Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2810

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
200.261.609
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinder- en partneralimentatie en verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Verdiencapaciteit en medische problematiek. Ingangsdatum. Geen samenwonen als bedoeld in 1:160 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.261.607 en 200.261.609

(zaaknummers rechtbank Gelderland 339273 en 345423)

beschikking van 7 april 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.M. Spronk te Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.W.C. Giebels te Nijmegen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 21 januari 2019 en van 27 maart 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1 tot en met 24, ingekomen op 26 juni 2019;

- het verweerschrift met producties 1 tot en met 8;

- een journaalbericht van mr. Spronk van 16 januari 2020 met producties 25 tot en met 38;

- een journaalbericht van mr. Giebels van 20 januari 2020 met producties 9 tot en met 14;

- een journaalbericht van mr. Giebels van 23 januari 2020 met productie 15;

- een journaalbericht van mr. Spronk van 24 januari 2020 met productie 39;

- een journaalbericht van mr. Spronk van 28 januari 2020 met een alimentatieberekening.

2.2

De minderjarige [de minderjarige1] heeft bij brief van 30 september 2019 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek inzake de kinderalimentatie.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 30 januari 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.4

Na de mondelinge behandeling zijn, met toestemming van het hof, de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van mr. Spronk van 4 februari 2020 met een lijst met goederen;

- een journaalbericht van mr. Spronk van 6 februari 2020 met brief waarin afspraken tussen

partijen omtrent de verdeling;

- een journaalbericht van mr. Giebels van 18 februari 2020 met een reactie op de brief met

afspraken.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2005 gehuwd in gemeenschap van goederen.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 5 maart 2002, en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2003.

3.3

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 28 mei 2018 is voor de duur van het geding – voor zover in hoger beroep van belang – een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de kinderen vastgesteld, inhoudende dat de kinderen bij de man verblijven iedere zondagmiddag van 14.00 uur tot 18.00 uur, is bepaald dat de man met ingang van 1 februari 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 420,- per kind per maand aan de vrouw zal betalen en is bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van diezelfde datum € 258,- per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen.

3.3

De vrouw heeft op 22 juni 2018 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan.

3.4

Bij de beschikking van 21 januari 2019 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht te adviseren en te rapporteren omtrent de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling ten aanzien van de kinderen en is iedere verdere beslissing aangehouden. De echtscheidingsbeschikking is op 31 mei 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Den Haag.

3.5

Bij de beschikking van 27 maart 2019 (hierna ook: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank:

  • -

    bepaald dat de man met ingang van 22 juni 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw € 420,- per kind per maand zal betalen rond de achtste van iedere maand;

  • -

    bepaald dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud € 692,- per maand zal betalen vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven, telkens rond de achtste van iedere maand;

  • -

    bepaald dat de vrouw tegenover de man tot 1 augustus 2019 het recht heeft in de woning te [B] aan de [a-straat 1] te blijven wonen, op voorwaarde dat de vrouw op het ogenblik van inschrijving in deze woning woont;

- de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap gelast met inachtneming van hetgeen in rechtsoverwegingen 2.38 tot en met is 2.63 van die beschikking is vermeld;

- de voormelde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil:

  • -

    de hoogte van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: de kinderalimentatie);

  • -

    de hoogte van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna: de partneralimentatie);

  • -

    een aantal onderdelen betreffende de financiële afwikkeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, meer in het bijzonder inzake de hypotheekrente en/of andere eigenaarslasten, een repriserecht van de man betrekking hebbend op een door hem ontvangen erfenis, en een schuld aan de ouders van de man wegens geldlening (deze onderwerpen hierna gezamenlijk: de verdeling).

4.2

De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt hij het hof de bestreden beschikking op een aantal onderdelen te vernietigen en dienaangaande te beslissen als volgt (verkort weergegeven):

  1. de kinderalimentatie vast te stellen op een nader te berekenen bedrag;

  2. de partneralimenatie vast te stellen op nihil, subsidiair op een bedrag dat het hof juist acht;

  3. partijen te veroordelen aan de ouders van de man € 1.586,55 te betalen wegens door de ouders betaalde woz-aanslagen;

  4. e vrouw (subsidiair partijen) te veroordelen € 319,45 aan de ouders van de man te voldoen en overige door de ouders betaalde bedragen als omschreven onder punt 16 van zijn beroepschrift;

  5. de vrouw te veroordelen om maandelijks de helft van de verschuldigde hypotheekrente aan de ouders van de man te voldoen;

  6. de vrouw (subsidiair partijen) te veroordelen tot betaling aan de ouders van de man van € 225,79 wegens rekeningen waterschap Rivierenland;

  7. de vrouw (subsidiair partijen) te veroordelen tot betaling van € 2.817,18 aan de ouders van de man wegens door de ouders betaalde gemeentebelastingen;

  8. de vrouw (subsidiair partijen) te veroordelen tot betaling van € 3.381,80 aan de ouders van de man wegens door de ouders betaalde gemeentebelastingen;

  9. te bepalen dat de man een vordering op de gemeenschap heeft van € 87.000,- en een vordering op de vrouw van € 43.500,-;

  10. partijen te veroordelen tot terugbetaling aan de ouders van de man van een lening van € 3.000,-.

4.3

De vrouw voert op alle grieven verweer en zij verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans dit af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof zal de in het geschil zijnde punten per onderdeel, zoals hiervoor bij 4.1 vermeld, bespreken.

de kinderalimentatie

5.2

De eerste grief van de man komt erop neer dat de rechtbank een te hoog bedrag aan kinderalimentatie heeft vastgesteld. Weliswaar is de man eerder akkoord gegaan met een bedrag van € 420,- per kind per maand, maar toen ging de man uit van een andere situatie. Namelijk dat de vrouw als alleenstaande behoefte had aan een bijdrage, ongeacht of dit nu ten behoeve van de kinderen of haarzelf was. Nu de vrouw echter samenwoont is haar financiële en juridische situatie anders. Daarbij is de man van mening dat de vrouw meer kan verdienen/werken dan ze nu doet. Hij stelt dat de vrouw 32 uur per week zou moeten kunnen werken. Ten aanzien van de zorgkorting verzocht de man aanvankelijk een percentage van 15 te hanteren, maar in het licht van de door de rechtbank op 16 januari 2020 gewezen beschikking (door de man overgelegd als productie 15) heeft hij zich op de mondelinge behandeling neergelegd bij een zorgkortingspercentage van 5. Hij stelt dat er wel een nieuwe berekening moet worden gemaakt, waarbij de vrouw nadere inkomensgegevens dient over te leggen.

5.3

De vrouw betwist dat zij samenwoont. Ook betwist ze dat ze meer kan verdienen. Ze verdient nu zelfs minder, dus uitgaan van een NBI € 2.090,- per maand zoals de rechtbank heeft gedaan is volgens haar niet reëel.

5.4

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van de kinderen € 963,- per maand zijn, ofwel € 482,- per kind per maand. Het hof zal dat als uitgangspunt nemen. Het is in het kader van de berekening van kinderalimentatie niet van belang of de vrouw al dan niet samenwoont. Het antwoord op die vraag kan bij de vaststelling van de kinderalimentatie, waar enkel het netto besteedbaar inkomen van de man en de vrouw een rol speelt, buiten beschouwing blijven.

5.5

De rechtbank is bij de man uitgegaan van een inkomen van € 69.405,- per jaar – zijn bruto jaarinkomen in 2018 – hetgeen neerkomt op een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 3.701,- per maand. Aan de zijde van de vrouw is de rechtbank uitgegaan van een jaarinkomen van € 19.428,- wat zich vertaalt in een NBI van € 2.090,- per maand, waarbij ook rekening is gehouden met het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget (KGB).

Het hof zal wat betreft het inkomen van de man uitgaan van diens gemiddelde jaarinkomen over de jaren 2018 (€ 69.405,-) en 2019 (€ 78.956,-), omdat in diens inkomen een variabel deel is opgenomen, onder meer bestaande uit bonussen, eenmalige uitkeringen en een belaste kilometervergoeding. Aldus gaat het hof uit van een inkomen, gebaseerd op de overgelegde jaaropgaves, van (afgerond) € 74.108,-. Met toepassing van de tarieven 2019 komt dit neer op een NBI van € 3.867,- per maand.

5.6

De vrouw werkt als doktersassistente. In de afgelopen periode heeft zij bij verschillende huisartsenpraktijken gewerkt. Op de mondelinge behandeling heeft zij haar meest recente salarisspecificatie over de maand januari 2020 overgelegd. Bij die werkgever is zij sinds 2 januari 2020 in dienst. Uit deze specificatie blijkt van een 24-urige werkweek (99,68 uur in januari), tegen een salaris van € 1.783,01 per maand. Hoewel de vrouw weerspreekt dat zij 32 uur per week zou kunnen werken, zoals de man stelt, ziet het hof dat anders. De kinderen van partijen zijn inmiddels op een leeftijd dat zij voldoende zelfredzaam zijn, zodat de vrouw wat dat betreft meer zou kunnen werken, bijvoorbeeld de door de man gestelde 32 uur per week. Dat zij dat wegens haar gezondheid niet zou kunnen is door de vrouw onvoldoende onderbouwd. Om daarvan uit te gaan zou het hof meer inzicht moeten hebben in de medische problematiek van de vrouw. De vrouw heeft twee brieven van een huisarts overgelegd. In de brief van 26 augustus 2019 staat dat de vrouw regelmatig komt voor gesprekken. In de brief van 22 januari 2020 staat dat ze door haar medische klachten is beperkt in haar concentratie, psychische draagkracht, energiehuishouding en uithoudingsvermogen en de betreffende huisarts zich goed kan voorstellen dat het haar niet lukt haar werk goed te verrichten. Uit de betreffende brieven blijkt niet van een medisch oordeel of diagnose, zodat deze brieven een onvoldoende onderbouwing zijn van haar medische toestand. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw nog verklaard dat zij EMDR-therapie zal gaan volgen en dat zij zich heeft aangemeld bij een psycholoog in [C] . Vanwege de lange wachtlijsten is die therapie volgens de vrouw nog niet begonnen. Die verklaring is ook niet verder onderbouwd.

Mede ook gelet op het uitgangspunt dat eenieder na een echtscheiding zich zoveel mogelijk dient in te spannen om zich een eigen inkomen te verwerven, zal het hof voor de berekening van het inkomen van de vrouw een 32-urige werkweek als uitgangspunt nemen. Op grond van haar huidige salaris van € 1.783,01 zou dat, geëxtrapoleerd, een maandsalaris van € 2.377,- opleveren. Op jaarbasis, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, komt dit uit op € 30.805,-. Dit levert een NBI op van € 2.500,- per maand, waarbij tevens rekening is gehouden met een KGB van € 5.294,- op jaarbasis.

5.7

De draagkracht van ieder van partijen ten behoeve van de kinderalimentatie kan vervolgens berekend worden op grond van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 950,-)], nu beiden een netto besteedbaar inkomen hebben dat hoger is dan € 1.625,- per maand. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 950,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.8

Met toepassing van bovengemelde formule berekent het hof de draagkracht van de man op € 1.230,- en die van de vrouw op € 560,-. Gezamenlijk hebben zij daarmee een draagkracht van € 1.790,-, wat voldoende is om in de kosten/behoefte van de kinderen van € 963,- per maand te voorzien. Vergelijking van ieders draagkracht levert een aandeel van de man in die kosten/behoefte op van € 662,- en van de vrouw van € 301,-. Het aandeel van de man wordt vervolgens nog verminderd met een zorgkorting van 5% van de behoefte, ofwel € 48,-, zodat zijn bijdrage uitkomt op € 614,- voor de beide kinderen samen. Dit komt neer op € 307,- per kind per maand.

5.9

Over de ingangsdatum van de kinderalimentatie bestaat tussen partijen geen geschil. Deze is door de rechtbank bepaald op de datum van indiening van het verzoek, aldus met ingang van 22 juni 2018. Nu op grond van voormelde berekening de bijdrage voor de kinderen lager wordt vastgesteld, zou dit voor de vrouw een terugbetalingsverplichting inhouden. De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd. In het vorenstaande ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen in de procedure is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard.

Het gaat in deze procedure om kinderalimentatie, die overeenkomstig de bestemming ook als zodanig zal zijn besteed. Het hof dicht de vrouw weliswaar een verdiencapaciteit toe, maar dat betekent niet dat de vrouw ook daadwerkelijk dat inkomen heeft gehad. Feitelijk heeft zij minder inkomen gehad en het ligt daarom in de rede dat de bijdrage zal zijn besteed ten behoeve van de kinderen. Het hof zal daarom in redelijkheid bepalen dat de ingangsdatum voor de in deze beschikking berekende kinderalimentatie de datum van deze beschikking zal zijn. Grief 1 van de man slaagt deels.

de partneralimentatie

5.10

Uit de tweede grief van de man en zijn toelichting op de mondelinge behandeling volgt dat de man primair van mening is dat de vrouw samenwoont en dat zijn verplichting om de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud te verschaffen daarmee is geëindigd. Daarbij verwijst de man naar artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Subsidiair stelt hij dat de bijdrage op nihil dient te worden gesteld.

5.11

De vrouw betwist dat zij samenwoont als bedoeld in artikel 1:160 BW en zij voert aan dat voor de vaststelling van de bijdrage in haar levensonderhoud dient te worden uitgegaan van haar huidige inkomen.

5.12

Het hof stelt het volgende voorop. In geschil is of de onderhoudsverplichting van de man is geëindigd, omdat de vrouw zou samenwonen met de heer [D] als bedoeld in artikel 1:160 BW. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenwoning van de vrouw met de heer [D] in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en de ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren (HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:

ZC3603 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961). Het uitgangspunt dient volgens deze vaste rechtspraak te zijn dat artikel 1:160 BW restrictief wordt uitgelegd. De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest.

5.13

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW, zodat de verplichting voor de man om bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw niet is geëindigd.

5.14

Het hof overweegt daartoe als volgt. De vrouw heeft niet betwist dat zij een relatie heeft met de heer [D] , zij heeft dat in de stukken en op de mondelinge behandeling erkend. Weliswaar staan de vrouw en de heer [D] samen als huurder vermeld op het huurcontract van de nieuwe woning van de vrouw, maar enkel dat betekent nog niet dat zij samenwonen of een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 1:160 BW. Door de vrouw is toegelicht dat de heer [D] enkel op haar huurcontract is toegevoegd, omdat de vrouw wegens haar toenmalige financiële situatie alleen op die manier voor de betreffende huurwoning in aanmerking kon komen. De vrouw komt uit een echtscheidingssituatie en in een dergelijk geval is te begrijpen dat zij haar financiële huishouding niet direct op orde heeft, terwijl er wel beslissingen met financiële gevolgen moeten worden genomen, zoals ten aanzien van nieuwe huisvesting. Dat de heer [D] haar daarbij incidenteel helpt – overigens niet alleen met het huurcontract, maar ook met andere zaken – heeft niet tot gevolg dat zij daarmee ook samenwoont met de heer [D] als bedoeld in artikel 1:160 BW. De vrouw heeft verklaard dat de heer [D] weliswaar op het huurcontract staat, maar niet meebetaalt aan de huur en ook niet staat ingeschreven op dat adres. De heer [D] heeft zijn eigen woning en staat daar ingeschreven. Dat de vrouw en de heer [D] een samenlevingsovereenkomst zouden zijn aangegaan, zoals door de man gesteld, wordt door de vrouw betwist en wordt door de man niet nader onderbouwd zodat het hof daaraan voorbijgaat. De conclusie van het hof is dat hetgeen door de man is aangevoerd, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende is om aan te nemen dat de vrouw en de heer [D] samenwonen als bedoeld in artikel 1:160 BW.

5.15

Nu de onderhoudsverplichting van de man niet is geëindigd zal het hof bepalen in hoeverre de man dient bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. Daarbij zal het hof wat betreft de inkomens van partijen aansluiten bij hetgeen daarover hiervoor bij de kinderalimentatie is overwogen, met dien verstande dat bij de vrouw geen rekening wordt gehouden met het KGB. Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw gesteld kan worden op € 1.735,- netto per maand. Gelet op wat het hof reeds heeft overwogen bij de kinderalimentatie over het inkomen/de verdiencapaciteit van de vrouw heeft de vrouw (zonder het KGB) een NBI dat hoger is dan haar netto behoefte, zodat zij niet behoeftig is met betrekking tot de partneralimentatie. Dit houdt in dat de bijdrage van de man op nihil kan worden gesteld. Aan een beoordeling van de draagkracht van de man komt het hof dan niet meer toe. De overige stellingen van partijen op dit punt hoeven daarom niet meer te worden besproken.

5.16

Ten aanzien van de ingangsdatum verwijst het hof naar de overweging daaromtrent bij de kinderalimentatie die op de partneralimenatie van overeenkomstige toepassing is. Het hof zal bepalen dat de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking op nihil wordt gesteld. De vrouw is dus niet gehouden hetgeen zij voordien van de man heeft ontvangen terug te betalen. In zoverre slaagt grief 2 van de man.

de verdeling

5.17

De grieven 3, 4 en 5 van de man hebben alle betrekking op de verdeling. De vierde grief is op de mondelinge behandeling ingetrokken. Uit de na de mondelinge behandeling ingekomen stukken (zie hiervoor onder 2.4) blijkt dat partijen omtrent de verdeling overeenstemming hebben bereikt, behoudens over een klein onderdeel ten aanzien van de verdeling van de inboedel. In de door de man overgelegde lijst is aangegeven welke inboedelzaken de man wenst te ontvangen. Anders dan de man in zijn lijst aangeeft stelt de vrouw dat door partijen niet is afgesproken dat de vrouw die zaken verplicht is aan de man af te geven. Volgens de vrouw is afgesproken dat zij haar best zal doen om die spullen, voor zover deze nog aanwezig zijn, binnen een maand aan de man te doen toekomen.

5.18

Beide partijen verzoeken het hof de hen gemaakte afspraken in de beschikking vast te leggen. Hieruit leidt het hof af dat partijen hun verzoeken in hoger beroep dienovereenkomstig hebben gewijzigd. Ten aanzien van de verdeling van de inboedel zal het hof bepalen dat de vrouw alleen gehouden is die inboedelzaken van de door de man overgelegde lijst aan de man te doen toekomen voor zover die nog aanwezig zijn. Niemand kan immers tot het onmogelijke worden verplicht.

6 De slotsom

6.1

Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover deze ziet op de kinder- en partneralimentatie, vanaf de datum van deze beslissing vernietigen en te dien aanzien beslissen als hierna vermeld. Ten aanzien van de verdeling zal het hof beslissen overeenkomstig de overeenstemming tussen partijen. De bij het journaalbericht van

mr. Spronk van 6 februari 2020 gevoegde stukken zullen, met inachtneming van het vorenstaande, deel uitmaken van deze beschikking.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure onder meer de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 27 maart 2019, voor zover het betreft de kinder- en partneralimentatie vanaf de datum van deze beschikking en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man met ingang van datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan de vrouw zal betalen € 307,- per kind per maand, telkens rond de achtste van iedere maand te voldoen;

bepaalt de bijdrage van de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud met ingang van de datum van deze beschikking op nihil;

beslist conform hetgeen door partijen is overeengekomen zoals opgenomen in de stukken bij het een journaalbericht van mr. Spronk van 6 februari 2020, met dien verstande dat de vrouw ten aanzien van de inboedelzaken vermeld op de door de man overgelegde lijst enkel gehouden is die door de man gewenste zaken aan de man te doen toekomen voor zover deze nog aanwezig zijn;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, J.U.M. van der Werff en

C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 7 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.