Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2790

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
18/01048
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:4324, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:2041
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking. Rechtmatigheid. Fishing expedition? Is het niet verstrekken van rekeningafschriften met mutatiegegevens het gevolg van overmacht? Is de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast disproportioneel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-04-2020
V-N Vandaag 2020/940
FutD 2020-1281
NTFR 2020/1325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/01048

uitspraakdatum: 31 maart 2020

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 oktober 2018, nummer AWB 16/6735, ECLI:NL:RBGEL:2018:4324, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft met dagtekening 2 december 2014 ten aanzien van belanghebbende een informatiebeschikking gegeven als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) wegens het niet voldoen aan de verplichtingen vervat in artikel 47 van de AWR (hierna: de informatiebeschikking). De informatiebeschikking heeft betrekking op de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2007 tot en met 2013.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en:

– de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover deze het jaar 2013 betreft,

– de informatiebeschikking gehandhaafd voor het jaar 2013 met de vaststelling dat belanghebbende de gevraagde informatie in de bezwaarfase heeft verstrekt, zodat geen omkering en verzwaring van de bewijslast kan plaatsvinden,

– vastgesteld dat de informatiebeschikking voor de jaren 2011 en 2012 van rechtswege is vervallen door het opleggen van aanslagen voor die jaren,

– vastgesteld dat de uitspraak op bezwaar en de informatiebeschikking voor de jaren 2007 tot en met 2010 in stand zijn gebleven en daarbij de vraag of omkering en verzwaring van de bewijslast voor die jaren proportioneel is overgelaten aan de rechter die over de (navorderings)aanslagen zal oordelen, en

– belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na het onherroepelijk worden van haar uitspraak de rekeningafschriften van september 2007 tot en met december 2010 over te leggen.

Voorts heeft de Rechtbank de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding voor door belanghebbende geleden immateriële schade, de Inspecteur veroordeelt in de proceskosten van belanghebbende en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het griffierecht vergoedt.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Voorafgaand aan de zitting hebben partijen nadere stukken overgelegd, die in afschrift aan de wederpartij zijn verstrekt.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is (middellijk) bestuurder en/of (middellijk) aandeelhouder van een conglomeraat van vennootschappen en stichtingen die gezamenlijk kunnen worden aanduid als de [X] -groep. Tot de [X] -groep behoren ook buitenlandse rechtspersonen.

2.2.

De [X] -groep is onder meer actief in de trustbranche en aanverwante dienstverlening. Er worden cliënten bediend die buiten Nederland woonachtig of gevestigd zijn.

2.3.

In de loop van 2012-2013 zijn fiscale onderzoeken gestart bij de Nederlandse onderdelen van de [X] -groep, bij belanghebbende zelf en bij diens echtgenote.

2.4.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 23 oktober 2013 om informatie verzocht over al zijn buitenlandse bankrekeningen in de periode 1 januari 2009 tot dat moment.

2.5.

Nadat het verstrekken van informatie binnen de gestelde termijn uitbleef, heeft de Inspecteur belanghebbende met dagtekening 27 november 2013 een rappelbrief gestuurd. Hierin is gewezen op de informatieverplichting op grond van artikel 47 van de AWR, de mogelijkheid om een informatiebeschikking te nemen indien hieraan niet wordt voldaan en de mogelijke bewijsrechtelijke gevolgen hiervan.

2.6.

Bij brief van 4 december 2013 heeft belanghebbende opgaaf gedaan van een drietal buitenlandse rekeningen op zijn naam bij [B] ’ te Letland, [C] te Duitsland en [D] te Hong Kong. Aangegeven wordt dat de dagafschriften van deze rekeningen zullen worden nagezonden.

2.7.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 17 januari 2014 meegedeeld over informatie te beschikken dat belanghebbende een rekening heeft aangehouden bij Bank [E] te [Z] met IBAN-code [00000] (hierna: de [E] -rekening). Met betrekking tot de [E] -rekening heeft de Inspecteur de volgende vragen gesteld:

  1. Wat is de reden dat u deze rekening niet heeft vermeld in uw brief van 4 december 2013?

  2. Bent u tekeningsbevoegd / gemachtigd (geweest) met betrekking tot deze rekening?

  3. Wat is de juiste tenaamstelling van deze rekening?

  4. Heeft u door middel van een internetaccount toegang tot deze rekening (gehad) in de periode vanaf 1-1-2009 tot heden?

  5. Is de rekening nog steeds actief? Zo nee: wanneer is de rekening gesloten en naar welke bankrekening (…) is het saldo van de rekening naar overgemaakt?

  6. Worden er nog andere rekeningen aangehouden bij Bank [E] in [Z] waarop u tekeningsbevoegd dan wel gemachtigd bent?

  7. Indien het antwoord op vraag f ‘ja’ is: wat is de tenaamstelling en wat is/zijn de rekeningnummers van deze rekening(en)?

  8. Graag ontvang ik de rekeningafschriften / mutatieoverzichten met betrekking tot de (…) rekening(en) bij de Bank [E] en wel vanaf 1 januari 2009 tot en met heden.

Tot besluit wijst de Inspecteur belanghebbende wederom op de verplichting op grond van artikel 47 van de AWR, de mogelijkheid om een informatiebeschikking te nemen indien hieraan niet wordt voldaan en de mogelijke bewijsrechtelijke gevolgen hiervan.

2.8.

Naar aanleiding van die brief hebben de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur over en weer gecorrespondeerd. Ook zijn door belanghebbende stukken overgelegd met betrekking tot het drietal rekeningen bij [B] ’ te Letland, [C] te Duitsland en [D] te Hong Kong.

2.9.

In zijn brief van 27 maart 2014 schrijft de Inspecteur dat de vragen met betrekking tot de [E] -rekening nog niet zijn beantwoord. Verzocht wordt de nog openstaande vragen uiterlijk 11 april 2014 te beantwoorden. Ook in deze brief wordt gewezen op de artikelen 47 en 52a van de AWR en de mogelijke gevolgen van een en ander.

2.10.

Bij brief van 7 april 2014 antwoordt de gemachtigde van belanghebbende – voor zover van belang – als volgt:

“Met betrekking tot de vragen die u heeft gesteld over een rekening die wordt aangehouden bij de Bank [E] te [Z] kan ik u mededelen dat deze rekening wordt aangehouden voor een ander namelijk mevrouw [F] , grootmoeder van mijn cliënt.

Cliënt is geen eigenaar van deze rekening. Wel is hij tekeningsbevoegd/ gemachtigd tot deze rekening. De heer [X] heeft middels een internetaccount toegang tot deze rekening en de rekening is nog steeds actief. Er worden geen andere rekening aangehouden bij de Bank [E] in [Z] . Met betrekking tot de rekeningafschriften wordt u binnenkort nader geïnformeerd aangezien de heer [X] hierover informatie aan het opvragen is. Tot nu toe is de bank niet bereid geweest kopieën van de rekeningafschriften te verstrekken. (…)”

2.11.

In reactie hierop schrijft de Inspecteur in zijn brief van 10 april 2014 het volgende:

“Hoewel uw bewoordingen nog enige ruimte laten voor interpretatie, kan redelijkerwijs niet anders worden geconcludeerd dan dat de genoemde rekening inderdaad op naam staat van de heer [X] en dat de heer [X] in juridische zin de volledige beschikkingsmacht over deze rekening heeft. Echter volgt tevens uit uw toelichting dat de rekening wordt aangehouden ten behoeve, ergo: voor rekening en risico van de grootmoeder van de heer [X] , mevrouw [F] .

(…)

Uitgaande van mijn conclusies als bovenvermeld, zult u begrijpen dat het voor de beoordeling van de fiscale positie van de heer [X] van wezenlijk belang is om de door u gegeven toelichting op juistheid c.q. aannemelijkheid te beoordelen.

In dat verband heb ik de volgende aanvullende vragen aan de heer [X] :

  • -

    Wat is de reden dat de rekening op de naam van de heer [X] staat?

  • -

    Wat is de reden dat de rekening is geopend bij een bank in [Z] en niet bij een bank in Rusland (woonland mevrouw [F] ) of Nederland (woonland de heer [X] ).

  • -

    Heeft de bank wetenschap van het gegeven dat de rekening aangehouden wordt voor mevrouw [F] ?

  • -

    Wanneer is de rekening geopend?

  • -

    Hoe ontvangt de heer [X] instructies van mevrouw [F] voor het doen van betalingen op deze rekening (graag onderliggende stukken ter inzage waaruit de instructies blijken).

  • -

    Op welke wijze wordt mevrouw [F] geïnformeerd over de mutaties op de rekening? (…)

  • -

    Is mevrouw [F] tekeningsbevoegd (geweest) voor de rekening?

  • -

    Zijn er nog andere tekeningsbevoegden en/of gemachtigden (geweest) voor de rekening? (…)

  • -

    Beheert de heer [X] als privépersoon nog andere rekeningen voor mevrouw [F] en/of andere personen? (…)

In uw brief geeft u aan dat de heer [X] toegang heeft tot de rekening via een internetaccount. Verder geeft u aan dat ik met betrekking tot de rekeningafschriften binnenkort nader geïnformeerd zal worden, “aangezien de heer [X] hierover informatie aan het opvragen is. Tot nu toe is de bank niet bereid geweest kopieën van de rekeningafschriften te verstrekken.”

 Wat is de reden dat de bank tot nu toe niet bereid is geweest om rekeningafschriften te verstrekken? Ik ontvang graag een kopie van de correspondentie die daarover met de bank is gevoerd.

(…)”

2.12.

Op 18 april 2014 heeft de gemachtigde van belanghebbende hierop, voor zover van belang, als volgt (puntsgewijs) geantwoord:

  • -

    De heer [X] heeft de rekening voor zijn grootmoeder geopend, omdat zij zelf niet naar [Z] kon komen. Een (nieuwe) cliënt van deze bank kan enkel een rekening openen als hij/zij bij de bank in persoon verschijnt. De grootmoeder van de heer [X] woont in Rusland, [A] , en was toentertijd al in de tachtig. Zij is en was toen fysiek niet in staat om te reizen.

  • -

    Omdat de grootmoeder van de heer [X] aan de betrouwbaarheid van de Russische banken twijfelde wilde zij een bankrekening in het buitenland openen. De heer [X] was bekend met de bank in [Z] en het was daar ook vrij eenvoudig om voor een buitenlander een bankrekening te openen. (…) Het had dus een praktische reden.

  • -

    Ja.

  • -

    In september 2007.

  • -

    Mondeling. Daarbij merkt de heer [X] op dat er nauwelijks activiteiten plaatsvinden die overleg behoeven. Dit was in het verleden ook zo.

  • -

    Mondeling, zie hierboven.

  • -

    Nee.

  • -

    Nee.

  • -

    Nee.

  • -

    Het is beleid van de bank dat informatie enkel mondeling (en niet schriftelijk) wordt gegeven.”

Bij de brief zijn stukken gevoegd met betrekking tot de [E] -rekening die belanghebbende via internetbankieren heeft kunnen opvragen bij de bank, waaronder een rekeningafschrift van een “Cash Account [00001] in EUR” over de periode 18 december 2013 (saldo € 283.784,50) tot en met 15 april 2014 (saldo € 253.049,65). In die periode zijn meerdere bedragen afgeschreven met als omschrijving “ [G] ” en “ [H] ”. Daarnaast is een “Overview of assets” per 15 april 2014 overgelegd, waarop - naast liquiditeiten tot het eerder genoemde bedrag van € 253.049,65 - “INVESTMENTS UP TO ONE YEAR” staan vermeld ten bedrage van € 53.911,20. Verder zijn afschriften overgelegd met saldi per 31 december 2009, 31 december 2010, 30 december 2011, 31 december 2012 en 31 december 2013.

2.13.

Bij brief van 30 april 2014 reageert de Inspecteur hierop als volgt:

“ De door u namens de heer [X] gegeven antwoorden op de gestelde vragen zijn voor mij onvoldoende om thans aannemelijk te achten dat de bewuste bankrekening steeds is aangehouden ten behoeve, ergo: voor rekening en risico van, mevrouw [F] .

Zo wordt samengevat gesteld dat de verantwoording die de heer [X] aan mevrouw [F] aflegt over het reilen en zeilen van de bankrekening steeds mondeling geschiedt. Dit is voor de Belastingdienst (nagenoeg) niet te verifiëren.

De gevraagde rekeningafschriften (…) zijn – afgezien van de periode december 2013 / april 2014 – nog niet verstrekt omdat de bank deze gegevens niet (schriftelijk) zou willen verstrekken.

De gegeven reactie impliceert dat de heer [X] op dit moment dus ook niet in staat zou zijn om aan mevrouw [F] informatie te verstrekken (…) over bijvoorbeeld betalingen in 2011 of ontvangsten in 2012. Of informatie die mevrouw [F] nodig zou kunnen hebben voor bijvoorbeeld haar eigen belastingaangiften in Rusland.

Ik acht het onwaarschijnlijk dat een inwoner van Nederland die naar eigen zeggen een Monegaskische bankrekening beheert voor weer een inwoonster van Rusland, geen inzicht (meer) zou hebben in de mutaties op deze rekening en daarvoor kennelijk afhankelijk is van de bereidheid van de bank om informatie te verstrekken en dan nog alleen mondeling.

Verder bevestigt u dat de bank er wetenschap van heeft dat de rekening wordt aangehouden voor mevrouw [F] . Dit antwoord wordt verder niet ondersteund met bescheiden of andere aanknopingspunten voor nadere verificatie.

Tenslotte wijzen de uitgaven die blijken uit het wel overgelegde overzicht van de afgelopen maanden er zeker niet op voorhand op dat er sprake is van een rekening die wordt aangehouden ten behoeve van een in Rusland woonachtige hoogbejaarde dame.

Om deze redenen persisteer ik in mijn verzoek om de rekeningafschriften (…) over de gevraagde periode aan mij te verstrekken (…).

Aanvullend verzoek ik u om ook de afschriften/mutaties te verstrekken over de periode vanaf opening van de rekening in september 2007 tot 1 januari 2009. (…)”

Tot besluit wordt wederom gewezen op de artikel 47 van de AWR en de mogelijke gevolgen van een en ander.

2.14.

De reactie van de gemachtigde van belanghebbende volgt bij brief van 26 mei 2014, die – voor zover van belang – luidt als volgt:

“1. [E] in [Z]

Helaas hebben wij de bankstukken van de [E] bank in [Z] nog niet ontvangen. De heer [X] heeft de bank enkele malen om de stukken verzocht en is daarvoor zelfs naar [Z] afgereisd. Omdat het de heer [X] tot op heden nog niet gelukt is de stukken te verkrijgen hebben wij een (formeel) verzoek ingediend bij de bank (zie bijlage 1). Tevens sturen we u, ter ondersteuning van het standpunt dat de rekening wordt aangehouden voor mevrouw [F] , een verklaring van mevrouw [F] waaruit blijkt dat zij de eigenaar van de gelden op de rekening is (zie bijlage 2).”

Bijlage 1 bij die brief (brief van de gemachtigde aan [E] ) luidt – voor zover van belang – als volgt:

“For the discussions with the Dutch tax authorities we kindly ask you to provide us with the following bank statements from the year 2007 through 2013 to our office address (…):

1. Annual statements of the amount that is held on the bank accounts or is invested in stock (statements in which the balance per 31 December of each year are visible);

2. An overview of dividends and interest that have been received on the bank accounts including any withholding tax that has been withheld on those payments;

3. An overview of the payments to the accounts and withdrawals of the accounts; and

4. A copy of the opening documents.

Please be informed that we need this information urgently with respect to the information request of thé Dutch tax authorities.”

Bijlage 2 betreft een op 23 mei 2014 ondertekende Engelstalige verklaring van [F] , de grootmoeder van belanghebbende, waarin zij aangeeft de ‘benificial owner’ (uiteindelijk gerechtigde) te zijn van de [E] -rekening.

2.15.

Naar aanleiding hiervan heeft de Inspecteur bij brief 4 juni 2014 wederom aanvullende vragen gesteld met betrekking tot de [E] -rekening:

“Uit uw reactie leid ik af dat de heer [X] niet zelf in staat is gegevens over saldi, mutaties ed over

de gevraagde periode (september 2007 t/m 2013) te verstrekken.

a. Is deze conclusie juist? Zo ja, betekent dit dan ook dat de heer [X] evenmin in staat is om op dit moment aan mevrouw [F] gedetailleerde informatie te geven over bijvoorbeeld betalingen die in 2012 via die rekening zijn gedaan (zo mevrouw [F] daarom zou verzoeken?)

b. Beschikt de heer [X] over een eigen vastlegging/administratie waarin wordt genoteerd welke zaken hij als rekeninghouder voor mevrouw [F] regelt? Zo ja, dan verzoek ik u inzage te verlenen in die administratie.

In verband met deze rekening is een door mevrouw [F] ondertekende Engelstalige verklaring overgelegd.

Hierover heb ik de volgende vragen:

c. Wie heeft de tekst van de verklaring opgesteld?

d. Is de verklaring ter ondertekening opgestuurd naar mevrouw [F] ? Zo ja, op welke wijze (per e-mail, post, koerier)? Zo nee, is de verklaring ter ondertekening aan mevrouw [F] persoonlijk overhandigd? Zo ja, door wie?

e. Was de heer [X] aanwezig bij de ondertekening van de verklaring?

f. Was/waren andere personen aanwezig bij de ondertekening van de verklaring? Zo ja, graag de na(a)m(en) en adres(sen) van deze perso(o)n(en) verstrekken indien en voor zover deze gegevens u bekend zijn.

g. Is de getekende verklaring door mevrouw [F] opgestuurd? Zo ja, naar wie? Zo nee, is de ondertekende verklaring door mevrouw [F] aan iemand meegegeven? Zo ja, aan wie?

h. Is mevrouw [F] de Engelse taal machtig? Zo nee, hoe is haar dan duidelijk gemaakt wat zij heeft getekend?

i. Zijn er ook andere exemplaren van de verklaring, bijvoorbeeld in de Russische taal? Zo ja, graag een kopie van de betreffende verklaring.

Met betrekking tot de rekening bij de bank [E] ( [Z] ) heeft u op 26 mei 2014 een schriftelijk informatieverzoek aan de bank gedaan. Bij de brief aan de bank is als bijlage een door de heer [X] getekende power of attorney gevoegd.

j. Ik ontvang graag een kopie van de power of attorney.

k. In de brief aan de bank wordt gerefereerd aan eerdere verzoeken aan de bank van de heer [X] . Ik ontvang graag een kopie van de schriftelijke (inclusief e-mail) correspondentie die er met de bank is gevoerd. (zie ook mijn eerdere vraag in mijn brief van 10 april jl)

l. Ik verzoek u mij direct na ontvangst te informeren over de reactie(s) van de bank op uw brief van 26 mei 2014. De door de bank verstrekte informatie ontvang ik graag per omgaande.”

2.16.

De (puntsgewijze) beantwoording van die vragen volgt bij brief van de gemachtigde van 27 juni 2014:

a. De conclusie is niet juist. De heer [X] probeert tevens met behulp van ons kantoor om de gevraagde gegevens alsnog bij de bank te verkrijgen. Hiervoor wordt de bank zowel formeel als informeel benadert.

Er is geen noodzaak en verplichting om mevrouw [F] te informeren over zaken en betalingen uit 2012. Het jaar 2012 is afgesloten waarbij beide partijen over en weer geen vragen hebben. Indien gewenst kan mevrouw [F] dit bevestigen.

b. Nee. Dit is ook niet nodig omdat binnen de familie zulke zaken met volledig vertrouwen en in goed overleg worden geregeld.

c. Deze vraag is niet relevant voor de belastingheffing.

d. Verstuurd via Instant Messenger door de heer [X] .

e. Nee.

f. Niet bekend.

g. Gescand en via Instant Messenger teruggestuurd naar de heer [X] .

h. De inhoud van de verklaring is aan mevrouw [F] in een telefoongesprek waar nodig vertaald door de heer [X] .

i. Niet van toepassing.

j. Zie bijlage 2.

k. De verzoeken zijn gedaan tijdens meerdere persoonlijke bezoeken van de heer [X] aan de bank.

i. Wij zullen u op de hoogte houden van de door de bank verstrekte informatie.

Bijlage 2 betreft een door belanghebbende ondertekende ‘power of attorney’ waarin aan de gemachtigde volmacht wordt verleend om gegevens met betrekking tot de [E] -rekening bij de bank op te vragen.

2.17.

Bij brief aan de gemachtigde van 16 juli 2014 wijst de Inspecteur erop dat nog niet alle vragen met betrekking tot de [E] -rekening (afdoende) zijn beantwoord c.q. dat nog niet alle gevraagde informatie is verstrekt.

2.18.

In zijn brief van 7 augustus 2014 geeft de gemachtigde aan dat elke reactie van [E] op zijn brief aan de bank (zie bijlage 1 bij de brief van 26 mei 2014) is uitgebleven en dat daarom wederom een verzoek tot informatieverstrekking aan de bank is gericht en getracht zal worden de bank telefonisch te bereiken. Aangegeven wordt dat belanghebbende volledig afhankelijk is van de medewerking van de bank.

2.19.

Op 13 oktober 2014 heeft een bespreking plaatsgevonden ten kantore van de Inspecteur. Het daarvan opgemaakte verslag luidt - voor zover van belang - als volgt:

“6. M.b.t. de bankrekening bij de [E] te [Z] op naam van de heer [X]

Allereerst merkt de heer [X] op dat de geldleningen volkomen los staan van de bankrekening in [Z] (op naam van de heer [X] ). De bankrekening is van zijn oma. De heer [X] beheert deze rekening voor haar en doet daarover eenmaal per jaar mondeling verslag.

Over de gang van zaken binnen de ondernemingen en de beschikbaar gestelde gelden (leningen) wordt veel vaker gesproken en graag iets aan oma verteld.

De belastingdienst vraagt naar de stand van zaken met betrekking tot het verkrijgen van de bankafschriften. Daarop vertelt de heer [I] dat de afschriften er nog steeds niet zijn. Er zijn tot nu toe twee brieven gestuurd naar de bank in [Z] , [E] . De laatste brief is van 12 augustus 2014 en is gericht aan mevrouw [J] . De Bank heeft tot op heden niet gereageerd. De bank is telefonisch niet te bereiken. Er is op de internetsite van de bank geen telefoonnummer te vinden. Mevrouw [K] vraagt wie mevrouw [J] is. De heer [X] is in eerste instantie bij de bank in [Z] geweest vanwege het verzoek om afschriften en heeft toen gesproken met mevrouw [J] . Zij is volgens de heer [X] de vicepresident van de bank. (…)

De heer [I] overweegt om er in het uiterste geval een advocaat in [Z] op te zetten. Het probleem is dat er sprake is van een arrangement (internetrekening) waarvan maximaal een halfjaar digitaal gegevens worden bewaard. Hier heeft zijn cliënt destijds zelf voor gekozen.

Mevrouw [K] merkt op dat het ongeloofwaardig overkomt dat de bank de afschriften niet kan of wil verstrekken aan de rekeninghouder en dat er niet wordt gereageerd op schriftelijke verzoeken van [I] . [I] reageert hierop met de opmerking dat het de belastingdienst ook niet is gelukt om de afschriften te verkrijgen bij de bank.

De heer [I] vraagt of de belastingdienst handvaten kan aanreiken om de afschriften te verkrijgen. [X] geeft aan dat hij bereid is om aan de belastingdienst een volmacht af te geven om zelf de gegevens te gaan ophalen in [Z] dan wel samen met de heer [X] naar de bank in [Z] te gaan. Ook oppert de heer [I] dat het wellicht zou helpen als de Belastingdienst zorgt voor een soort dagvaarding.

De Belastingdienst dringt er nogmaals op aan om de gevraagde bankafschriften aan te leveren. Hierbij is ook gesproken over het opstarten van een kort geding. De heer [I] vindt dit niet wenselijk.

Aktiepunten:

De heer [X] en de heer [I] blijven zich inspannen om de afschriften te verkrijgen

De Belastingdienst gaat intern na via het CLO wat er nog voor mogelijkheden zijn.

Met betrekking tot het beheer van de rekening vertelt de heer [X] dat alleen de saldi per 31-12 bekend zijn. Die heeft hij destijds doorgegeven aan zijn boekhouder/adviseur.

De heer [X] vertelt dat het een spaarrekening is van oma waar in het begin (va 2008) veel bedragen op zijn binnengekomen. De heer [I] vraagt hoeveel transacties er hebben plaatsgevonden op deze spaarrekening. Hierop verklaart [X] dat er in ieder geval sprake was van een transactie afkomstig uit een vennootschap van zijn vader en een transactie afkomstig van een andere privé rekening van oma. Van de bankrekening in [Z] neemt de heer [X] naar zijn behoefte geld op. Waar hij het geld precies aan heeft besteed weet de heer [X] niet meer (precies). Hij is al langer bezig met het opzetten van een vestiging met trustactiviteiten in [Z] . Dit is een lastig traject, waarvoor hij diverse kosten maakt. De uitgaven van de bankrekeningen hebben hier voornamelijk betrekking op. Als voorbeeld noemt hij kosten van een privé telefoonabonnement en de huur van een appartement op zijn privé naam, wat uiteindelijk bedoeld is om in [Z] trustactiviteiten op te zetten. (…)”

2.20.

Belanghebbendes gemachtigde heeft op de inhoud van het gespreksverslag gereageerd. Volgens die reactie zou een soort “aanmaning” en niet een “dagvaarding” wellicht behulpzaam zijn. Verder heeft de gemachtigde aangegeven dat hij een kort geding niet alleen niet wenselijk vindt, maar ook niet noodzakelijk.

2.21.

Met dagtekening 2 december 2014 heeft de Inspecteur de onderhavige informatiebeschikking gegeven ten aanzien van belanghebbende, die luidt – voor zover van belang – als volgt:

“De Belastingdienst heeft u onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) meermaals verzocht (…) de mutatiegegevens/rekeningafschriften van deze rekening te verstrekken. (…)

Tot op heden heeft u niet (volledig) aan dit verzoek voldaan. Als bijlage bij de brief d.d. 18 april 2014 van mr. [I] van kantoor [L] advocaten (hierna: uw gemachtigde) is een overzicht verstrekt over de periode 19 december 2013 - 15 april 2014. Over de periode september 2007 tot en met medio december 2013 zijn tot op heden nog geen mutatiegegevens verstrekt. Alleen verstrekt zijn de saldigegevens per 31 december van de respectievelijke jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013. U heeft wel een verklaring over de rekening afgelegd. U heeft samengevat verklaard dat u de rekening houdt voor uw grootmoeder mevrouw [F] . Zie voor deze verklaring voor het eerst de brief van uw gemachtigde d.d. 7 april 2014. Uw verklaring komt er op neer dat het economisch belang bij deze rekening niet u, maar mevrouw [F] aangaat. Deze verklaring kan niet anders worden opgevat dan dat u zich op het standpunt stelt dat kennisname van de mutaties en saldigegevens van deze rekening niet voor de belastingheffing ten name van uzelf van belang kan zijn.

Per brief d.d. 10 april 2014 heeft de Belastingdienst aangegeven dat kennisname van de gevraagde mutatiegegevens ten minste van belang is om te kunnen beoordelen of uw verklaring over het economische belang van mevrouw [F] aannemelijk (juist) is.

U heeft sindsdien in overleg en in samenwerking met uw gemachtigde aan de Belastingdienst te kennen gegeven aan het inlichtingenverzoek te willen meewerken. Echter deze door u tot uitdrukking gebrachte intentie heeft tot op heden nog geen extra informatie opgeleverd. Uw gemachtigde en uzelf beroepen zich in dit verband samengevat op overmacht omdat de bank in [Z] naar uw zeggen op geen enkele wijze wil meewerken aan het verstrekken - aan u - van informatie over de door u gehouden bankrekening.”

Omtrent het fiscale belang van de gevraagde gegevens is het volgende opgemerkt:

“(…) Op de eerste plaats willen wij uw verklaring kunnen toetsen dat niet u maar mevrouw [F] economisch belanghebbende is van de Monegaskische rekening. In dit verband is van belang op te merken dat er op dit moment meerdere aanwijzingen zijn dat uw verklaring hierover mogelijk niet juist is.

Zo wijzen de afschrijvingen op het door u wel verstrekte overzicht over de periode eind december 2013 - medio april 2014 op uitgaven welke niet lijken te passen bij een in Rusland woonachtige hoogbejaarde dame met fysieke mobiliteitsbeperkingen.

Verder is mij gebleken dat mevrouw [F] op eigen naam een bankrekening in [Z] heeft aangehouden en mogelijk nog steeds aanhoudt. Deze constatering staat op gespannen voet met uw verklaringen zoals verwoord in de brief van 18 april 2014 van uw gemachtigde.

(…)

Kortom bestaat alle aanleiding om aan de hand van de rekeningmutaties uw verklaring over het economisch belang van mevrouw [F] te toetsen.

Op de tweede plaats merk ik op dat kennisname van de rekeningmutaties van belang is om te kunnen beoordelen of u via deze rekening mogelijk inkomsten heeft genoten welke u ten onrechte niet heeft verantwoord in uw aangiften inkomstenbelasting.

Vaststaat dat u als enige de beschikkingsmacht over deze rekening heeft. U bent dus zowel juridisch als feitelijk in staat om deze bankrekening (mede) voor persoonlijke doeleinden te benutten ongeacht het antwoord op de vraag of u de rekening nu wel of niet houdt voor rekening en risico van mevrouw [F] .

In dit verband is mede van belang dat u als bestuurder en (middellijk) aandeelhouder betrokken bent bij een in c.q. vanuit Nederland opererende trustonderneming handelend onder uw eigen naam “ [X] ”.

U genereert inkomsten met deze onderneming en u kunt bijvoorbeeld een cliënt verzoeken om betalingen over te maken op de rekening in [Z] . In een dergelijk geval zou zo’n betaling fiscaal eventueel als inkomsten uit aanmerkelijk belang moeten worden aangemerkt.

Op de laatste plaats merk ik op dat, ervan uitgaande dat u als rekeninghouder tevens de economisch ‘eigenaar' bent van de rekening, de saldi van deze rekening per 1 januari van ieder respectievelijk belastingjaar van belang zijn voor de bepaling van uw inkomsten uit sparen en beleggen (box 3).”

Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de gevraagde gegevens niet kunnen worden verstrekt, omdat de bank niet bereid zou zijn hieraan mee te werken. Het beroep van belanghebbende op overmacht is daarom afgewezen.

2.22.

Hangende het bezwaar tegen de informatiebeschikking heeft de gemachtigde van belanghebbende als bijlage bij een brief van 24 februari 2015 rekeningafschriften van de [E] -rekening overgelegd vanaf 14 december 2011. De brief luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Inmiddels heeft de heer [X] telefonisch contact gehad met de Service Desk van [E] Bank, naar aanleiding van de opmerking op de website van de bank dat bankinformatie twee jaar digitaal raadpleegbaar zou moeten zijn. De bank heeft hem telefonisch geholpen om via internetbankieren de juiste informatie tevoorschijn te krijgen. Dat bleek niet eenvoudig te zijn, maar het is uiteindelijk wel gelukt.

Naar aanleiding hiervan vindt u bijgaand de bankafschriften die de heer [X] via het internetbankieren heeft kunnen downloaden. Het betreft bankafschriften vanaf 2011.

U ziet dat de uitgaven van die rekening van persoonlijke aard zijn (uitgaven in [Z] zoals huur, elektriciteit, telefoon). De heer [X] heeft met goedkeuring van mevrouw [F] deze bedragen aangewend voor privédoeleinden en deze bedragen zijn opgeteld bij zijn schuld aan zijn grootmoeder.”

2.23.

Naar aanleiding hiervan heeft de Inspecteur bij brief van 5 maart 2015 aan belanghebbende geschreven dat hij van mening blijft dat de [E] -rekening aan belanghebbende moet worden toegerekend, aangezien uit de rekeningafschriften naar voren komt dat deze wordt gebruikt ten behoeve van hem zelf en de grootmoeder een rekening op eigen naam aanhield in [Z] . De Inspecteur concludeert hieruit dat belanghebbende een onjuiste inlichting heeft verstrekt, namelijk dat de rekening economisch toebehoort aan de grootmoeder. Belanghebbende blijft gehouden om alle gevraagde gegevens, voor zover nog niet verstrekt, alsnog te verstrekken aangezien dat van belang is voor de belastingheffing ten aanzien van zijn persoon. In het bijzonder doelt de Inspecteur op gegevens met betrekking tot de periode vóór 14 december 2011. Daarnaast mist de Inspecteur mutatiegegevens met betrekking tot de periode 16 februari 2012 tot 22 mei 2012.

2.24.

Bij brief van 27 maart 2015 heeft belanghebbende een cijfermatige aansluiting gegeven voor de periode 16 februari 2012 tot 22 mei 2012.

2.25.

Bij brief van 30 april 2012 heeft belanghebbende meegedeeld dat de conclusie van de Inspecteur dat onjuiste inlichtingen zijn verstrekt over de [E] -rekening, niet juist is. Belanghebbende betoogt niet gehouden te zijn informatie te verstrekken over de [E] -rekening, omdat hij geen eigenaar is van die rekening. Toch geeft hij aan mee te willen werken om inzage te geven in de feiten en omstandigheden omtrent de economische eigendom van de [E] -rekening. Belanghebbende geeft voorts te kennen dat bankafschriften van vóór ultimo 2011 niet beschikbaar zijn via internetbankieren of anderszins. Volgens belanghebbende beschikt de Inspecteur over alle informatie die noodzakelijk is (saldi begin en eind van ieder jaar) om een juiste berekening te maken voor een heffing in box 3. Vragen over Monegaskische regelgeving en/of beleid zijn daarom niet meer van belang, zo schrijft belanghebbende.

2.26.

Vervolgens corresponderen partijen over en weer nog over de opbouw van een beweerdelijke schuld van belanghebbende aan de grootmoeder, waarvan een deel door middel van creditcard-opnames (gekoppeld aan de [E] -rekening) zou zijn ontstaan.

2.27.

Bij uitspraak op bezwaar van 30 september 2016 is het bezwaar tegen de informatiebeschikking afgewezen. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende voor de [E] -rekening geen mutatiegegevens verstrekt over de periode vanaf opening in september 2007 tot 19 december 2013. Dat de bank geen rekeningafschriften zou verstrekken aan de houder van de bewuste rekening, komt de Inspecteur ongeloofwaardig voor. Het komt voor risico van belanghebbende als hij geen informatie kan verstrekken, als gevolg van de omstandigheid dat een rekening wordt aangehouden in een land met een sterk bankgeheim.

2.28.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.

2.29.

Hangende het beroep heeft de Inspecteur aan de Rechtbank meegedeeld dat, als uitkomst van een belangenafweging, is besloten om aan belanghebbende aanslagen IB/PVV op te leggen voor de jaren 2011 en 2012, waarmee de informatiebeschikking voor zover deze betrekking heeft op die jaren van rechtswege is komen te vervallen.

2.30.

Als bijlage 4 bij zijn verweerschrift in beroep heeft de Inspecteur een ongedateerde en niet ondertekende verklaring gevoegd van een relatie van de [X] -groep, [M] (hierna: [M] ). [M] verklaart in de periode 2007-2011 betalingen te hebben verricht op verschillende bankrekeningen, waaronder de [E] -rekening, voor diensten verricht door belanghebbende en de [X] -groep. Volgens de opstelling betreft het een betaling op 1 december 2007 ten bedrage van € 2.856 met als omschrijving ‘Legaladvice Payment request’ en op 9 juli 2010 ten bedrage van € 15.732.85 met als omschrijving ‘ [X] (…)’.

2.31.

Naar het oordeel van de Rechtbank brengt het enkele feit dat belanghebbende houder is van de [E] -rekening mee dat op hem een informatieverplichting rust en is ook het vragen naar mutatiegegevens over de jaren 2007 tot en met 2013 rechtmatig, omdat de Inspecteur aan de gegevens die hij heeft - in het bijzonder de verklaring van [M] - redelijkerwijs het vermoeden kon ontlenen dat de rekeningafschriften van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende. Het gaat daarbij volgens de Rechtbank niet alleen om heffing in box 3, maar ook om eventuele heffing in box 1 en box 2. Uit de afschriften zou kunnen blijken dat belanghebbende bedragen van zakelijke contacten heeft ontvangen op de [E] -rekening. Om dit vast te kunnen stellen en om te bepalen om welke bedragen het gaat, zijn de mutatiegegevens van groot belang. Deze gegevens zijn niet overgelegd voordat de informatiebeschikking is gegeven, zodat terecht een informatiebeschikking is gegeven, aldus nog steeds de Rechtbank. De Rechtbank heeft niet geloofwaardig geacht dat de bank geen informatie wil of mag geven aan de rekeninghouder zelf als daar op de juiste wijze om wordt gevraagd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de gevraagde rekeningafschriften niet kan krijgen. Het beroep op overmacht heeft de Rechtbank daarom afgewezen. Voor zover al sprake is van overmacht, dan is die door belanghebbende zelf veroorzaakt. De beoordeling van de proportionaliteit van de omkering en verzwaring van de bewijslast heeft de Rechtbank aan de rechter overgelaten die over de (navorderings)aanslagen zal oordelen.

2.32.

Voor de duidelijkheid heeft de Rechtbank in het dictum vastgelegd dat de informatiebeschikking voor de jaren 2011 en 2012 van rechtswege is komen te vervallen.

2.33.

Voorts heeft de Rechtbank geconstateerd dat in de uitspraak op bezwaar ten onrechte niet is vermeld dat belanghebbende alsnog informatie heeft verstrekt betreffende het jaar 2013, zodat de uitspraak op bezwaar in zoverre onjuist is. Om die reden is het beroep gegrond verklaard en is de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten in beroep. Weliswaar vervalt de informatiebeschikking niet door die gegevensverstrekking, maar tot omkering en verzwaring van de bewijslast kan het niet meer leiden.

2.34.

De Rechtbank heeft belanghebbende een termijn van zes weken geboden na het definitief worden van haar uitspraak om alsnog de rekeningafschriften van september 2007 tot en met eind 2010 over te leggen.

2.35.

Ten slotte heeft de Rechtbank een vergoeding voor immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur de informatiebeschikking terecht heeft gegeven. In het bijzonder gaat het dan om de rechtmatigheid en proportionaliteit van de informatiebeschikking. Daarnaast speelt de vraag of het niet verstrekken van rekeningafschriften met mutatiegegevens (hierna: de dagafschriften) over de periode september 2007 tot en met december 2010 het gevolg is van overmacht aan de zijde van belanghebbende.

3.2.

Niet in geschil is dat de informatiebeschikking van rechtswege is komen te vervallen voor zover deze betrekking heeft op de jaren 2011 en 2012. Evenmin is in geschil dat met betrekking tot het jaar 2013 in de bezwaarfase alsnog de gevraagde gegevens zijn verstrekt, zodat de (andersluidende) uitspraak op bezwaar in zoverre niet in stand kan blijven.

4 Beoordeling van het geschil

Afwijzen uitstelverzoek

4.1.

In de feiten en omstandigheden zoals genoemd in het uitstelverzoek van 18 september 2019 heeft het Hof geen aanleiding gezien om de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van 9 oktober 2019 aan te houden. In het uitstelverzoek is geen uitzicht geboden op een concrete termijn waarbinnen een mondelinge behandeling van de zaak doorgang zou kunnen vinden. Bovendien wilde het Hof eerst ter zitting van partijen horen wat de stand van zaken was met betrekking tot de beslagen op de financiële middelen van belanghebbende, het lopende FIOD-onderzoek en het beslag dat in dat kader is gelegd op zijn administratie, alsmede de relevantie hiervan voor de onderhavige procedure betreffende een informatiebeschikking. Het Hof daarbij meegewogen dat zo nodig een nadere zitting zou kunnen worden gehouden, indien en voor zover daarvoor aanleiding zou bestaan. Mede met het oog op de voortgang van de procedure, heeft het Hof het uitstelverzoek daarom afgewezen. In hetgeen partijen ter zitting hieromtrent over en weer hebben verklaard, heeft het Hof geen aanleiding gezien een nadere zitting te houden.

Rechtmatigheid informatiebeschikking

4.2.

Belanghebbende betoogt dat de informatiebeschikking onterecht is gegeven, omdat pas in de (hoger)beroepsprocedure door de Inspecteur stukken zijn ingebracht (waaronder de verklaring van [M] (zie 2.30) en stukken uit het strafdossier) waaruit het vermoeden zou blijken dat er mogelijk zakelijke overboekingen naar de [E] -rekening hebben plaatsgevonden. Ten tijde van het gegeven van de informatiebeschikking had de Inspecteur, op basis van de informatie die hem toen ter beschikking stond, geen belang bij de dagafschriften waarnaar is gevraagd. Niet gebleken is dat de Inspecteur op dat moment beschikte over concrete aanknopingspunten voor het stellen van vragen, zodat in wezen sprake is van een fishing expedition van de Inspecteur. De verklaring van [M] en de nadien in hoger beroep nog ingebrachte stukken, kunnen niet (achteraf) dienen ter onderbouwing van de rechtmatigheid van de informatiebeschikking. Wanneer de Inspecteur al voordat de informatiebeschikking is gegeven beschikte over de verklaring van [M] , dan is sprake van misleiding doordat de Inspecteur niet precies heeft verteld wat hij allemaal wist en waar hij die informatie vandaan had, aldus nog steeds belanghebbende.

4.3.

De Inspecteur betoogt dat de verklaring van [M] is verkregen uit een derdenonderzoek bij die persoon. Het laatste contact met [M] dateert van 19 augustus 2013, ruim voordat de eerste vragen over de [E] -rekening aan belanghebbende zijn gesteld. Dat die informatie toen als bekend was, blijkt uit de vermelding van het nummer van de [E] -rekening in die vragenbrief. Om strategische redenen is niet eerder dan in de beroepsprocedure voor de Rechtbank gerefereerd aan die verklaring. Ook wanneer het Hof de verklaring van [M] buiten beschouwing zou laten, omdat deze in strijd met het fair play-beginsel zou zijn ingebracht, waren de vragen legitiem en is sprake van een terechte informatiebeschikking. Hetzelfde heeft te gelden voor de ingebrachte stukken uit het strafdossier, aldus nog steeds de Inspecteur.

4.4.

Het bestaan van de [E] -rekening is niet bestreden. Evenmin is in geschil dat:

  1. de [E] -rekening op naam staat van belanghebbende;

  2. de [E] -rekening in september 2007 is geopend en in ieder geval in 2014 nog bestond;

  3. belanghebbende toegang had tot de [E] -rekening (door middel van een internetaccount) en tekenbevoegd was; en

  4. e [E] -rekening niet in de aangiften IB/PVV van belanghebbende voor de in geding zijnde jaren is opgenomen.

4.5.

Het Hof acht aannemelijk dat de Inspecteur medio 2013 van het bestaan van de [E] -rekening op de hoogte is geraakt en dat naar aanleiding daarvan om informatie is verzocht over alle buitenlandse bankrekeningen van belanghebbende, met overlegging van de dagafschriften van die rekeningen over de periode vanaf 1 januari 2009 (zie 2.4). In reactie hierop heeft belanghebbende informatie verstrekt over een drietal buitenlandse rekeningen, maar niet over de [E] -rekening (zie 2.6). Vervolgens heeft de Inspecteur belanghebbende ermee geconfronteerd over informatie te beschikken waaruit naar voren komt dat belanghebbende in de bewuste periode rekeninghouder is van de [E] -rekening en zijn specifieke vragen hieromtrent gesteld (zie 2.7). Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat de [E] -rekening wordt aangehouden voor zijn grootmoeder, waarbij aangekondigd wordt dat de dagafschriften worden opgevraagd bij de bank (zie 2.10). Hierin heeft de Inspecteur aanleiding gevonden aanvullende vragen te stellen (zie 2.11), waarop belanghebbende schriftelijk heeft geantwoord. Belanghebbende heeft daarbij dagafschriften verstrekt over de periode 18 december 2013 tot en met 15 april 2014, alsmede bankafschriften met daarop de saldi per 31 december 2009, 31 december 2010, 30 december 2011, 31 december 2012 en 31 december 2013 (zie 2.12). Vanaf dat moment hebben de vragen zich meer en meer gericht op het uitblijven van de verstrekking van de dagafschriften van de [E] -rekening over de periode vanaf de opening van die rekening in september 2007 (zie 2.13 tot en met 2.20). Uiteindelijk zijn die dagafschriften - afgezien van de dagafschriften betreffende de periode 18 december 2013 tot en met 15 april 2014 - niet door belanghebbende verstrekt voordat de informatiebeschikking is gegeven. In de informatiebeschikking heeft de Inspecteur het fiscale belang bij het overleggen van die gegevens aangeduid (zie 2.21), met als mogelijke conclusies dat (i) geen sprake is van een heffingsbelang ten aanzien van belanghebbende of (ii) wel sprake is van een heffingsbelang ten aanzien van belanghebbende vanwege (a) genoten inkomsten uit een aanmerkelijk belang (box 2) dan wel (b) genoten inkomsten uit sparen en beleggen (box 3).

4.6.

Gelet op het voorgaande relaas van feiten en omstandigheden is van een fishing expedition door de Inspecteur geen sprake en waren zijn vragen met betrekking tot de [E] -rekening, mede gezien de beantwoording ervan door belanghebbende, legitiem. Wanneer een buitenlandse rekening niet is vermeld in een aangifte IB/PVV, dan gaat de Inspecteur zijn boekje niet te buiten door dagafschriften op te vragen van die rekening wanneer hij van het bestaan ervan op de hoogte raakt. Hij hoeft geen genoegen te nemen met de verstrekking van de saldi per begin/ultimo van ieder jaar, aangezien het fiscale belang niet alleen in box 3 hoeft te zijn gelegen, maar mogelijkerwijs ook andere correcties in beeld komen, bijvoorbeeld in box 1 of box 2. De Inspecteur heeft het fiscale belang in de onderhavige informatiebeschikking voldoende onderbouwd en ook kenbaar gemaakt aan belanghebbende. Het vragen naar alle dagafschriften over de bewuste periode is daarmee niet disproportioneel. Bovendien wordt de vraag hiernaar deels ook opgeroepen door de verklaring van belanghebbende dat de [E] -rekening aan zijn grootmoeder toebehoort, terwijl uit de verstrekte afschriften over de periode 18 december 2013 tot en met 15 april 2014 nadrukkelijk naar voren komt (en door belanghebbende ook niet wordt betwist) dat de [E] -rekening mede wordt gebruikt voor uitgaven van belanghebbende zelf, al dan niet voor zijn zakelijk activiteiten. Het ligt dan in de rede dat de Inspecteur deze verklaring van belanghebbende wil toetsen aan de hand van alle dagafschriften.

4.7.

Daarnaast acht het Hof aannemelijk dat de Inspecteur reeds ten tijde van het geven van de informatiebeschikking beschikte over de verklaring van [M] (zie 2.30), en dat hij door die verklaring van het bestaan van de [E] -rekening op de hoogte is geraakt. Het Hof ziet geen grond voor de veronderstelling dat die verklaring vanuit een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende c.q. de [X] -groep aan de Inspecteur is toegespeeld om de informatiebeschikking alsnog van een dragende onderbouwing te voorzien. De Inspecteur heeft evenmin in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur of enig ander rechtsbeginsel gehandeld door die verklaring niet reeds voorafgaand aan of bij het geven van de informatiebeschikking met belanghebbende te delen. Dat belanghebbende mogelijk verwikkeld is in een (zakelijk) conflict met [M] , doet niet af aan het fiscale belang dat de Inspecteur heeft bij de verstrekking van de dagafschriften door belanghebbende waar hij een en andermaal om heeft gevraagd.

4.8.

Het Hof ziet derhalve geen grond voor de conclusie dat de informatiebeschikking onrechtmatig is genomen. Aangezien de stukken uit het strafdossier die de Inspecteur bij zijn nadere stuk van 19 september 2019 heeft ingebracht niet noodzakelijk zijn ter onderbouwing van de rechtmatigheid van de informatiebeschikking, slaat het Hof op die stukken in deze procedure verder geen acht en kan in het midden blijven op welke wijze de Inspecteur hierover de beschikking heeft gekregen.

Overmacht

4.9.

Volgens belanghebbende is de bank - ondanks zijn herhaalde verzoeken en die van zijn gemachtigde - niet bereid gebleken tot het verstrekken van de gevraagde dagafschriften, waardoor sprake is van overmacht.

4.10.

De Inspecteur betwist dat sprake is van een overmacht. Zo dat al het geval zou zijn, is sprake van door belanghebbende zelf veroorzaakte overmacht.

4.11.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, tegenover de betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van overmacht waardoor hij niet aan het informatieverzoek van de Inspecteur kon en kan voldoen. Het Hof merkt allereerst op dat belanghebbende in eerste instantie heeft aangegeven dat hij zelf heeft gekozen voor een “arrangement” met een internetrekening waarvan maximaal een halfjaar digitaal gegevens worden bewaard (zie 2.19). Kennelijk heeft belanghebbende die gegevens zelf niet bewaard, anders hoefden deze niet te worden opgevraagd bij de bank. Verder heeft volgens belanghebbende de bank hem meerdere malen, per telefoon en in persoon, meegedeeld dat de gevraagde dagafschriften op grond van regelgeving niet mogen worden verstrekt. De bank zou dat ook aan de gemachtigde van belanghebbende hebben laten weten. Hiervan zijn geen schriftelijke vastleggingen: noch van (de inhoud van) de verzoeken van belanghebbende noch van de reactie(s) van de bank. Dat het de bank op grond van de lokale regelgeving is verboden de gevraagde informatie aan belanghebbende zelf te verstrekken, volgt niet zonder meer uit de passage waaraan belanghebbende refereert. Het Hof acht ook niet aannemelijk dat het de bank verboden zou zijn om aan de rekeninghouder zelf, op diens uitdrukkelijke verzoek, rekeningafschriften te verstrekken. Verder heeft de gemachtigde van belanghebbende tijdens de bespreking van 13 oktober 2014 verklaard in het uiterste geval juridische stappen tegen de bank te overwegen teneinde haar tot medewerking te bewegen (zie eveneens 2.19), maar zover is het niet gekomen omdat dat naar belanghebbendes inschatting geen resultaat zou hebben. Dat belanghebbende mede vanwege het kostenaspect daarvan heeft afgezien, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Het beslag op zijn financiële middelen is daarvoor geen geldig excuus, aangezien belanghebbende kennelijk wel beschikt over voldoende financiële middelen om zich in deze procedure te laten bijstaan en zich ook liet bijstaan in de contacten met de bank. Dat de bank inmiddels door een andere bank is overgenomen, doet aan het voorgaande niet af.

4.12.

Ten slotte merkt het Hof op dat belanghebbende, na te zijn geconfronteerd met informatie op de website van de bank waaruit volgt dat rekeninginformatie twee jaar digitaal raadpleegbaar is (in plaats van een half jaar), nader heeft verklaard digitaal toegang te hebben gekregen tot die informatie met telefonische hulp van de servicedesk van de bank (zie 2.22). Daarmee in strijd is dat belanghebbende bij de brief van 24 februari 2015 rekeningafschriften vanaf 14 december 2011 heeft overgelegd, welke informatie belanghebbende kennelijk kort daarvoor via internetbankieren heeft weten te raadplegen. Dat is weliswaar nagenoeg twee jaar terug gerekend vanaf het oudste rekeningafschrift dat belanghebbende eerder had ingebracht (18 december 2013; zie 2.12), maar ervan uitgaande dat belanghebbende inderdaad kort voor 24 februari 2015 via internetbankieren zijn rekeninginformatie alsnog heeft kunnen raadplegen, zou op dat moment - belanghebbendes betoog volgend - niet verder terug kunnen worden gegaan dan tot februari 2013. Kennelijk is belanghebbende in staat geweest om, met medewerking van de bank, verder terug te gaan dan de genoemde periode van twee jaar. Er is geen verklaring voor waarom dan niet nog verder terug kon worden gegaan en wel tot het moment van opening van de [E] -rekening in september 2007.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

4.13.

Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat omkering en verzwaring van de bewijslast in geval van een informatieverzuim als het onderhavige disproportioneel (en daarmee onredelijk) is, en dat de informatiebeschikking om die reden (in zoverre) niet in stand kan blijven. Dit neemt niet weg dat de vraag of omkering en verzwaring van de bewijslast op haar plaats is (opnieuw) aan de orde kan worden gesteld in de procedure over de belastingaanslagen die zijn opgelegd nadat een op die aanslagen betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden (zie HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130).

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Het Hof zal belanghebbende een termijn stellen van zes weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak om te voldoen aan de in de informatiebeschikking bedoelde verplichting tot het overleggen van de dagafschriften over de periode vanaf september 2007 (opening [E] -rekening) tot en met december 2010.

5 Griffierecht, proceskosten en schadevergoeding

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

De Rechtbank heeft een vergoeding toegekend voor immateriële schade als gevolg van een overschrijding van de redelijke termijn. Die vergoeding wordt in hoger beroep niet bestreden. In hoger beroep is de redelijke termijn niet verder overschreden. Het Hof ziet daarom geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek om een schadevergoeding.

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

– stelt belanghebbende in de gelegenheid om binnen zes weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak de dagafschriften over de periode vanaf september 2007 tot en met december 2010 over te leggen; en

– wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

te ondertekenen.

(J.W.J. de Kort) (V.F.R. Woeltjes)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.