Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2814

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
200.236.006/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gaat om de vraag of de vordering van de erfgenamen tot verdeling van de maatschappen waarin hun ouders participeerden al dan niet zijn verjaard. De wettelijke regeling neergelegd in artikel 7A:1688 lid 2 BW is van regelend recht, dus gaat de in de maatschapsovereenkomst opgenomen regeling in dit geval voor. Overigens geldt voor beide regelingen de verjaringstermijn van vijf jaren als bedoeld in artikel 3:307 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2020/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.236.006/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 172769)

arrest van 7 april 2020

in de zaak van

1 [appellante1] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante1] ,

2. [appellant2] ,

wonende te [B] ,

hierna: [appellant2] ,

3. [appellante3] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante3] ,

4. [appellante4] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante4] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. E.A. de Waart, kantoorhoudend te Almere,

tegen

1 Vastgoedmaatschap MPC Holland 25,

2. Vastgoedmaatschap MPC Holland 27,

3. Vastgoedmaatschap MPC Holland 41,

4. Vastgoedmaatschap MPC Holland 45,

alle gevestigd te Groningen,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: MPC c.s.,

advocaat: mr. P.L. van Delden, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 juli 2019 hier over.

1.2

Op grond van dit tussenarrest heeft op 8 november 2019 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Vervolgens zijn de stukken opnieuw overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of de vorderingen van [appellanten] c.s. tot vergoeding door MPC c.s. van de waarde van de participaties in MPC c.s. zijn verjaard.

2.2

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de vorderingen zijn verjaard.

3 De feiten.

3.1

[C] (hierna: moeder [C] ) is gehuwd geweest met [D] (hierna: vader [D] ). Het huwelijk is door het overlijden van vader [D] ontbonden. Moeder [C] is overleden [in] 2010. Eisers zijn de kinderen en erfgenamen van vader en moeder [C] .

3.2

Eisers 2, 3 en 4 hebben in de verklaring van erfrecht van 13 april 2010 aan eiser 1, [appellante1] , in verband met het bepaalde in artikel 4:188 lid 1 sub d en e BW een volmacht gegeven om hen te vertegenwoordigen ter zake het beheer en de vereffening van de nalatenschap. De verklaring van erfrecht luidt, voor zover van belang:

" Zuivere aanvaarding

De erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard (..)

Volmacht tot beheer en vereffening

De onder 1. 3 en 4 genoemde erfgenamen hebben volmacht gegeven aan de onder 2 genoemde erfgename, speciaal om hen te vertegenwoordigen ter zake van het beheer en de vereffening van de nalatenschap van de overledene.

De bevoegdheid tot vertegenwoordiging betreft onder meer het aannemen van aan de nalatenschap of een of meer van de erfgenamen verschuldigde prestaties, waaronder het innen van uitkeringen van levensverzekering en of pensioen en het verrichten van alle daarmede samenhangende handelingen, het betalen van de schulden van de nalatenschap, waaronder de kosten van de uitvaart, het openen van safes, het opheffen en het overboeken van gelden van bank - en of girorekeningen, het doen van de vereiste belastingaangiften en het betalen van de verschuldigde belastingen.

De gevolmachtigde heeft tevens de bevoegdheid om roerende en onroerende zaken te verkopen en te leveren onder de voorwaarden en legen de prijzen welke de gevolmachtigde raadzaam zal achten, de volmachtgever te vertegenwoordigen bij de verdeling van de nalatenschap en voorts datgene te doen wat ter zake van een juiste afwikkeling van de nalatenschap door de gevolmachtigde raadzaam wordt geacht, alles met de macht van substitutie.

Van de volmachten blijkt uit drie onderhandse verklaringen die aan deze akte zullen worden

gehecht."

3.3

Vader [D] was vennoot in verschillende vastgoedmaatschappen waaronder MPC c.s. Hij hield 2 participaties in MPC Holland 25, 1 participatie in MPC Holland 27, 3 participaties in MPC Holland 41 en 2 participaties in MPC Holland 45. Het doel van voornoemde vastgoedmaatschappen is het beleggen van het vermogen van de maatschap in onroerende zaken. De maatschappen zijn aangegaan bij notariële akte van 19 januari 2001, respectievelijk 1 oktober 2002, 14 maart 2003 en 4 november 2003 (hierna: de maatschapsovereenkomsten). Na het overlijden van haar echtgenoot is moeder [C] aangemerkt als participant in de vastgoedmaatschappen.

3.4

Beheerder van gedaagden was MPC Munchmeyer Petersen Capital B V. Deze

vennootschap is gefuseerd met MPC Munchmeyer Capital Petersen N V. Voornoemde

namen zijn inmiddels vervallen handelsnamen van Hanzevast Capital N.V. (hierna Hanzevast). Laatstgenoemde staat ingeschreven op hetzelfde adres als gedaagden en

Hanzevast Real Estate B.V., te weten Verlengde Hereweg 174, 9722 AM te Groningen.

Rechtsvoorganger van Hanzevast is Noord Nederlandse Trustmaatschappij.

3.5

In alle maatschapsovereenkomsten zijn onder meer de volgende bepalingen

opgenomen:

"Aanvang en duur

Artikel 2

(…)

2. Door uittreding van een vennoot eindigt de Maatschap slechts ten opzichte van die vennoot en duurt zij voort tussen de overige vennoten.

Uittreding wordt hierbij opgevat in de zin van artikel 5.

(…)

Uittreding van vennoten

Artikel 5

l. Een vennoot houdt uitsluitend op vennoot te zijn:

(…)

3. Een vennoot houdt tevens op vennoot te zijn ingeval van zijn overlijden, tenzij:

a. zijn maatschapsaandeel in zijn geheel binnen een termijn van zes maanden na het overlijden van de vennoot is toebedeeld aan één persoon, mits deze persoon erfgenaam van de overleden vennoot is. Bestaat het maatschapsaandeel uit meer dan één participatie, dan worden onder de persoon ook meerdere personen begrepen, indien aan ieder van die personen ten minste één participatie is toebedeeld.

Met de in de vorige zin bedoelde toebedeling wordt gelijk gesteld de afgifte ingevolge legaat als hierna omschreven onder b. tweede zin.

het maatschapsaandeel in zijn geheel binnen een termijn van zes maanden na het overlijden van de vennoot is afgegeven aan de persoon, aan wie het maatschapsaandeel is gelegateerd. Bestaat het maatschapsaandeel uit meer dan één participatie, dan worden onder de persoon ook meerdere personen begrepen, indien aan ieder van die personen tenminste één participatie is gelegateerd en afgegeven.

binnen zes maanden na het overlijden aan het bestuur van de Maatschap een volmacht wordt overhandigd waarin een persoon, zijnde een vennoot of rechthebbende, door de gezamenlijke rechthebbenden onherroepelijk wordt gevolmachtigd de rechten van de overleden vennoot uit te oefenen.

Het vorenstaande houdt op te gelden, als gevolg waarvan de vennoot alsnog ophoudt vennoot te zijn, op het tijdstip dat een maatschapsaandeel wordt toebedeeld, tenzij dit (afgezien van de daarin genoemde termijn) in overeenstemming met het hiervoor sub a. bepaalde geschiedt.

In zulke gevallen zal de Maatschap geacht worden te zijn voortgezet met die erfgenaam (als bedoeld in sub a), met die legataris (als bedoeld in sub b) of met de gezamenlijk rechthebbenden (als bedoeld in sub c).

De rechten van de overleden vennoot worden opgeschort totdat het maatschapsaandeel is toebedeeld (als bedoeld in sub a) of is afgegeven (als bedoeld in sub b) of de volmacht is overhandigd (als bedoeld in sub c).

4. De vennootschap duurt, na het uittreden van een vennoot op grond van het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 tussen de overblijvende vennoten voort.

Bij uittreden van een vennoot op grond van het bepaalde in lid 1 sub a en/of b, lid 2 of lid 3 zijn de overblijvende vennoten verplicht om aan de uitgetreden vennoot of diens rechtverkrijgenden, hierna te noemen: 'de gerechtigde' uit te keren een bedrag in contanten, gelijk aan de marktwaarde van de betrokken participaties) verminderd met vijftien procent (15%).

De (markt)waarde van de participaties) zal tussen partijen bindend worden vastgesteld op de wijze als in artikel 679 van het Burgerlijke Rechtsvordering voor een verdeling is vastgesteld, tenzij partijen deze waarde(n) in onderling overleg mogen en willen vaststellen. De kosten van levering zijn voor rekening van de gerechtigde(n) De uitkering zal worden gefinancierd door de overige vennoten door middel van een mindering van het aan hen uit te keren bedrag in het desbetreffende jaar of door de storting door de toetredende vennoot.

5. Het voormelde uit te keren bedrag zal worden uitbetaald binnen zes maanden na het uittreden.

Geschiedt de uitkering op een later tijdstip dan bedoelde zes-maandstermijn dan zal over dit bedrag over de periode vanaf zes maanden na het uittreden tot op de dag van uitbetaling, een rente worden vergoed gelijk aan het over die periode geldende voorschotrente als gehanteerd door de Nederlandsche Bank N. V.

(…)"

3.6

LTO Noord heeft bij brief van 21 april 2010, onder toezending van een afschrift van het uittreksel uit de akte van overlijden van moeder [C] en een afschrift van de verklaring van erfrecht, de Noord Nederlandse Trustmaatschappij gevraagd de beleggingen die zijn geadministreerd op naam van moeder [C] op naam te stellen van de erven [appellanten] , in dezen vertegenwoordigd door [appellante1] .

3.7

Bij brief van 3 mei 2010 heeft de Noord Nederlandse Trustmaatschappij aan [appellanten] c.s. geschreven:

”Erven [appellanten]

T.a.v. mevrouw [appellante1]

[a-straat 1]

[A]

Naar aanleiding van de ontvangst van de verklaring van erfrecht alsmede kopie uittreksel

overlijdensakte bevestigen wij hierbij dat wij de tenaamstelling van onderhavige participatie conform de aanhef van dit schrijven hebben gewijzigd. (..) Eventuele uitkeringen zullen worden gedaan op het bij ons bekende (bank)rekeningnummer (. .)"

3.8

Na het overlijden van moeder [C] hebben MPC c.s. correspondentie aangaande de participaties gericht aan [appellante1] als gevolmachtigde van de overige erfgenamen. Op 16 april 2010, 22 juli 2010, 15 oktober 2010, 20 januari 2016, 4 april 2016, 6 juli 2016 en 30 september 2016 zijn op de participaties rendementsuitkeringen gedaan. Ook is aan [appellanten] c.s. verzocht om een geldlening ter beschikking te stellen. Bij brief van 23 oktober 2013 heeft [appellante1] namens de erfgenamen naar aanleiding van een dergelijk verzoek aan Hanzevast onder meer geschreven:

"Naar aanleiding van uw brief (…) van 18 oktober 2013 waarin u mij vraagt het toegezegd bedrag voor de capital call Vastgoedmaatschap MPC Holland 41 over te maken bericht ik u het volgende. In eerdere brieven waarin u om deelname aan deze capital call vroeg heb ik diverse malen telefonisch aangegeven dat ik hieraan (namens de erven) niet mee doe. (...) Met deze brief wil ik nogmaals aangeven dat wij, erven [C] , zoals eerder aangegeven niet aan de capital call meedoen."

3.9

Op of rond 20 mei 2014 hebben [appellanten] c.s. een geldlening van € 3.000,- ter

beschikking gesteld aan MPC Holland 45.

3.10

Bij brief van 25 juli 2014 heeft de notaris, optredend namens [appellanten] c.s., aan MPC c.s. het volgende geschreven:

"Namens de erfgenamen van de heer [D] en mevrouw [C] , waarvan de gegevens op bijgaande kopie van de verklaring van erfrecht staan vermeld, bericht ik u als volgt.

Door vererving zijn de kinderen van genoemde heer en mevrouw [C] gerechtigd in het kapitaal van diverse vastgoed CV ’s, te weten (...)

In de administratie ontbreekt op dit moment de wijze van verkrijging van de participaties en daardoor ook de specifieke voorwaarden waaronder de participaties zijn verkregen. Uit een kopie van de overdracht van de participaties van MPC Holland 27 maak ik het volgende op:

1. artikel 5 lid 3 geeft aan dat bij overlijden van de vennoot hij op zal houden vennoot te zijn, in dat geval dient zijn aandeel door de overige vennoten vergoed te worden conform artikel 3 lid 4, tenzij het hierna onder 2 gestelde zal gelden.

2. In artikel 5 lid 3 onder a, b en c staat vermeld dat na het overlijden de erfgenamen toch gerechtigd blijven tot de participatie indien verdeling binnen zes maanden heeft

plaatsgevonden dan wel de participatie middels legaat is afgegeven dan wel een

gevolmachtigde namens alle erfgenamen mag optreden.

Geen van het gestelde onder 2 heeft zich voorgedaan en derhalve dient het gestelde in artikel 3 lid 4 te worden gevolgd; uitkoop door de andere vennoten van de uittredende vennoot.

Namens de erfgenamen verzoek ik u met een voorstel te komen tot inkoop van alle hierboven

genoemde participaties."

3.11

Op deze brief hebben MPC c.s. niet gereageerd, ook na een herinnering daartoe bij brief van 13 november 2014. In deze brief heeft de notaris geschreven:

"Op 25 juli 2014 is u een brief toegezonden, waarvan ik u een kopie doe toekomen. Ik heb tot nu toe geen enkele reactie op onze brief mogen ontvangen. Graag verneem ik alsnog van u."

3.12

Bij brief van 25 april 2015 heeft [appellante1] aan Hanzevast het volgende geschreven:

"Sinds het overlijden van mijn moeder in 2010 treed ik namens de erfgenamen op als

gemachtigde voor de participaties van mijn ouders in een aantal fondsen van MPC

Holland.

Het betreft de volgende fondsen:

(…)

Graag verneem ik van u welke toekomstige verplichtingen en risico's nog uit deze

participaties kunnen voortkomen. De informatie die ik hierover aantref in de beveiligde web-omgeving is niet concreet genoeg, vandaar dat ik u verzoek om onderstaande vragen schriftelijk aan mij te beantwoorden:

1. Is het risico van onze deelneming in Vastgoed Fusiefonds C.V. beperkt tot het verlies van de initiële inleg en zijn er geen verdere verplichtingen tot bijstorting of verhaalmogelijkheden meer?

2. Wanneer is naar verwachting de omzetting van onze participatie in MFC Holland 41 naar een CV afgerond? Is dan ook ons risico beperkt tot het verlies van de initiële inleg en zijn er dan geen verdere verplichtingen lot bijstorting of verhaalmogelijkheden meer? Speelt het feit dat wij niet hebben bijgestort bij de herfinanciering hier nog een rol?

3. Wanneer is naar verwachting de omzetting van onze participatie in MFC Holland 43 naar een CV afgerond? Is dan ook ons risico beperkt tot het verlies van de initiële inleg en zijn er geen verdere verplichtingen tot bijstorting of verhaalmogelijkheden meer? Speelt het feit dat wij in 2014 in het kader van de herfinanciering Euro 3000,-- hebben bijgestort hier nog een rol?

(…)"

3.13

De advocaat van [appellanten] c.s. heeft, omdat een reactie op de brief van de notaris aan MPC c.s. van 25 juli 2014 uitbleef, aan MPC c.s. ieder afzonderlijk bij brief van

24 maart 2016 gevraagd aan [appellanten] c.s. binnen twee weken een opgave te doen van de waardes van de participaties per 18 maart 2010 om het aan [appellanten] c.s. toekomende vorderingsrecht te kunnen bepalen. Daarnaast is gevraagd over te gaan tot het vergoeden van de waarde van de participaties tegen 18 maart 2010 en tot het terugbetalen van de storting op het Vastgoedfonds MPC Holland 45 van € 3.000,-, vermeerderd met rente en kosten.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellanten] c.s. hebben met een beroep op artikel 7A:1688 lid 2 BW gevorderd MPC c.s. ieder afzonderlijk te veroordelen tot vergoeding van de waarde van de participaties in de betrokken maatschap, verminderd met de rendementsuitkeringen die zij hebben ontvangen en vermeerderd met de wettelijke rente over het verschil tussen de waarde van de participaties en de ontvangen uitkeringen.

4.2

De rechtbank heeft het verweer van MPC c.s. dat de vorderingen van [appellanten] c.s. zijn verjaard gehonoreerd en de vorderingen afgewezen.

5 Het geschil in hoger beroep

5.1

[appellanten] c.s. hebben in de grieven 1 tot en met 4 samengevat aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte hun vorderingen heeft gekwalificeerd als vorderingen tot nakoming van verbintenissen uit de maatschapsovereenkomsten. Zij hebben zich niet beroepen op artikel 5 lid 4 van de maatschapsovereenkomst, maar op artikel 7A:1688 lid 2 BW. Zij zijn nooit toegetreden tot de maatschap en oefenen geen rechten uit als deelgenoten in de maatschap, maar verlangen uitkering van de waarde van de participaties die hun ouders hadden in MPC c.s. Daarom geldt volgens hen in dit geval de algemene verjaringstermijn van artikel 3:306 BW van twintig jaren en niet de kortere termijn van vijf jaren als bedoeld in artikel 3:307 BW.

5.2

Het hof stelt vast dat een maatschap is gebaseerd op een maatschapsovereenkomst, waarin de rechten en verplichtingen van de vennoten en, voor zover van belang, hun erfgenamen zijn opgenomen. Voor het geval de vennoten daarover in de maatschapsovereenkomst niets hebben geregeld geven de artikelen 7A:1683 BW en volgende regels voor de beëindiging daarvan. Zo wordt op grond van artikel 7A:1683 BW een maatschap onder meer ontbonden door de dood van één van de vennoten. In artikel 7A:1688 lid 2 BW is bepaald dat in het geval is bedongen dat bij overlijden van één van de vennoten de maatschap tussen de overblijvende vennoten wordt voortgezet, de erfgenaam van de overleden vennoot recht heeft op verdeling van de maatschap. Deze bepalingen zijn van regelend recht.

5.3

In artikel 5 leden 3 en 4 van de maatschapsovereenkomsten van MPC c.s. is een van artikel 7A:1688 lid 2 BW afwijkende regeling opgenomen. Voor de beoordeling van dit geschil is daarom de regeling neergelegd in artikel 5 leden 3 en 4 van de maatschapsovereenkomsten leidend. Het is niet ter keuze van [appellanten] c.s. om zich op de wettelijke regeling, dan wel de regeling in de maatschapsovereenkomsten te beroepen. De rechtbank is anders dan [appellanten] c.s. hebben gesteld, niet buiten het bepaalde in artikel 24 Rv getreden en van ambtshalve toepassing van verjaring is evenmin sprake.

5.4

Maar zelfs al zouden [appellanten] c.s. die keuze wel hebben gehad dan zou een keuze voor artikel 7A:1688 lid 2 BW hen niet hebben geholpen. Artikel 7A:1688 lid 2 BW kan niet los van een maatschapsovereenkomst worden gezien. Zonder het bestaan van een maatschapsovereenkomst heeft deze bepaling geen enkele betekenis. Met hun beroep op artikel 7A:1688 lid 2 BW vorderen [appellanten] c.s. niets anders dan nakoming door de andere vennoten van de verschillende maatschappen van hun verplichting tot verdeling. Deze bepaling strekt daarom tot uitvoering van een verplichting gebaseerd op een maatschapsovereenkomst. Om die reden is ook op vorderingen gebaseerd op artikel 7A:1688 lid 2 BW de verjaringstermijn van artikel 3:307 BW van toepassing.

5.5

De verjaringstermijn vangt aan op de dag van overlijden van moeder [appellanten] , te weten 18 maart 2010, omdat op grond van artikel 5 lid 4 van de maatschapsovereenkomsten vanaf dat tijdstip de vordering tot uitkering van de waarde van de participaties opeisbaar is.

Daarbij is, anders dan [appellanten] c.s. hebben gesteld, ingevolge art 3:307 BW voor de aanvang van de verjaringstermijn van belang of de vorderingen opeisbaar waren en niet of ze ook werkelijk zijn opgeëist door bijvoorbeeld het versturen van aanmaningen.

5.6

Aangezien sinds 18 maart 2010 meer dan 5 jaren waren verstreken voordat de advocaat van [appellanten] c.s. op 24 maart 2016 van MPC c.s. betaling heeft gevorderd van de waarde van de participaties, moet worden geoordeeld dat de vordering op dat moment was verjaard, tenzij de brief van de notaris van 25 juli 2014 moet worden aangemerkt als een stuitingshandeling.

5.7

De vraag of de brief van de notaris van 25 juli 2014 de verjaring van de vordering van [appellanten] c.s. heeft gestuit moet echter ontkennend worden beantwoord.

Daargelaten of [appellanten] c.s. hun moeder nu wel of niet formeel als vennoot in de maatschappen hebben opgevolgd, moet op grond van de feiten worden vastgesteld dat zij zich wel als vennoot hebben gedragen. Allereerst hebben zij niet gereageerd op de brief van de Noord Nederlandse Trustmaatschappij van 3 mei 2010 waarin hun naar aanleiding van de brief van LTO Noord van 21 april 2010 is medegedeeld dat de participaties op hun naam zijn geadministreerd. Verder hebben ze rendementsuitkeringen op de participaties in ontvangst genomen, deelgenomen aan een aantal jaarvergaderingen van MPC c.s. en gereageerd op een tweetal capital calls en naar aanleiding daarvan ook één keer kapitaal bijgestort. Tegen die achtergrond kan de brief van de notaris 25 juli 2014 waarin MPC c.s. wordt gevraagd om met een voorstel tot inkoop van alle participaties te komen niet als een stuitingshandeling worden beschouwd, ook al omdat een duidelijke sommatie en een termijn voor nakoming ontbreken (vgl. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741 en HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1489). Dat wordt niet anders door het sturen van een korte herinneringsbrief door de notaris op 13 november 2014, noch door de brief van [appellante1] van 25 april 2015.

5.8

Grief 5 betreffende de terugbetaling van de capital call hoeft niet te worden besproken, omdat het bedrag van € 3.000,- is terugbetaald en [appellanten] c.s. zelf hebben aangegeven geen belang te hebben bij deze grief.

5.9

Grief 6 heeft betrekking heeft op de buitengerechtelijke incassokosten en hoeft ook niet te worden besproken, omdat de vorderingen van [appellanten] c.s. niet voor toewijzing in aanmerking komen.

5.10

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

5.11

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] c.s. in de kosten van de procedure in het hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen aan de zijde van MPC c.s. worden vastgesteld op € 5.270,- aan verschotten (griffierecht) en € 7.838,-

(2 punten, tarief VI, € 3.919,- per punt).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 13 december 2017;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van MPC c.s. vastgesteld op € 7.838,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 5.270,- voor verschotten;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. B.J.H. Hofstee, mr. C. Koopman en mr. M. Weissink en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

7 april 2020.