Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2699

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
200.257.264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal motorvoertuig, uitleg polisvoorwaarden. In vervolg op ECLI:NL:RBMNE:2019:299.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.257.264

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 673990)

arrest van 31 maart 2020

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ASR,

advocaat : mr. R.H.J. Wildenburg,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Mininet B.V.,

gevestigd te Schijndel,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Mininet,

advocaat: mr. C.C.J. Aarts.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 mei 2019 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 14 juni 2019 met de spreekaantekeningen van ASR;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

- de akte van ASR;

- de antwoordakte van Mininet.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 van het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 16 januari 2019 (gepubliceerd in ECLI:NL:RBMNE:2019:299) en van de feiten die hierna worden vastgesteld.

2.2

Op 2 september 2016 is een bestelbus van het merk Mercedes gestolen tijdens werkzaamheden die Mininet verrichtte aan een waterleiding in Thorn, Limburg. De bestelbus stond in de directe nabijheid van een gat dat [A] , de eigenaar van Mininet, en zijn collega [B] hadden gegraven. Dat gat had een zodanige diepte dat de waterleiding die zich op circa 1.10 meter onder de grond bevond kwam vrij te liggen, zodat daaraan kon worden gewerkt. Rondom het werkgat lag een berg zand. De bestelbus stond met de achterzijde geopend naar het gat. De portieren van de bestelbus waren dicht, maar niet op slot. Achterin de bestelbus bevond zich materiaal en gereedschap dat Mininet voor haar werk nodig heeft. Rondom de bestelbus en het werkgat waren pilonnen en afzethekken geplaatst. Op enig moment is [A] weggegaan naar een andere werklocatie, iets verderop. [B] is blijven doorwerken. Daarna is de bestelbus gestolen. [B] heeft daar niets van gemerkt. De sleutels van de bestelbus had hij in zijn zak.

2.3

De bestelbus was tegen diefstal verzekerd bij ASR. In de polisvoorwaarden (Bijzondere Voorwaarden BCC 14-1 Bestelautoverzekering Casco Compleet) is onder Hoofstuk 5 Wanneer krijgt u geen vergoeding? onder 5.14 opgenomen:

Onvoldoende beveiligd

5.14

De bestuurder moet er alles aan doen om joyrijden of diefstal te voorkomen. Doet hij dit niet, dan krijgt u geen schadevergoeding. Behalve als u kunt bewijzen dat u daar niets van wist, dat het tegen uw wil gebeurde en dat u dus niets te verwijten valt. In ieder geval krijgt u geen vergoeding:

- als de bestelauto onbeheerd is achtergelaten en niet goed is afgesloten;

- als de bestelauto onbeheerd is achtergelaten met de autosleutels erin of erop;

- als de autosleutels zijn achtergelaten in de brievenbus van een garage- of schadeherstelbedrijf.

2.4

Mininet heeft de schade wegens de diefstal van de bestelbus geclaimd bij ASR. Die heeft, onder verwijzing naar het bepaalde in art. 5.14 van de polisvoorwaarden, zoals hierboven eergegeven, geweigerd tot uitkering over te gaan. In haar bericht van 5 oktober 2016 aan de assurantietussenpersoon heeft ASR als argument opgenomen: “Uit de politieaangifte blijkt dat verzekerde de betreffende auto geparkeerd had aan de openbare weg, bij de plek waar hij in een zogenaamd werkgat aan het werk was. De auto was echter niet afgesloten. Op grond van de polisvoorwaarden is deze diefstal dan ook niet gedekt”.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Mininet heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd dat ASR wordt veroordeeld tot betaling van de door haar geleden schade van € 11.900,- vermeerderd met rente en kosten.

3.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 16 januari 2019 de vordering van Mininet tot een bedrag van € 11.675,- vermeerderd met de wettelijke rente over € 10.775,- toegewezen en ASR in de proceskosten veroordeeld.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

ASR is tijdig in beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter van 16 januari 2019. Zij heeft daartegen vijf grieven aangevoerd. Het hof zal die gezamenlijk behandelen. Daarnaast heeft ASR nog een voorwaardelijke vordering geformuleerd.

4.2

Kern van het geschil wordt gevormd door de vraag of ASR zich kan beroepen op de uitsluiting zoals opgenomen in art. 5.14 van de polisvoorwaarden. ASR heeft geen grief gericht tegen overweging 2.7 van het vonnis van de kantonrechter, waarin is overwogen dat de zinsnede “De bestuurder moet er alles aan doen om joyrijden of diefstal te voorkomen” zich in het onderhavige geval vertaalt in het verwijt dat de bestelauto onbeheerd is achtergelaten en niet goed is afgesloten. Ook in hoger beroep heeft ASR niet gesteld dat aan deze zin in dit geval een bredere betekenis toekomt. Het debat concentreert zich dan op de vraag of sprake is van de situatie dat de bestelauto onbeheerd is achtergelaten en niet goed is afgesloten.

4.3

In het onderhavige geval is sprake van zogenaamde niet uit-onderhandelde polisvoorwaarden. De uitleg van dergelijke voorwaarden is dan met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van een eventuele bij de polisvoorwaarden behorende toelichting (HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, NJ 2008, 284 (Chubb/Dagenstaed) en HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601, NJ 2018, 463 (Reaal/X)).

Onbeheerd achterlaten

4.4

Het begrip “onbeheerd achterlaten” in de polisvoorwaarden heeft twee elementen: “achterlaten” en “onbeheerd”. Ten aanzien van het eerste element heeft ASR aangevoerd dat, ondanks de situatie dat het werkgat zich in de directe nabijheid van de bestelbus bevond (circa 1 à 2 meter volgens Mininet en circa 2 à 3 meter volgens de getuige [C] , de eigenaar van de naast het werkgat gelegen woning) toch sprake was van achterlaten. ASR voert daartoe aan dat het gat zo diep was dat de bestelbus vrijwel niet meer zichtbaar was. Hierbij baseert zij zich op de getuigenverklaring van [C] , zoals afgelegd tegenover CED. Volgens hem was het gat zo diep dat een volwassen persoon daar geheel in kon staan. "Achterlaten" moet volgens haar ook taalkundig worden geïnterpreteerd, namelijk als het “laten op een bepaalde plaats of in een bepaalde toestand”. Dit is door Mininet bestreden. Volgens haar had het gat een diepte van ongeveer 1.30 meter. Bovendien moet de monteur zich regelmatig oprichten om materialen of gereedschappen te pakken dan wel weg te leggen. Voor wat betreft het element “onbeheerd” stelt ASR dat dit betekent “zonder toezicht”. Toezicht legt zij uit als: “erop letten/in de gaten houden/zicht erop houden”. Deze uitleg van dat woord is door Mininet niet bestreden.

4.5

Het hof is van oordeel dat van “achterlaten” in de zin van de polisvoorwaarden geen sprake is geweest. Het begrip “achterlaten” impliceert dat het gaat over een fysieke verwijdering ten opzichte van het voertuig. Dat is ook de betekenis die in het normale spraakgebruik daaraan wordt toegekend. De door ASR gegeven omschrijving, die volgens haar afkomstig is uit Van Dale, laat een belangrijk deel van de omschrijving weg. De volledige in dat woordenboek gegeven omschrijving luidt: “in een bep. toestand of op een bepaalde plaats laten, terwijl je zelf vertrekt”. Dat betekent dat sprake moet zijn van een zekere fysieke afstand die, voor zover hier van belang, ook impliceert dat het zicht op het voertuig in beginsel niet (meer) mogelijk is of dat het niet mogelijk is om direct bij het voertuig te komen. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met de specifieke omgeving waar wordt gewerkt. Als dat is op een plaats waar veel mensen rondlopen zal, vanwege de onoverzichtelijkheid, eerder van “achterlaten” kunnen worden gesproken dan in een vrijwel uitgestorven omgeving. Of in een specifiek geval sprake is van achterlaten, is dus afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. De situatie van Mininet kenmerkte zich daardoor dat gewerkt werd in een kleine plaats in een woonwijk. Er werd gewerkt vlak achter de bus. Aanvankelijk was dat met twee personen en later met één. Een geringe afstand waarvan hier sprake was (zelfs als dat drie meter zou zijn geweest) kan, gezien de omstandigheden van het geval, niet worden gezien als “achterlaten” in de zin van polisvoorwaarden. Er was immers geen sprake van fysieke verwijdering en als degene in het werkgat zich oprichtte kon hij de bus (al dan niet gedeeltelijk) zien, en volgens Mininet zelfs aanraken. Door ASR is niet bestreden dat de waterleiding waaraan de reparatie plaatsvond zich op een diepte van circa 1.10 meter bevond. ASR baseert zich geheel op de verklaring van de getuige [C] dat het gat “vrij diep” was en dat een normaal persoon er rechtop in kon staan. Waar [C] deze wetenschap vandaan heeft, wordt niet duidelijk en het blijkt ook niet dat hij zelf in het gat heeft gestaan. Het is daarnaast onaannemelijk dat het gat veel dieper zou zijn dan nodig was om een reparatie aan de leiding te verrichten. Bovendien is door ASR niet gemotiveerd bestreden dat tijdens het werk regelmatig materiaal en gereedschap uit de bus werd gehaald, zodat ook op basis daarvan al niet kan worden geconcludeerd dat van achterlaten sprake was. Ook de bij memorie van antwoord door Mininet overgelegde verklaring van [B] , waarin deze omstandig uit de doeken doet welke handelingen hij bij de reparatie verricht en waaruit blijkt dat hij zich voortdurend oprichtte, is door ASR niet gemotiveerd bestreden. Dat Mininet in de visie van ASR haar werk ook anders had kunnen inrichten, door alles buiten de bus te plaatsen, dan wel de bus telkens af te sluiten en te openen neemt niet weg dat geen sprake is geweest van achterlaten in de zin van de polisvoorwaarden.

4.6

Om van onbeheerd achterlaten te kunnen spreken, dient naast het “achterlaten” ook sprake te zijn van “onbeheerd”. Het gaat dan om het afwezig zijn van toezicht. Hoewel hierboven al is geoordeeld dat van achterlaten geen sprake was en reeds om die reden ASR geen beroep toekomt op art. 5.14 van de polisvoorwaarden, kan gezien de wijze waarop door [B] , en aanvankelijk ook [A] , het werk werd verricht en dat hierboven al is omschreven, ook niet worden geoordeeld dat op de bestelbus geen toezicht was. Zij hebben weliswaar mogelijk niet voortdurend naar de bus gekeken, maar dat wil nog niet zeggen dat de bestelbus “onbeheerd” was. [B] en [A] mochten daarnaast waarde toekennen aan de rustige omgeving waarin de bestelbus stond en zij hun werk deden en ook aan de afzetting die rond het werkgat en de bestelbus was geplaatst. Bovendien had [B] de sleutels van de bestelbus in zijn zak, zodat hij, gezien al deze omstandigheden niet genoodzaakt was om meer of anders toezicht te houden dan hij al deed. Het enkele feit dat [B] uiteindelijk niets van de diefstal heeft gemerkt is niet voldoende om aan te nemen dat het toezicht onvoldoende is geweest.

Niet goed afgesloten

4.7

ASR heeft betoogd dat de bestelbus niet was afgesloten, dat wil zeggen op slot stond. Dit is door Mininet erkend en kan dus als vaststaand worden aangenomen. Het hof merkt in dit verband op dat de kantonrechter hiervan ook is uitgegaan. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat aan de eis van het goed afgesloten zijn van de bestelbus in de polisvoorwaarde slechts betekenis toekomt in combinatie met het “onbeheerd achterlaten”. Hierboven is reeds overwogen dat daarvan geen sprake was. Voor zover ASR heeft bedoeld te stellen dat de deuren van de bestelbus, afgezien van de achterklep, niet dicht waren (maar kennelijk openstonden) merkt het hof op dat ASR geen feiten of omstandigheden noemt waaruit dat kan worden afgeleid. Ook de getuige [C] heeft tegenover CED verklaard dat de bestelbus dicht was. Deze stelling is dan ook onvoldoende gemotiveerd en zal worden gepasseerd. Dit geldt ook het algemene bewijsaanbod dat door ASR is gedaan.

Voorwaardelijke vordering

4.8

Dit leidt ertoe dat het hof zich kan verenigen met het vonnis van de kantonrechter. ASR heeft onder die voorwaarde in de toelichting op grief 5 een vordering ingesteld met als grondslag dat zij op basis van het vonnis van de kantonrechter teveel heeft betaald. Zij vordert betaling van een bedrag van € 579,20 wegens onverschuldigde betaling. Deze vordering kan niet worden gezien als een ongedaanmakingsverplichting die ontstaat bij vernietiging van het vonnis, maar moet worden beschouwd als een vordering in reconventie. ASR is daarin niet ontvankelijk, nu zij een dergelijke vordering niet voor het eerst in hoger beroep kan instellen.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Ten aanzien van de voorwaardelijk ingestelde vordering is ASR niet ontvankelijk.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof ASR in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Mininet zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 741,-

- salaris advocaat € 2.685,- (2,5 punten x tarief 2)

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 16 januari 2019;

verklaart ASR niet ontvankelijk in haar voorwaardelijke vordering;

veroordeelt ASR in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Mininet vastgesteld op € 741,- voor verschotten en op € 2.685,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, L. Janse en J. Sap, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2020.