.

3.2

Op 15 april 2016 is erflater te [B] (Frankrijk) overleden met als laatste woonplaats te Frankrijk.

3.3

Erflater heeft over zijn nalatenschap (verder te noemen: de nalatenschap) beschikt bij testament van 3 september 2008 (hierna: het testament), verleden voor mr. [C] , notaris te [D] , gemeente Boxmeer.

In het testament staat vermeld, voor zover hier van belang:

B. ONTERVING

Ik sluit mijn zoon [verzoeker] en mijn eventuele overige afstammelingen uit als erfgenamen in mijn nalatenschap, zulks evenwel met uitzondering van mijn kleinzoon [de minderjarige] (…)

C. WETTELIJKE VERDELING

Ik bepaal dat mijn nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld, zodat alle tot mijn nalatenschap behorende goederen door mijn echtgenote worden verkregen terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt.
Mijn genoemde kleinzoon verkrijgt, als plaatsvervuller overeenkomstig de thans wettelijke regelgeving van zijn onterfde vader, een geldvordering ten laste van mijn echtgenote ter grootte van de waarde van zijn erfdeel. (…)

O. Rechtskeuze

Ik bepaald dat op de vererving van mijn nalatenschap het Nederlandse recht van toepassing is.”

3.4

De ouders van [de minderjarige] hebben bij verzoekschrift van 2 mei 2019 de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Gravenhage, verzocht hen machtiging te verlenen om de nalatenschap namens [de minderjarige] te verwerpen en, hangende de (onherroepelijke) beslissing op dat verzoek de driemaandstermijn van artikel 4:192 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ter verlengen.

3.5

Bij beschikking van 18 juni 2019 heeft deze kantonrechter:

- [de minderjarige] een termijn van 60 dagen gesteld om een keuze te maken met betrekking tot verwerping of beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap;

- verstaan dat die termijn ingaat op de dag nadat verzoekende partij deze beschikking aan [de minderjarige] heeft doen betekenen en deze beschikking, onder vermelding van de gedane betekening heeft doen inschrijven in het boedelregister,

en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.6

Bij beschikking van diezelfde dag heeft voornoemde kantonrechter het verzoek van de ouders van [de minderjarige] tot machtiging tot verwerping namens [de minderjarige] van de nalatenschap verwezen naar de kantonrechter te Arnhem. Het verzoekschrift is vervolgens behandeld door de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen.

3.7

Bij de bestreden beschikking heeft laatstgenoemde kantonrechter, voor zover hier van belang, de ouders van [de minderjarige] niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot het verlenen van een machtiging tot verwerping van de nalatenschap namens [de minderjarige] , omdat - kort gezegd - de ouders van [de minderjarige] dat verzoek te laat hebben ingediend.

4 De omvang van het geschil

De ouders van [de minderjarige] zijn met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De ouders van [de minderjarige] verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap door [de minderjarige] te vernietigen en de ouders van [de minderjarige] machtiging te verlenen om voor [de minderjarige] de nalatenschap te verwerpen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Nu erflater zijn laatste woonplaats in Frankrijk had en [de minderjarige] in Nederland woont, dient het hof allereerst te beoordelen of het rechtsmacht heeft en aan de hand van welk recht het verzoek dient te worden beoordeeld. Het hof kwalificeert het verzoek van de ouders van [de minderjarige] tot machtiging voor het verwerpen van de nalatenschap namens [de minderjarige] als een maatregel betreffende de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 1 lid 1, onder b van de Verordening Brussel II-bis en niet als een maatregel inzake erfopvolging in de zin van artikel 1, lid 3, onder f van deze verordening. Op grond van artikel 8 van de Verordening Brussel II-bis ( is de Nederlandse rechter bevoegd het verzoek van de ouders van [de minderjarige] te beoordelen, omdat [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op grond van artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 dient de Nederlandse rechter vervolgens, bij de beoordeling van dat verzoek, het Nederlands recht voor de machtiging tot verwerping van nalatenschappen toe te passen.

5.2

Op grond van artikel 4:193 lid 1 BW kan een wettelijk vertegenwoordiger van een erfgenaam voor deze niet zuiver aanvaarden en behoeft hij voor verwerping een machtiging van de kantonrechter. Hij is verplicht een verklaring voor beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de erfgenaam toekomt. Deze termijn kan overeenkomstig artikel

4:192 lid 2 BW, tweede zin, worden verlengd. Een verzoek tot machtiging om de nalatenschap te verwerpen of een (eerste) verzoek tot verlenging van de driemaandstermijn moet dus in beide gevallen voor afloop van de driemaandstermijn van artikel 4:193 lid 1 zijn ingediend. Op grond van artikel 4:193 lid 2 BW geldt de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard als de wettelijk vertegenwoordiger die termijn laat verlopen.

5.3

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de ouders van [de minderjarige] niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek. Erflater is op 15 april 2016 overleden en per die datum komt de nalatenschap [de minderjarige] (mede) toe. Dat betekent dat de ouders van [de minderjarige] tot drie maanden ná 15 april 2016 de gelegenheid hadden om machtiging tot verwerping van de nalatenschap te verzoeken.

De ouders van [de minderjarige] hebben echter pas op 2 mei 2019 machtiging tot verwerping en verlening van de termijn van 4:193 lid 1 BW verzocht en dat is te laat.

De ouders van [de minderjarige] hebben betoogd dat - samengevat en kort gezegd - de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar is, zodat zij toch nog in hun verzoek moeten worden ontvangen. Zij hebben daartoe gesteld dat zij niet eerder dan 30 maart 2019 op de hoogte waren van het overlijden van erflater en van de inhoud van het testament en (dus) van de positie van [de minderjarige] als erfgenaam. De ouders van [de minderjarige] en erflater en de echtgenote van erflater waren in de periode vanaf begin 2008 tot in 2018 ernstig gebrouilleerd en er is in die periode geen contact tussen hen en erflater (tot aan diens overlijden) en zijn echtgenote geweest. Na het herstel van het contact tussen de ouders van [de minderjarige] en de echtgenote van de erflater in april 2018 is het testament pas in 2019 ter sprake gekomen. De echtgenote van erflater heeft eerder niets gemeld over het testament en dacht ook dat dat niet nodig was, aldus de vader van [de minderjarige] . Pas in het kader van de verkrijging van een verklaring voor erfrecht in februari/maart 2019 werd duidelijk wat de gevolgen zijn van het testament voor de echtgenote van erflater en voor [de minderjarige] . Voorts hebben de ouders van [de minderjarige] een beroep gedaan op jurisprudentie waaruit zou blijken dat de termijn van drie maanden op een later tijdstip dan het openvallen van de nalatenschap kan ingaan.

Het betoog van de ouders van [de minderjarige] biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen vangt de termijn van artikel 4:193 lid 1 BW aan drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap aan de erfgenaam toekomt en niet eerst op het moment dat (de wettelijk vertegenwoordiger van) een erfgenaam bekend wordt met het feit dat hij erfgenaam is geworden. Dat de erfgenaam (al dan niet door toedoen of nalaten van anderen) pas na het verstrijken van die termijn van zijn positie op de hoogte raakt is daarbij niet relevant. Tegen de eventuele nadelige gevolgen van zijn erfrechtelijke positie wordt hij beschermd doordat hij wordt geacht beneficiair te hebben aanvaard: de erfgenaam verliest slechts de mogelijkheid van verwerping.

De door de ouders van [de minderjarige] genoemde jurisprudentie ziet op gevallen waarbij de eerst geroepen erfgenaam verwerpt of waarin een aan een erfstelling verbonden voorwaarde wordt vervuld en heeft aldus betrekking op situaties die met de onderhavige niet vergelijkbaar zijn.

5.4

Het voorgaande brengt mee dat ook het verzoek van de ouders van [de minderjarige] tot verlenging van de termijn voor de machtiging tot verwerping van de nalatenschap niet op tijd is gedaan.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 28 juni 2019;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, E.B. Knottnerus en
I.G.T.M. Weijers- van der Marck, bijgestaan door mr. M. Ligtenberg-Vastenholt als griffier, en is op 7 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.