Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2816

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
200.239.301/01 en 200.239.031/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsrecht. Ontbonden maatschap.

Hoe moet het vermogen van de ontbonden maatschap worden bepaald als de onderneming van de maatschap wordt voortgezet door een vennoot die zelf de maatschap had opgezegd; op “going concern” basis met toepassing van de “goodwill formule” , of op basis van de liquidatiewaarde ?

Uitleg van de maatschapsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0149
RO 2020/43
JONDR 2020/588
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.239.301/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland Noord-Nederland 142729)

zaaknummer gerechtshof 200.239.031/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland Noord-Nederland 142729)

arrest van 7 april 2020

in de zaak (met nummer 200.239.301) van

[appellant1] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [appellant1],

advocaat: mr. E.W. Kingma

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S.A. Roodhof,

en in de zaak (met nummer 200.239.031) van

[appellant2] ,

wonende te [C] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [appellant2],

advocaat: mr. J. Bos,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S.A. Roodhof.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] [appellant1] en [appellant2] gezamenlijk gedagvaard en zijn [appellant1] en [appellant2] gezamenlijk opgetreden als eisers in reconventie. Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

2 september 2015, 11 mei 2016, 31 augustus 2016, 28 september 2016 en 14 februari 2018 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 De gedingen in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in de zaak met nummer 200.239.301/01 (hierna verder te noemen: zaak 1) blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 4 mei 2018,
- de voeging op de rol van 29 mei 2018 met de zaak met nummer 200.239.031/01,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- het arrest van 24 september 2019 waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- de akte van [appellant1] van 28 februari 2020 met nog een productie,
- het proces-verbaal van de op 10 maart 2020 gehouden comparitie, gelijktijdig met de comparitie in zaak 2.

2.2

Het verloop van de procedure in de zaak met nummer 200.239.031/01 (hierna verder te noemen: zaak 2) blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 3 mei 2018,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord,

- het arrest van 24 september 2019 waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- het proces-verbaal van de op 10 maart 2020 gehouden comparitie, gelijktijdig met de comparitie in zaak 1, waarbij aan de spreekaantekeningen van mr. Roodhof nog is gehecht een productie, die ook deel is gaan uitmaken van de gedingstukken.

2.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald in de beide zaken op de comparitiedossiers. Daarbij is meegedeeld dat, vanwege hun samenhang en (rol)voeging, in de beide zaken uitspraak zal worden gedaan in één arrest.

3 Inleiding en de vaststaande feiten in zaak 1en zaak 2

3.1

In deze zaken gaat het om de verdeling van het vermogen van een beëindigde maatschap. Centraal daarin staat de vraag of de onderneming van de maatschap is voortgezet dan wel is geliquideerd. Het antwoord op die vraag is namelijk beslissend voor de wijze waarop de omvang van dat vermogen moet worden bepaald. Zaak 1 draait daarbij om de vraag of [appellant1] de onderneming van de maatschap heeft voortgezet en in zaak 2 gaat het om de vraag of [appellant1] dat ook samen met [appellant2] heeft gedaan.
De uitleg van de maatschapsovereenkomst speelt daarbij een belangrijke rol.

3.2

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.20 van het tussenvonnis van 11 mei 2016, met uitzondering van het feit onder 2.18. Aangevuld met feiten die in hoger beroep ook zijn komen vast te staan, zijn de feiten, voor zover in hoger beroep (nog) van belang, als volgt.

3.3

[appellant1] heeft vanaf 1 april 2002 in de vorm van een eenmanszaak een

advies- en administratiekantoor gedreven, onder de naam " [appellant1] Adviesbureau".

3.4

Vanaf 1 januari 2005 zijn de activiteiten van de onderneming uitgeoefend in de vorm van een (stille) maatschap die [appellant1] per die datum is aangegaan met [appellant2] . De naam van de onderneming is niet gewijzigd en ook haar vestigingsadres bleef onveranderd [a-straat 1] te [A] , een pand dat eigendom was (en is) van [appellant1] .

3.5

[geïntimeerde] is in 2007 in dienst getreden bij [appellant1] Adviesbureau en is per

1 januari 2011 toegetreden tot de (stille) maatschap, onder inbreng van een bedrag van € 135.000,- (als “goodwill”) in de vorm van een debitering van haar kapitaalrekening bij de maatschap met dat bedrag.

3.6

Bij de toetreding van [geïntimeerde] is een schriftelijke maatschapsovereenkomst opgesteld die is gedateerd op 23 februari 2011 en door alle vennoten (en hun partners) is ondertekend. In artikel 10 van die overeenkomst is vastgelegd dat alle vennoten in eenzelfde verhouding (33,33%) delen in de winst of het verlies van de maatschap, en dat dit ook geldt voor stakingswinst. In artikel 2 is bepaald dat ieder van de vennoten het recht heeft om de maatschap door opzegging te beëindigen en dat “dit dient te geschieden bij aangetekende brief aan de andere vennoten, met in achtneming van een opzegtermijn van drie maanden en niet anders dan tegen het einde van het boekjaar (…)”

Over het einde van de maatschap, voortzetting, vaststelling en verdeling van het maatschapsvermogen is in de overeenkomst het volgende opgenomen:


Einde maatschap

Artikel 11

De maatschap eindigt:

1. (…).

2. Na gedane opzegging door één van de vennoten in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2.

(…)

Gerechtigdheid bij het einde maatschap

Artikel 12

1. Bij het eindigen van de maatschap is ieder der vennoten in het vermogen van de vennootschap

gerechtigd voor het bedrag, waarvoor hij ingevolge het in artikel 3 bepaalde in de boeken der

maatschap is gecrediteerd, vermeerderd of verminderd met zijn aandeel in de winst of het verlies,

gemaakt of geleden volgens de balans en verlies- en winstrekening, opgemaakt in overeenstemming

met het in artikel 7 en 8 bepaalde naar de dag waarop de maatschap is beëindigd.

2. Op deze na het eindigen van de maatschap op te maken balans zullen de activa van de maatschap

worden opgenomen tegen de waarde going concernwaarde (voortzettingswaarde) in geval van bij

voortgezet gebruik en indien de vennootschap wordt geliquideerd tegen liquidatiewaarde.

3. De overige stille reserves komen in de navolgende verhouding aan ieder der vennoten toe:

De vennoot sub. 1 33,33%

De vennoot sub. 2 33,33%

De vennoot sub. 3 33,33%.

De goodwill wordt als volgt bepaald:

Het gewogen gemiddelde jaarwinst van de afgelopen driejaren. Jaar X maal wegingsfactor 3,
jaar X-1maal wegingsfactor 2 en jaar X-2 maal wegingsfactor 1.

Van het gewogen gemiddelde jaarwinst gaat af een correctie vermogenskosten eigen vermogen à 8%.

Het bedrag dat overblijft wordt vermenigvuldigd met een overwinstfactor 2,5.

(…)

Voortzetting / vermogensbedingen

Artikel 14

1. Is de maatschap geëindigd doordat het bepaalde in artikel 11, sub. 2, (…) toepassing heeft

gevonden, dan hebben de vennoten die niet hebben opgezegd (…), het recht de zaken van de ontbonden maatschap onder dezelfde handelsnaam voort te zetten, hetzij met anderen, mits zij (...) het verlangen daartoe binnen één maand na het eindigen van de maatschap schriftelijk te kennen is gegeven aan de andere vennoten (...)

(...)

Liquidatie

Artikel 17

1. Indien de zaken van de ontbonden maatschap niet op grond van het bepaalde in deze akte worden

voortgezet, zal het vermogen van de ontbonden maatschap zo spoedig mogelijk worden geliquideerd

door de vennoten (...)

3.7

Toen [geïntimeerde] toetrad tot de maatschap was het de bedoeling dat [appellant1] op enig moment zou uittreden en dat daarna [geïntimeerde] en [appellant2] samen de maatschap zouden voortzetten. In 2013 heeft [appellant1] aangegeven dat hij nadere afspraken wenste te

maken over zijn uittreding (op termijn) uit de maatschap. [appellant1] was op dat

moment 62 jaar. Eind november 2013 heeft hij een berekening opgesteld die erop neer kwam dat de maatschap hem bij uittreding (en voortzetting van de maatschap door [geïntimeerde] en [appellant2] ) een bedrag van € 204.373,- verschuldigd zou zijn ter zake van 1/3 deel van de waarde van de activa (€ 26.667,-) en 1/3 deel van de waarde van de goodwill (€ 177.706,-).

3.8

Omdat onderling overleg niet tot overeenstemming leidde, hebben partijen eind 2013 een onafhankelijke organisatieadviseur ingeschakeld, [D] (hierna verder te noemen: [D] ), voor bemiddeling. Onder diens leiding zijn gesprekken over een eventuele uittreding van [appellant1] uit de maatschap voortgezet. Ook deze gesprekken, die tot juli 2014 hebben geduurd, hebben niet tot overeenstemming geleid. In juli 2014 heeft [D] individuele gesprekken met de vennoten gevoerd. Van die gesprekken heeft hij verslagen gemaakt. [geïntimeerde] heeft op 15 juli 2014 (in een gesprek met [D] ) en op

22 juli 2014 (in een gesprek met [D] , [appellant1] en [appellant2] ) laten weten dat het haar allemaal te veel werd en dat zij de maatschap “los” wilde laten, ook omdat er geen sprake was van “onvoorwaardelijk en voldoende vanzelfsprekend vertrouwen”.

3.9

Medio augustus 2014 heeft [D] aan de vennoten meegedeeld dat hij geen mogelijkheden meer zag voor verdere samenwerking tussen hen. [geïntimeerde] heeft zich vervolgens laten bijstaan door AA accountant [E] en [appellant1] en [appellant2] door mr. Kingma. Overleg tussen [E] en Kingma, waarbij [E] voorstellen heeft gedaan voor de vergoeding die aan [geïntimeerde] zou toekomen bij haar uittreding, leidde niet tot overeenstemming.

3.10

In een aangetekende brief van 24 september 2014 aan [geïntimeerde] heeft mr. Kingma namens [appellant1] en [appellant2] de maatschap opgezegd, en [geïntimeerde] verzocht te berichten of zij de maatschap wil voortzetten. In de brief schrijft hij onder meer:

Recent zijn tussen u en de maten problemen ontstaan. Dit heeft geresulteerd in de

situatie dat al enige tijd moeilijk wordt gecommuniceerd en dat u uw inzet hebt

teruggebracht tot drie dagen per week.

Hierbij zeggen de heren [appellant1] en [appellant2] de maatschapsovereenkomst op overeenkomstig artikel 2 lid 2 van de maatschapsovereenkomst. Daarbij wordt de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden in acht genomen. Dat betekent dat de maatschap zal eindigen op 31 december van dit jaar. Zij hebben de maatschap ook aan elkaar opgezegd.
Overeenkomstig artikel 14 lid 1 geeft de opzegging door de beide andere vennoten u het recht de zaken van de ontbonden maatschap onder dezelfde handelsnaam voort te zetten mits u dit binnen één maand na het eindigen van de maatschap schriftelijk te kennen geeft.

Om een dergelijke voortzetting reëel te maken, verzoek ik u vriendelijk binnen 4 weken na de verzenddatum van deze brief aan te geven of u wilt voortzetten. In dat geval zal moeten worden afgerekend overeenkomstig artikel 12. Dit betekent dat overeenkomstig artikel 12 lid 1 de kapitaalrekening moet worden opgemaakt en uitbetaald. Indien u voortzet, zal daarnaast goodwill moeten worden betaald overeenkomstig artikel 12 lid 3.

3.11

In reactie op deze brief heeft [E] namens [geïntimeerde] in een brief van

26 september 2014 aan [appellant1] en Otten geschreven dat [geïntimeerde] hun al op

22 juli 2014 had meegedeeld uit de maatschap te treden. In de brief bevestigt hij haar uittreden schriftelijk en laat hij weten dat het verzoek om binnen 4 weken aan te geven of [geïntimeerde] wil voortzetten daarom geen reactie behoeft. Nader vervolgoverleg tussen partijen heeft evenmin overeenstemming geleid.

3.12

[appellant1] heeft na 1 januari 2015 de activiteiten van de geëindigde maatschap voortgezet onder dezelfde naam ( [appellant1] Adviesbureau), vanuit dezelfde locatie, met [appellant1] en [appellant2] als drijvende krachten, met dezelfde werknemers, dezelfde klanten, en met verrekening van voorschotten die door de klant al waren gedaan aan de maatschap.

De vragen (1) of daarmee ook sprake is geweest van voortzetting van de onderneming van de maatschap door [appellant1] en (2) of ook [appellant2] die onderneming heeft voorgezet, zullen hierna worden besproken.

3.13

Op 26 januari 2015 heeft [appellant2] een “concept-liquidatieverslag 2014” opgesteld. Dit

verslag gaat uit van een beëindiging van de maatschap per 31 december 2014. In dit verslag is vermeld dat bij de beëindiging van de maatschap voor [geïntimeerde] een negatief saldo op de kapitaalrekening van de maatschap resteert van € 148.176,-.

[appellant1] en [appellant2] hebben dit concept ook aan [geïntimeerde] ter hand gesteld.

3.14

De activiteiten van de onderneming van de beëindigde maatschap zijn op enig moment in 2015 ondergebracht in de vennootschap [appellant1] Advies B.V.

3.15

In een brief van 22 juni 2015 aan [appellant1] en [appellant2] heeft mr. Roodhof namens [geïntimeerde] aangekondigd een procedure te zullen beginnen waarin [geïntimeerde] het haar toekomende bedrag vanwege haar uittreden uit de maatschap per 1 augustus 2014 zal vorderen. In de brief wordt meegedeeld dat de opzeggingsbrief van [appellant1] en [appellant2] van 24 september 2014 (voorwaardelijk) wordt vernietigd en dat [geïntimeerde] zich distantieert van het door [appellant2] opgestelde concept-liquidatieverslag.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank – samengevat – gevorderd:
primair: om [appellant1] en [appellant2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 204.373,-, te vermeerderen met haar winstaandeel over 2014:
subsidiair: voor recht te verklaren dat de opzegging van de maatschap door [appellant1] en [appellant2] is vernietigd, althans die te vernietigen en [appellant1] en [appellant2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 204.373,-;
meer subsidiair: [appellant1] en [appellant2] te veroordelen tot constructief overleg en onderhandeling over de gevolgen van het uittreden van [geïntimeerde] uit de maatschap;
een en ander met hoofdelijke veroordeling van [appellant1] en [appellant2] in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

Voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank rechtsgevolg zou verbinden aan het liquidatieverslag, heeft [geïntimeerde] nog gevorderd om [appellant1] en [appellant2] te veroordelen tot afgifte van de onderliggende bescheiden.

4.2

[geïntimeerde] heeft voor haar vorderingen aangevoerd, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, dat de onderneming van de maatschap na 1 januari 2015 is voortgezet door [appellant1] al dan niet samen met [appellant2] , en dat op de voet van artikel 12 van de maatschapsovereenkomst daarom door hen met [geïntimeerde] moet worden afgerekend op going concern basis, dus met inachtneming van stille reserves en goodwill.

De opzegging van de maatschap door [appellant1] en [appellant2] had alleen tot doel om haar aanspraak te dwarsbomen. Omdat van een daadwerkelijke opzegging door [appellant1] en [appellant2] geen sprake was, is die opzegging ook vernietigbaar.

4.3

[appellant1] en [appellant2] hebben gezamenlijk verweer gevoerd. Zij betwisten dat de onderneming van de ontbonden maatschap is voortgezet.

4.4

[appellant1] en [appellant2] hebben bij de rechtbank van hun kant gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling aan hen van een bedrag van € 148.176,-.

Zij hebben zich daarvoor beroepen op hun stelling dat tegen liquidatiewaarde moet worden afgerekend en hebben verder aangevoerd dat volgens de door [appellant2] opgestelde liquidatiebalans het saldo van de kapitaalrekening van [geïntimeerde] per 31 december 2014 € 148.176,- negatief bedroeg.

4.5

[geïntimeerde] heeft tegen die vordering verweer gevoerd. Zij heeft betwist dat volgens liquidatiewaarde zou moeten worden afgerekend en heeft ook de juistheid van de door [appellant2] opgestelde concept-liquidatiebalans betwist.

4.6

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 11 mei 2016 overwogen dat de maatschap is opgezegd door de opzeggingsbrief van [appellant1] en [geïntimeerde] van

24 september 2014, dat de maatschap daarom per 31 december 2014 is geëindigd, en dat [appellant1] de onderneming van de ontbonden maatschap feitelijk heeft voortgezet. Verder is overwogen dat de maatschapsovereenkomst geen specifieke bepalingen bevat voor de situatie dat de geëindigde maatschap wordt voortgezet door een vennoot die heeft opgezegd, en dat met inachtneming van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 1 BW ook in dat geval de activa van de maatschap dienen te worden gewaardeerd tegen “going concern” waarde. Daarom dient afgerekend te worden op basis van een slotbalans en een winst- en verliesrekening per 31 december 2014, waarin ook rekening is gehouden met stille reserves en goodwill, zoals is bepaald in artikel 12 lid 3 van de maatschapsovereenkomst. Omdat partijen hun vorderingen niet op deze uitgangspunten hebben gestoeld, heeft de rechtbank het inwinnen van een deskundigenbericht aangekondigd.

4.7

In het tussenvonnis van 28 september 2016 heeft de rechtbank een deskundige benoemd om een slotbalans en winst- en verliesrekening als door haar bedoeld op te stellen.

De deskundige heeft op 14 juli 2017 zijn bericht uitgebracht. Volgens dat bericht bedroeg de eindstand van [geïntimeerde] op haar kapitaalrekening € 11.145,- negatief en kwam iedere vennoot een bedrag van € 170.102, - aan goodwill toe.

4.8

In haar eindvonnis van 14 februari 2018 heeft de rechtbank op basis van het deskundigenbericht geoordeeld dat [geïntimeerde] aanspraak heeft op een bedrag van
€ 158.957,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2015 (veertien dagen na de aanzegging van de wettelijke rente door [E] in een brief van

20 januari 2015). Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de door [geïntimeerde] gevorderde hoofdelijke veroordeling van [appellant1] en [appellant2] toewijsbaar is, omdat daartegen geen zelfstandig verweer is gevoerd en de verplichting tot het verdelen van het vermogen van de maatschap na de beëindiging daarvan op elk der vennoten rust.

Vervolgens zijn [appellant1] en [appellant2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 158.957,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf

4 februari 2015. Daarnaast zijn [appellant1] en [appellant2] hoofdelijk veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 2.164,57 aan buitengerechtelijke kosten en € 19.196,- aan proceskosten (waarin begrepen een bedrag van € 11.979,- aan door [geïntimeerde] betaalde kosten voor het deskundigenbericht).

De tegenvordering van [appellant1] en [appellant2] is afgewezen, met hoofdelijke veroordeling van [appellant1] en [appellant2] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 2.842,- aan proceskosten. Alle veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.9

Aan het eindvonnis van de rechtbank is inmiddels voldaan, door betaling door [appellant1] .

5 De vorderingen in hoger beroep

in zaak 1

5.1

[appellant1] vordert de vernietiging van de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland van 11 mei 2016, 31 augustus 2016, 28 september 2016 en 14 februari 2018, met afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , toewijzing van de tegenvorderingen van [appellant1] en veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van het door haar ontvangen bedrag van € 220.528,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2018, en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

in zaak 2

5.2

[appellant2] vordert ook de vernietiging van voormelde vonnissen, met afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] . Verder vordert hij veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan hem van al hetgeen hij ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan haar mocht hebben voldaan, en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

6 De motivering van de beslissing in hoger beroep

in zaak 1

6.1

[appellant1] is in hoger beroep gekomen onder aanvoering van 8 grieven tegen de vonnissen (genummerd I tot en met VIII).

6.2

De grieven I en II en de daarop door [appellant1] gegeven toelichtingen vormen de kern van de bezwaren van [appellant1] tegen de bestreden vonnissen.
In grief I keert hij zich tegen het oordeel van de rechtbank dat hij feitelijk de onderneming van de ontbonden maatschap heeft voortgezet en in grief II tegen de toepassing door de rechtbank van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.

6.3

De beide grieven zullen vanwege hun samenhang gezamenlijk worden behandeld.

Zij stellen de volgende vragen aan de orde:
a.) heeft [appellant1] de onderneming van de ontbonden maatschap voortgezet als bedoeld in de artikel 12 van de maatschapsovereenkomst;
b.) zo ja: moeten de activa van de ontbonden maatschap dan ook worden gewaardeerd tegen waarde “going concern” op de wijze als bepaald in artikel 12 leden 2 en 3 van de maatschapsovereenkomst?

voortzetting

6.4

Het hof stelt voorop dat de grieven [appellant1] zich niet richten tegen de vaststellingen door de rechtbank dat de activiteiten van de ontbonden maatschap zijn voortgezet onder dezelfde naam ( [appellant1] Adviesbureau), vanuit dezelfde locatie, met [appellant1] en [appellant2] als drijvende krachten, met dezelfde werknemers, dezelfde klanten, en met verrekening van voorschotten die door de klant al waren gedaan aan de maatschap (zie rov 4.10 vonnis 11 mei 2016). In beginsel is daarmee voldaan aan de vereisten om van een voortzetting door [appellant1] (en eventueel ook [appellant2] ) van de onderneming van de ontbonden maatschap te kunnen spreken.

6.5

Volgens [appellant1] is echter geen sprake geweest van een voortzetting zoals wordt bedoeld in de maatschapsovereenkomst. Naar het hof begrijpt, stelt [appellant1] zich daarbij op het volgende standpunt.
Doordat [appellant1] en [appellant2] de maatschap hebben opgezegd en [geïntimeerde] , die volgens [appellant1] niet rechtsgeldig heeft opgezegd, niet had laten weten de onderneming van de maatschap voort te willen zetten, was er na de beëindiging van de maatschap geen vennoot als bedoeld in artikel 14 die de maatschap kon voortzetten. Op grond van artikel 17 diende het vermogen van de maatschap daarom te worden geliquideerd. Artikel 12 bepaalt dat in geval van liquidatie van de vennootschap de activa van de maatschap worden gewaardeerd tegen liquidatiewaarde. Hieruit volgt dat door de beëindiging van de maatschap ook de onderneming van de maatschap is geëindigd en dat het vermogen van de maatschap diende te worden gewaardeerd op basis van de liquidatiewaarde van de activa van de vennootschap. De voortzetting van de activiteiten van de ontbonden maatschap door [appellant1] kan daarom niet worden beschouwd als een voortzetting van de onderneming van de ontbonden maatschap als wordt bedoeld in de maatschapsovereenkomst, maar vond plaats in de uitoefening van de eenmanszaak die [appellant1] destijds al had en die na het einde van de maatschap opnieuw is opgestart.

6.6

Het hof volgt deze redenering niet. Zij gaat mank, reeds omdat zij erop is gebaseerd dat na het einde van de maatschap de onderneming van de maatschap is geliquideerd. [geïntimeerde] heeft betwist dat dit is gebeurd en [appellant1] heeft niets overgelegd waaruit kan blijken dat wél is geliquideerd. Daarbij wordt voor de volledigheid het volgende nog opgemerkt.
heeft op de valreep, kort voor de comparitie in hoger beroep, nog als productie overgelegd een door [appellant1] en [appellant2] ondertekende “koopovereenkomst onderneming” die is gedateerd op 26 maart 2015. In deze overeenkomst wordt vermeld dat de maatschap [appellant1] Adviesbureau, vertegenwoordigd door haar vennoten [appellant1] en [appellant2] , aan de besloten vennootschap in oprichting “ [appellant1] Adviesbureau BV”, vertegenwoordigd door haar directeur [appellant1] , verkoopt de activa en de passiva van de maatschap tegen de negatieve waarde van het eigen vermogen op de liquidatiebalans van negatief € 77.987,- en dat levering “zal geschieden op

1 januari 2015”. [appellant1] heeft tijdens de comparitie aangevoerd dat uit deze overeenkomst blijkt dat liquidatie heeft plaatsgevonden. Het hof is echter met [geïntimeerde] van oordeel dat uit die overeenkomst dat helemaal niet blijkt. Voor liquidatie was de medewerking vereist van [geïntimeerde] als (ex-)vennoot. Vast staat dat [geïntimeerde] niet gekend is in enige liquidatie van het vermogen/de onderneming van de maatschap. In de overeenkomst wordt ook niet gesproken over een maatschap in liquidatie, maar van verkoop door de maatschap van haar activa en passiva. Het hof ziet niet in hoe een liquidatie valt te rijmen met een dergelijke, kennelijk boogde verkoop van de onderneming “going concern”. Ook is niet duidelijk geworden hoe de “koopovereenkomst” zich verhoudt tot de eerdere stellingen van [appellant1] dat hij de activiteiten van de ontbonden maatschap aanvankelijk heeft voortgezet in zijn nieuwe eenmanszaak. Daarbij is opmerkelijk dat [appellant1] er tijdens de comparitie geen verklaring voor heeft kunnen geven waarom de “koopovereenkomst” niet al veel eerder in de procedure is overgelegd. Het hof hecht daarom geen waarde aan de “koopovereenkomst” als onderbouwing van de stelling dat liquidatie heeft plaatsgevonden. Bij gebreke van liquidatie is de conclusie dat de onderneming van de ontbonden maatschap is voortgezet door (in elk geval) [appellant1] . Of [appellant1] na 1 januari 2015 opnieuw een eenmanszaak heeft opgericht, kan daarbij verder in het midden blijven.

6.7

De stelling van [appellant1] dat deze voortzetting nog geen “voortgezet gebruik” betreft als bedoeld in artikel 12 van de maatschapsovereenkomst, omdat hij geen vennoot was als bedoeld in artikel 14, wordt verworpen. Bij de beantwoording van de vraag wat moet verstaan onder “voortgezet gebruik” als bedoeld in die bepaling komt het aan op de bewoordingen daarvan, gelezen in de context van de gehele overeenkomst, en op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenaamde Haviltex-maatstaf).
Het hof stelt vast dat het begrip “voortgezet gebruik” in artikel 12 niet wordt gedefinieerd en dat dit ook niet ergens anders in de overeenkomst gebeurt. Het begrip wordt verder ook niet gekoppeld aan bepaalde criteria of eisen. In die situatie brengt een praktische en doelmatige uitleg van de bepaling aan de hand van de Haviltex-maatstaf met zich, dat van voortgezet gebruik in de zin van deze bepaling niet alleen sprake is als de onderneming wordt voortgezet door een vennoot als bedoeld in artikel 14 van de maatschapsovereenkomst, maar ook als die wordt voortgezet door een vennoot die zelf de maatschap heeft opgezegd, indien de andere vennoten daar geen bezwaar tegen maken.

6.8

Het hof is, anders dan [appellant1] , niet van oordeel dat artikel 14 lid 1 van de maatschapsovereenkomst zich hiertegen verzet. Het artikel kent een recht tot voortzetting toe aan een vennoot die aan de in het artikel genoemde voorwaarden voldoet. De vraag of het artikel daarmee ook bedoelt uit te sluiten dat een vennoot die niet aan die voorwaarden voldoet (zoals een vennoot die zelf heeft opgezegd) de onderneming kan voortzetten, betreft ook een kwestie van uitleg, waarvoor de hiervoor genoemde Haviltex-maatstaf geldt.
De bewoordingen van het artikel dwingen niet tot een beperkende uitleg en het hof ziet ook geen andere grond voor een dergelijke, zowel onpraktische als weinig plausibele uitleg. Als geen van de vennoten die het recht tot voortgezet gebruik had daarvan gebruik heeft gemaakt, valt niet in te zien waarom een andere vennoot dan niet de mogelijkheid zou hebben om voort te zetten in het geval dat –zoals hier - geen liquidatie heeft plaatsgevonden en de andere vennoten geen bezwaar hebben geuit tegen die voortzetting.

6.9

Ook artikel 17 van de maatschapsovereenkomst staat hier niet aan in de weg. Het bepaalt weliswaar dat als niet wordt voortgezet door een vennoot op de voet van artikel 14, het vermogen van de onderneming zo spoedig mogelijk geliquideerd zal worden, maar het staat vennoten vrij om van een dergelijke contractuele bepaling af te wijken. In dit geval heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat die liquidatie niet heeft plaatsgevonden en partijen op dit punt dus anders hebben gehandeld.
6.10 Het hof komt dus tot de slotsom dat na 1 januari 2015 sprake is geweest van voortgezet gebruik van de onderneming van de ontbonden maatschap door (in elk geval) [appellant1] in de zin van artikel 12 van de maatschapsovereenkomst. Of ook [appellant2] daarbij betrokken is geweest, valt buiten de reikwijdte van dit hoger beroep (zaak 1) en komt aan de orde bij de behandeling van in zaak 2. Aan die voortzetting doet niet af dat inmiddels de onderneming van de maatschap wordt gedreven door " [appellant1] adviesbureau B.V.”. [appellant1] heeft zelf verklaard dat die overname pas op een later moment heeft plaatsgevonden. Dat volgens de hiervoor al besproken “koopovereenkomst” de levering zal geschieden op 1 januari 2015, doet daar niet aan af. Los van de waarde die aan die overeenkomst toekomt, geldt dat levering van de activa (en passiva) niet kan plaatsvinden met terugwerkende kracht. Hoe en wanneer die overname dan wel heeft plaatsgevonden, is voor de beoordeling van deze zaak verder niet van belang.

waardering van de activa

6.11

Uit de stellingen van [appellant1] en zijn toelichting tijdens de comparitie begrijpt het hof dat [appellant1] zich (subsidiair) op het standpunt stelt dat als wordt voortgezet door een ex-vennoot die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 14, er geen grond bestaat om het vermogen van de ontbonden maatschap te waarderen op “going concern” waarde. Volgens [appellant1] is niet te volgen dat hij wel kan worden aangesproken op basis van de waarde “going concern”, en een derde die de onderneming zou hebben voortgezet niet. Deze vraag spitst zich toe op de vraag of in de situatie van [appellant1] ook rekening moet worden gehouden met stille reserves op de wijze als bepaald in artikel 12 lid 3 van de maatschapsovereenkomst: geldt ook in zijn geval de “goodwillformule”?

6.12

Die vraag beantwoordt het hof bevestigend.

Hiervoor is al overwogen dat [appellant1] de onderneming van de ontbonden maatschap heeft voortgezet als bedoeld in artikel 12 van de maatschapsovereenkomst. Omdat het voortgezet gebruik door (in elk geval) [appellant1] valt binnen de reikwijdte van genoemd artikel 12, volgt hieruit logischerwijze dat hij dus ook gebonden is aan de wijze waarop in dat artikel bij voortgezet gebruik tussen partijen moet worden afgerekend. Voor zover deze vaststelling van de rechtsgevolgen van de maatschapsovereenkomst al niet zou volgen uit een redelijke uitleg daarvan, brengt de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) met zich dat de rechtsgevolgen van de maatschapsovereenkomst op deze wijze moeten worden vastgesteld.

tussenconclusie

6.13

Het hof is dus van oordeel dat [appellant1] de onderneming van de maatschap heeft voorgezet en dat het vermogen van de ontbonden maatschap op dezelfde wijze moet worden gewaardeerd als wanneer de onderneming zou zijn voortgezet door een vennoot op de voet van artikel 14, dus met toepassing van de goodwillformule van artikel 12 lid 3 van de maatschapsovereenkomst. De grieven I en II falen daarmee.

de overige grieven

6.14

De grieven III, IV en V zijn gericht tegen de inhoud van de door de rechtbank aan de deskundige gegeven opdracht, de grieven VI en VII tegen het door de rechtbank vastgestelde bedrag dat [appellant1] aan [geïntimeerde] verschuldigd is na de beëindiging van de maatschap en grief VIII tegen de afwijzing van zijn reconventionele vordering.

6.15

Uit de door [appellant1] gegeven toelichtingen op deze grieven volgt dat zij geen zelfstandige betekenis hebben, maar allemaal voortvloeien uit de grieven I en II. Zij hebben namelijk allemaal als basis dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant1] de onderneming van de maatschap heeft voortgezet en dat het vermogen van de ontbonden maatschap moet worden gewaardeerd op “going concern” basis, met inachtneming van stille reserves en goodwill overeenkomstig de maatschapsovereenkomst.
Zij berusten daarnaast niet op nog andere gronden. Zo heeft [appellant1] op zichzelf niet de juistheid betwist van de berekening door de deskundige van de aanspraak van [geïntimeerde] , uitgaande van de aan hem verstrekte opdracht. In het falen van de grieven I en II ligt dan besloten dat ook de grieven III tot en met VIII falen. Deze behoeven daarom geen nadere bespreking.

slotsom

6.16

De grieven falen en de bestreden vonnissen zoals die ten aanzien van [appellant1] zijn gewezen, zullen worden bekrachtigd.

6.17

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant1] worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden bepaald op € 1.649,- voor griffierecht en € 6.322,- (2 punten x tarief V) voor salaris advocaat.

6.18

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

in zaak 2
6.19 [appellant2] is in hoger beroep gekomen, onder aanvoering van vier grieven ( genummerd 1 tot en met 4).

6.20

In de grieven 1 tot met 3 en de daarop gegeven toelichtingen komt [appellant2] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen van [geïntimeerde] ook jegens hem (hoofdelijk) kunnen worden toegewezen, omdat daartegen geen verweer is gevoerd en de verplichting tot het verdelen van het vermogen van de maatschap na beëindiging daarvan op elk der vennoten rust. Volgens [appellant2] heeft hij de onderneming van de ontbonden maatschap na

31 december 2014 niet mede voortgezet. Dat heeft alleen [appellant1] gedaan, zoals de rechtbank ook zelf heeft onderkend in haar vonnis van 11 mei 2016, in de rechtsoverwegingen 4.10 en 4.11. In de situatie dat alleen [appellant1] de onderneming heeft voortgezet, rustte op hem ( [appellant2] ) niet een (contractuele) verplichting om enig bedrag aan [geïntimeerde] te voldoen. Hij is daarom ten onrechte veroordeeld. Dat geldt zowel voor de hoofdsom als de nevenvorderingen. In ieder geval had de rechtbank niet tot haar oordeel kunnen komen zonder eerst aan [geïntimeerde] opgedragen te hebben te bewijzen dat [appellant2] de onderneming samen met [appellant1] heeft voortgezet, aldus [appellant2] .

6.21

Het hof stelt voorop dat [appellant2] geen grieven heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de onderneming van de maatschap na 31 december 2015 is voortgezet.

Ook heeft [appellant2] geen grieven gericht tegen het oordeel dat het vermogen van de ontbonden maatschap kan worden vastgesteld op het door de gerechtelijke deskundige berekende bedrag. Uit wat hiervoor in zaak 1 is overwogen en beslist, volgt dat [appellant2] terecht geen grieven tegen die oordelen heeft gericht.

6.22

[geïntimeerde] heeft geen verweer gevoerd tegen de stelling van [appellant2] dat als de onderneming van de ontbonden maatschap alleen is voortgezet door [appellant1] , op [appellant2] geen (contractuele) verplichting rust om enig bedrag aan [geïntimeerde] te betalen.
Wel heeft [geïntimeerde] volhard in haar stelling dat de onderneming ook door [appellant2] is voortgezet en heeft zij die stelling in hoger beroep nader toegelicht.

6.23

In deze zaak gaat het dan alleen om de vraag of [appellant1] de onderneming ook samen met [appellant2] heeft voortgezet. Daarbij rust op [geïntimeerde] de stelplicht en bewijslast van haar stelling dat dit het geval is.

6.24

Vast staat dat [appellant2] betrokken is geweest bij die voortzetting. [appellant2] voert echter aan dat hij dat vanaf 1 januari 2015 alleen heeft gedaan in dienstverband. Volgens [appellant2] is hij op die datum bij “ [appellant1] Adviesbureau” in dienst getreden op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst die later, op 15 oktober 2015, schriftelijk is vastgelegd.

6.25

[geïntimeerde] heeft betwist dat [appellant2] zijn werkzaamheden voor de onderneming vanaf

1 januari 2015 heeft voortgezet op basis van een arbeidsovereenkomst. Als al een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen tussen [appellant2] en [appellant1] , dan is dat pas later, in oktober 2015 gebeurd. Volgens [geïntimeerde] hebben [appellant2] en [appellant1] hun werkzaamheden voor de onderneming aanvankelijk voortgezet als waren zij nog maten. [geïntimeerde] heeft daarbij gewezen op de volgende feiten en omstandigheden waaruit dat volgens haar kan worden afgeleid:
- de verstrekte jaaropgave (gevoegd als bijlage bij productie 1 bij de memorie van grieven) heeft kennelijk alleen betrekking op loon over de periode vanaf oktober 2015;
- na september 2015 is het loonbelastingnummer op de overgelegde salarisspecificaties gewijzigd, terwijl het tot en met september 2015 daarop vermelde nummer hetzelfde nummer was als tijdens de maatschap;

- op de profielpagina van [appellant2] op LinkedIn wordt in 2015 nog steeds vermeld dat hij zelfstandig ondernemer is. Ook is in 2014 nog zijn lidmaatschap voor 2015 van de CCZF (de Commerciële Club Zuid Friesland) voldaan, waarvan het lidmaatschap alleen open staat voor zelfstandigen;
- de positie van [appellant2] binnen de onderneming is intern noch extern gewijzigd.
[geïntimeerde] heeft [appellant2] daarbij uitgenodigd om bescheiden over te leggen waaruit kan blijken dat hij vanaf januari 2015 geen zelfstandig ondernemer meer was, zoals belastingbescheiden.

6.26

Het hof is van oordeel dat de door [geïntimeerde] opgesomde feiten en omstandigheden, bezien in hun samenhang, voldoende onderbouwing opleveren van haar stelling dat [appellant2] de onderneming aanvankelijk samen met [appellant1] heeft voortgezet (en dat de arbeidsovereenkomst pas later tot stand is gekomen). Van [appellant2] had derhalve verwacht mogen worden dat hij daarop ingegaan zou zijn. [appellant2] heeft dat echter niet gedaan. Ook is hij niet ingegaan op de uitnodiging nadere bescheiden over te leggen waaruit kan blijken dat hij vanaf januari 2015 geen zelfstandig ondernemer meer was. Tijdens de comparitie heeft [appellant2] aangevoerd dat hij een en ander niet hoefde te doen, omdat [geïntimeerde] geen grief heeft gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de onderneming alleen door [appellant1] is voortgezet. Hij miskent dan echter dat [geïntimeerde] daartegen ook geen grief hoefde te formuleren. Zij is door de rechtbank immers in het gelijk gesteld en had daarom geen belang bij het instellen van grieven tegen afzonderlijke overwegingen van de rechtbank. Bovendien gaat [appellant2] eraan voorbij dat de rechtbank in het tussenvonnis van 11 mei 2016 in rechtsoverweging 4.10 niet alleen heeft geconcludeerd dat [appellant1] de onderneming van de ontbonden maatschap heeft voortgezet, maar ook:

De onderneming die thans door [appellant1] wordt gedreven in de vorm van een BV heeft

dezelfde handelsnaam als die door de ontbonden maatschap werd gehanteerd, de

onderneming wordt gedreven vanuit dezelfde locatie en de drijvende kracht achter de

onderneming is (deels) dezelfde, namelijk [appellant1] die daarbij wordt bijgestaan door

een van de andere voormalige vennoten, tevens drijvende kracht, [appellant2] .

Uit de rechtsoverweging waar [appellant2] zich op beroept, blijkt dus niet dat de rechtbank ervan uit is gegaan dat de onderneming alleen door [appellant1] is voortgezet; ook [appellant2] wordt door de rechtbank beschouwd als een “drijvende kracht” achter die voortzetting.

6.27

[geïntimeerde] heeft zich tijdens de comparitie verder nog beroepen op de hiervoor in zaak 1 al besproken “koopovereenkomst” (zie rov 3.17). Die overeenkomst heeft zij als productie gehecht aan haar spreekaantekeningen in zaak 2. Zij heeft erop gewezen dat die overeenkomst weliswaar niet rechtsgeldig is, maar dat daaruit wel blijkt dat [appellant1] en [appellant2] aanvankelijk samen met de onderneming van de maatschap verder zijn gegaan.
Tijdens de comparitie heeft [appellant2] niet duidelijk kunnen maken hoe die overeenkomst begrepen moet worden in het licht van zijn stelling dat hij vanaf januari 2015 alleen nog maar in dienstverband werkzaamheden heeft verricht voor de onderneming. Dat biedt verdere ondersteuning aan de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant2] aanvankelijk samen met [appellant1] de onderneming van de maatschap heeft voortgezet.

6.28

In dit verband verdient ook grief 4 hier bespreking. In die grief komt [appellant2] er tegen op dat de rechtbank in het tussenvonnis van 11 mei 2016 onder rov. 2.18 als feit heeft opgenomen dat [appellant2] zijn werkzaamheden aanvankelijk verrichtte op basis van een overeenkomst van opdracht. Volgens [appellant2] is het wel juist dat dit aanvankelijk was aangevoerd, maar berustte dit op een misverstand. Hij heeft vanaf 1 januari 2015 namelijk altijd gewerkt op basis van een arbeidsovereenkomst. [appellant2] heeft echter geen verklaring gegeven voor het misverstand. Dat is opmerkelijk, omdat zonder een nadere toelichting niet goed valt in te zien hoe een dergelijk misverstand kon ontstaan als de werkelijke situatie zou zijn geweest dat hij vanaf 1 januari 2015 bij “ [appellant1] Adviesbureau” in dienst is getreden. [appellant2] heeft daarmee, in plaats van “klare wijn” over de gang van zaken te schenken, vooral onduidelijkheid geschapen over zijn rol bij de voortzetting van de onderneming. De grief vormt daarmee indirect een nadere onderbouwing van de aanname dat [appellant2] aanvankelijk samen met [appellant1] de onderneming van de ontbonden maatschap heeft voortgezet.

6.29

Daar komt bij dat [appellant2] tijdens de comparitie heeft verklaard dat na 1 januari 2015 niets wijzigde: de onderlinge verhoudingen tussen hem en [appellant1] bleven in essentie wat ze al waren, en ook de beloning voor zijn werkzaamheden werd in de eerste maanden net als voorheen onttrokken aan de kas van de onderneming. Daarmee bevestigt [appellant2] in feite de stelling van [geïntimeerde] .

6.30

Het hof is op grond van een en ander, bezien in zijn samenhang, van oordeel dat [appellant2] de gemotiveerde en onderbouwde stelling van [geïntimeerde] dat hij aanvankelijk samen met [appellant1] de onderneming heeft voortgezet, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en in feite zelfs heeft bevestigd. Daarmee moet het er dus voor worden gehouden dat [appellant2] aanvankelijk samen met [appellant1] de onderneming van de ontbonden maatschap heeft voortgezet en wordt aan nadere (tegen)bewijslevering niet toegekomen.

6.31

[appellant2] heeft niet betwist dat in de situatie dat hij aanvankelijk samen met [appellant1] de onderneming heeft voorgezet, hij met [appellant1] (hoofdelijk) gehouden is tot betaling aan [geïntimeerde] van de vergoeding waar zij aanspraak op heeft vanwege de beëindiging van de maatschap. De grieven 1 tot en met 3 falen derhalve.

6.32

Voor de hiervoor al besproken grief 4 geldt dat die op zichzelf wel terecht is voorgesteld, maar dat die niet tot een andere beslissing leidt. In zoverre heeft [appellant2] bij die grief geen belang en faalt die daarom.
slotsom

6.33

De grieven falen en de bestreden vonnissen zoals die ten aanzien van [appellant2] zijn gewezen zullen worden bekrachtigd.

6.34

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant2] worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden bepaald op € 1.649,- voor griffierecht en € 6.322,- voor salaris advocaat (2 punten x tarief V).

6.35

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in zaak 1 (zaaknummer 200.239.301)

bekrachtigt de ten aanzien van [appellant1] gewezen vonnissen van de rechtbank
Noord-Nederland van 11 mei 2016, 31 augustus 2016, 28 september 2016 en

14 februari 2018;

veroordeelt [appellant1] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.649,- voor verschotten en op € 6.322,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief; te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant1] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in zaak 2 (zaaknummer 200.239.031)

bekrachtigt de ten aanzien van [appellant2] gewezen vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland van 11 mei 2016, 31 augustus 2016, 28 september 2016 en 14 februari 2018;

veroordeelt [appellant2] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.649,- voor verschotten en op € 6.322,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief; te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant2] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden; een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, M.W. Zandbergen en P.S. Bakker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

7 april 2020.