Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2705

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
200.248.153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhuiskostenvergoeding van artikel 7:220 BW: is er sprake van renovatiewerkzaamheden die het noodzakelijk maken dat huurder (tijdelijk) verhuist? Bestaat er ruimte voor matiging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof A200.248.153/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 6527748)

arrest van 31 maart 2020

in de zaak van

Stichting Pensioenfonds van de Metalektro (PME),

gevestigd te ’s-Gravenhage,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: PME,

advocaat: mr. M.B.J. Thijssen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.A. Geuze.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 20 november 2018 hier over.

1.2

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Deze comparitie is gehouden op 21 januari 2019; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.3

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met productie),

- een akte uitlating productie.

1.4

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.2

[geïntimeerde] huurt met ingang van 1 oktober 1982 van (de rechtsvoorganger van) PME de woning op het adres [a-straat 1] in [B] .

2.3

Bij brief van 23 maart 2017 heeft (Rebo Vastgoed Management als beheerder namens) PME aan [geïntimeerde] bericht dat PME bereid is over te gaan tot renovatie van de keuken, de badkamer en het toilet van de woning, tegen een huurverhoging (gekoppeld aan de renovatie van de keuken) van € 50,- per maand. PME heeft in de brief vermeld:

“De werkzaamheden zullen een aantal dagen in beslag gaan nemen, waardoor u in deze periode geen gebruik kunt maken van de keuken, de badkamer en het toilet.”

[geïntimeerde] is daarmee akkoord gegaan.

2.4

[geïntimeerde] heeft op 22 mei 2017 PME verzocht om een tegemoetkoming verhuiskosten, omdat zij tijdens de werkzaamheden de woning zal moeten verlaten wegens haar longaandoening COPD. PME heeft dat verzoek op 23 mei 2017 afgewezen, maar heeft toegezegd de kosten te vergoeden “welke overeenkomen met het tijdelijke verblijf van de door u uitgekozen locatie (na goedkeuring eigenaresse).”

2.5

Vervolgens zijn de werkzaamheden uitgevoerd vanaf 19 juni 2017. [geïntimeerde] heeft de woning vlak vóór aanvang van de werkzaamheden verlaten, heeft circa vier weken bij familie gelogeerd en is daarna teruggekeerd naar de woning.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd de veroordeling van PME tot betaling van

primair een bedrag van € 5.910,- aan verhuiskostenvergoeding als bedoeld in artikel 7:220 lid 5 en 6 BW en subsidiair een bedrag van € 1.921,52 aan vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten en geleden schade wegens de renovatie, te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Daarnaast heeft [geïntimeerde] gevorderd PME te veroordelen tot herstel van het gebrek met betrekking tot de te hoge drempel in de badkamer.

3.2

De kantonrechter heeft de gevorderde verhuiskostenvergoeding van € 5.910,-, de

wettelijke rente en de vergoeding aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Het gevorderde herstel is afgewezen. PME is in de proceskosten veroordeeld.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering in hoger beroep

4.1

In hoger beroep vordert PME de vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] , een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties. PME heeft daartoe vijf grieven opgeworpen, die het hof hierna achtereenvolgens zal bespreken.

Verhuizing: standpunt PME

4.2

Met grief 1 en 2 betoogt PME dat in dit geval geen sprake is van een verhuizing als bedoeld in artikel 7:220 lid 5 BW, zodat [geïntimeerde] geen aanspraak kan maken op de verhuiskostenvergoeding van artikel 7:220 lid 6 BW.

Volgens PME blijkt uit de rechtspraak en de wetsgeschiedenis dat voor de vraag of sprake is van een verhuizing relevant is of de inboedel uit het gehuurde is verhuisd. Voorts is van belang of kosten voor het verhuizen en inrichten zijn gemaakt, omdat de hoogte van het vastgestelde forfaitaire bedrag van de verhuiskostenvergoeding aan dergelijke kosten is ontleend. In dit geval heeft [geïntimeerde] enkele weken bij familie gelogeerd, heeft zij geen kosten gemaakt wegens verhuizing van haar inboedel en inrichting van een tijdelijke woning of van de gerenoveerde woning na terugkeer. De kantonrechter heeft hier ten onrechte geen belang aan gehecht, aldus PME.

Verhuizing: oordeel hof

4.3

Op grond van artikel 7:220 lid 5 BW draagt de verhuurder van woonruimte bij in de kosten van de verhuizing van de huurder indien die verhuizing in verband met een renovatie in de zin van artikel 7:220 lid 2, derde zin, BW noodzakelijk is. Ook een tijdelijke verhuizing wordt door dit artikel bestreken (Kamerstukken II 2007-2008, 31528, nr. 3, p. 2).

Deze wettelijke regeling tot vergoeding van verhuiskosten is dus alleen van toepassing bij een verhuizing die noodzakelijk is, dat wil zeggen dat de werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd wanneer de huurder in de woning blijft wonen. In sommige gevallen zal niet alleen de aard van de renovatie bepalend zijn bij de beoordeling of er een noodzaak tot verhuizen bestaat. Het is voorstelbaar dat bepaalde renovatiewerkzaamheden niet voor elke huurder een noodzaak geven tot verhuizing, maar dat op grond van bijkomende andere omstandigheden (bijvoorbeeld gezondheid of gezinssamenstelling) wel een noodzaak tot verhuizen bestaat (Kamerstukken II, 2007-2008, 31528, nr. 3, p. 4).

4.4

In artikel 7:220 lid 6 BW is vervolgens bepaald dat de minimumbijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten jaarlijks bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. In zijn arrest van

22 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:726) heeft de Hoge Raad de aan hem voorgelegde prejudiciële vraag of deze regeling van dwingend recht is bevestigend beantwoord.

De Hoge Raad overwoog daarbij onder meer:

“Voorts kan uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van 4 februari 2010 worden afgeleid dat de regeling van de verhuiskostenvergoeding van dwingend recht is, en dat de huurder altijd recht heeft op de minimumbijdrage als bedoeld in artikel 7:220 lid 6 BW (Kamerstukken II 2007-2008, 31528, nr. 3, p. 6; Kamerstukken I 2009-2010, 31528, nr. C, p. 3).”

In het laatstgenoemde Kamerstuk - de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer - op p. 3 schrijft de Minister van Justitie onder meer [met onderstreping hof]:

“De leden van de PvdA -fractie hebben om bevestiging gevraagd van hetgeen zij meenden te lezen in de diverse artikelleden van artikel 7:220. Inderdaad heeft een huurder van een woning altijd recht op een vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten van € 5000 (geïndexeerd), indien hij ten behoeve van renovatie uit zijn woning moet vertrekken, ongeacht of hij die kosten ook werkelijk maakt .”

4.5

In dit geval heeft de kantonrechter vastgesteld dat [geïntimeerde] vanwege haar longaandoening COPD tijdens de renovatiewerkzaamheden niet in de woning kon blijven wonen. PME heeft hier niet tegen gegriefd, zodat het hof dit eveneens tot uitgangspunt neemt.

Uit de tekst van artikel 7:220 lid 5 en 6 BW, gelezen in het licht van de wetsgeschiedenis (in het bijzonder de hiervoor onderstreepte passage), volgt dat [geïntimeerde] in dat geval aanspraak heeft op de aldaar bedoelde minimumbijdrage (zij het onder aftrek van een eventuele door de verhuurder aan de huurder betaalde vergoeding - vgl. lid 7), ook indien zij minder kosten heeft gemaakt dan het met de bijdrage gemoeide bedrag en zelfs indien zij geen kosten heeft gemaakt (zie ook ECLI:NL:GHARL:2019:288).

Het gaat erom of sprake is van renovatiewerkzaamheden die het noodzakelijk maken dat de huurder (tijdelijk) de woning verlaat en dus verhuist. Indien dat het geval is, is de forfaitaire verhuiskostenvergoeding verschuldigd. Dat de huurder nauwelijks of geen kosten wegens verhuizing van inboedel en/of (her)inrichting van de tijdelijke of gerenoveerde woning heeft gemaakt, is voor het bestaan van die aanspraak niet van belang.

4.6

Overigens is het hof niet gebleken dat [geïntimeerde] vanwege haar vertrek uit de woning wegens uitvoering van renovatiewerkzaamheden door PME in het geheel geen kosten heeft gemaakt. [geïntimeerde] heeft in dit verband aangevoerd dat zij wegens het verblijf bij haar familie (en de opvang van haar hond) wel degelijk kosten heeft gemaakt. PME heeft dit als zodanig niet weersproken en het hof acht dit ook aannemelijk. Dat die kosten veel lager zijn dan het met de minimumbijdrage gemoeide bedrag, doet zoals hiervoor is overwogen aan de verschuldigdheid hiervan niet af.

4.7

De grieven 1 en 2 slagen dus niet.

Aard verhuiskostenvergoeding

4.8

Met grief 3 komt PME op tegen de overweging ten overvloede van de kantonrechter (rechtsoverweging 3.8) dat de toegewezen verhuiskostenvergoeding een vergoeding is die juist ook ziet op de schadeposten die [geïntimeerde] aan haar subsidiaire vordering ten grondslag heeft gelegd. Aangezien dit geen dragende overweging betreft kan deze grief niet leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. PME heeft dan ook geen belang bij verdere bespreking van deze grief.

Matiging

4.9

In grief 4 doet PME een beroep op matiging van de verhuiskostenvergoeding op grond van artikel 6:248 lid 2 BW omdat [geïntimeerde] niet is verhuisd, maar bij familie heeft gelogeerd.

4.10

De vraag of grond bestaat tot matiging op grond van artikel 6:248 lid 2 BW hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de aard en strekking van de verhuiskostenvergoeding en in dat verband ook de bedoeling van de wetgever. Een voor het hof belangrijk uitgangspunt bij de beantwoording van deze vraag is dat de wetgever heeft gekozen voor een dwingendrechtelijke regeling met een forfaitaire minimumbijdrage. Tegen deze achtergrond is het enkele feit dat [geïntimeerde] gedurende de renovatie bij familie verbleef en geen kosten wegens verhuizing van haar inboedel en/of (her)inrichting heeft gemaakt, van onvoldoende gewicht om te oordelen dat het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om de wettelijk bepaalde, forfaitaire minimumbijdrage aan [geïntimeerde] toe te kennen. Deze grief faalt.

Overige aspecten

4.11

Grief 5, die gericht is tegen de toewijzing van de verhuiskostenvergoeding, de wettelijke rente en de proceskostenveroordeling, heeft naast de hiervoor behandelde grieven geen zelfstandige betekenis en behoeft om die reden geen nadere bespreking.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter dan ook bekrachtigen.

5.2

PME zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de procedure aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 318,- aan griffierecht en € 759,- aan salaris advocaat (1 punt x tarief I).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis dat de kantonrechter te Utrecht op 18 juli 2018 heeft gewezen;

veroordeelt PME in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 318,- aan griffierecht en € 759,- wegens salaris advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Willemse, W.P.M. ter Berg en J.A. Gimbrère en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

31 maart 2020.