Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2685

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
200.226.876
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opdracht. Verwijt van opdrachtgever dat interieurarchitect onvoldoende aan budgetbewaking heeft gedaan, is niet terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.226.876

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5356837)

arrest van 31 maart 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [de opdrachtgever] ,

advocaat: mr. L.A.M. van Kippersluis,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Verkerke Architectonische Vormgeving B.V.,

gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: Verkerke BV,

advocaat: mr. D.A. Molier.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 18 december 2018 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit het proces-verbaal van de meervoudige comparitie van partijen op 29 januari 2020. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.11 van het bestreden vonnis van 26 juli 2017, behoudens de volgende aanpassingen. In rechtsoverweging 2.5 van het bestreden vonnis worden de laatste twee zinnen geschrapt. Aan rechtsoverweging 2.6 wordt toegevoegd: “..., aangevuld met sloopkosten die door [de opdrachtgever] zijn begroot op € 130.000.”

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

In essentie gaat deze zaak over het volgende. [de opdrachtgever] heeft op 12 december 2013 het perceel aan de [a-straat 1] te [A] verworven. [de opdrachtgever] wenste de zich daarop bevindende woning ingrijpend te renoveren tot een gebouw met een aantal appartementen. Hij heeft met Verkerke BV in september 2013 een mondelinge overeenkomst gesloten om het ontwerp van de verbouwing te maken tegen een uurtarief van € 100 incl. BTW. Bestuurder van Verkerke BV is mevrouw [de interieurarchitect] , die als interieurarchitect is ingeschreven in het Architectenregister. Enig aandeelhouder is D.A.C. Verkerke Design B.V. [de interieurarchitect] is lid van de Beroepsvereniging Nederlandse Interieurarchitecten. [de opdrachtgever] heeft [de interieurarchitect] gezegd dat hij een budget voor de verbouwing had van € 500.000 à 550.000. [de interieurarchitect] heeft de nodige werkzaamheden verricht. [de opdrachtgever] heeft aan Verkerke BV in december 2013 € 7.800 contant betaald en in mei 2014 € 19.000, in totaal € 26.800. In januari 2014 zijn op verzoek van [de opdrachtgever] de renovatieplannen aangepast, omdat de ex-vrouw van [de opdrachtgever] , die één van de appartementen zou betrekken, aangaf daarvan af te zien. Op 15 augustus 2014 heeft Aannemersbedrijf [de aannemer] v.o.f. (hierna: [de aannemer] ), met wie [de opdrachtgever] de renovatie zou willen uitvoeren, een aangepaste offerte gemaakt voor de renovatiewerkzaamheden, die uitkwam op een bedrag van ± € 585.000 inclusief BTW. Volgens [de opdrachtgever] bracht dat mee dat de totale renovatie uitkwam op meer dan € 1.000.000, een bedrag dat hij niet zou kunnen betalen. [de opdrachtgever] heeft [de interieurarchitect] per email d.d. 12 september 2014 verzocht haar werkzaamheden om niet voort te zetten, maar dat heeft [de interieurarchitect] geweigerd. Verkerke BV heeft vervolgens bij factuur van 14 oktober 2014 (“aangepast 11 november 2014”) € 6.900 inclusief BTW gedeclareerd bij [de opdrachtgever] . [de opdrachtgever] heeft de factuur niet betaald, waarop Verkerke BV betaling van deze factuur bij de kantonrechter heeft gevorderd. [de opdrachtgever] heeft in reconventie primair gevorderd de overeenkomst te vernietigen uit hoofde van bedrog dan wel dwaling en Verkerke B.V. te veroordelen tot restitutie van hetgeen hij aan Verkerke BV heeft betaald en subsidiair Verkerke B.V. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 69.782,76. De kantonrechter heeft de vordering van Verkerke BV in conventie toegewezen (uitgezonderd de buitengerechtelijke incassokosten) en in reconventie de vorderingen van [de opdrachtgever] afgewezen. [de opdrachtgever] is onder aanvoering van 5 grieven in hoger beroep gekomen. Hij heeft in het vonnis berust, voor zover de primaire vordering, die was gebaseerd op dwaling of bedrog, werd afgewezen. Naast de reeds in eerste instantie subsidiair gevorderde schadevergoeding heeft hij gevorderd dat Verkerke BV wordt veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen hij ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft betaald, te weten € 9.904,19.

3.2

[de opdrachtgever] heeft bij akte vermeerdering van eis en overlegging producties, ter comparitie genomen en door het hof op voorhand ontvangen op 10 januari 2020, zijn eis vermeerderd met een verklaring voor recht (1) dat Verkerke BV tekort is geschoten in de nakoming van de aan haar verleende architectenopdracht, doordat zij geen budgetbewaking van de door [de opdrachtgever] opgegeven bouwsom van € 500.000 à 550.000 heeft toegepast en (2) dat Verkerke BV ten onrechte niet de voor haar geldende wettelijke en BNI-voorwaarden in acht heeft genomen en (3) dat hij de architectenovereenkomst terecht buitengerechtelijk heeft ontbonden, met veroordeling van Verkerke BV tot terugbetaling van het reeds betaalde honorarium. Verkerke BV heeft bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van eis. Tijdens de comparitie heeft het hof beslist dat deze vermeerdering van eis niet wordt toegestaan, omdat zij in strijd is met de tweeconclusieregel: [de opdrachtgever] had deze eisvermeerdering uiterlijk bij memorie van grieven aan de orde moeten stellen. Er is ook geen reden waarom dat op dat moment niet had gekund.

3.3

[de opdrachtgever] heeft in grief 1 een aantal bezwaren geuit tegen de vaststelling door de kantonrechter van de tussen partijen vaststaande feiten. Daarmee is in 2.1 rekening gehouden. De grief behoeft verder geen aandacht. Voor zover de door [de opdrachtgever] bij grief 1 gestelde feiten niet zijn overgenomen, geldt dat de rechter vrijheid heeft de relevante feiten die niet tussen partijen in geschil zijn, vast te stellen. Partijen zijn het bijvoorbeeld over de in nr. 3.5 van de memorie van grieven genoemde feiten niet eens.

3.4

[de opdrachtgever] heeft als productie 2 bij memorie van grieven een relaas van hemzelf van 14 bladzijden overgelegd. Hoewel [de opdrachtgever] in nr. 2.12 van de memorie van grieven heeft verzocht de notitie als herhaald en ingelast te beschouwen, zal het hof alleen acht slaan op de passages waarnaar [de opdrachtgever] in de memorie van grieven heeft verwezen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt immers dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, NJ 2017/147). Hetzelfde geldt voor de in eerste aanleg door beide partijen in het geding gebrachte notities (vgl. rechtsoverweging 4.1 van het bestreden vonnis).

3.5

[de opdrachtgever] maakt in de door het hof gezamenlijk te behandelen grieven 2 en 3 [de interieurarchitect] een aantal verwijten die in de kern erop neerkomen dat [de interieurarchitect] zich tegenover hem heeft voorgedaan als bouwkundig architect, dat zij een opdracht heeft aangenomen die haar deskundigheid te boven ging, dat zij de voor haar geldende wettelijke regels en beroepsregels heeft geschonden en dat zij onvoldoende het voor de renovatie beschikbare budget heeft bewaakt, waardoor er in augustus 2014 een overschrijding van het beschikbare budget ad € 500.000 tot € 550.000 van meer dan 100% was, leidend tot totale kosten van € 1.075.000.

3.6

Het hof overweegt hierover als volgt. De naam van Verkerke BV is voluit Verkerke Architectonische Vormgeving B.V. Zij gebruikt de handelsnaam Verkerke bureau voor architectonische vormgeving. Die namen passen meer bij een binnenhuisarchitect dan bij een bouwkundig architect, waar eerder een naam als Verkerke Architect of Verkerke Architectenbureau zou worden verwacht. [de interieurarchitect] heeft in een concept van een brief van [de opdrachtgever] aan de makelaar van de verkoper van het perceel van 7 oktober 2013 de vermelding “Mijn technisch adviseur ir. [B] ” gewijzigd in “Mijn technisch adviseur [de interieurarchitect] ”. Daarmee heeft zij de beweerdelijk verkeerde voorstelling bij [de opdrachtgever] over haar hoedanigheid - te weten academisch gevormd bouwkundig ingenieur - weggenomen. Kennelijk heeft dit niet tot nadere vragen of opmerkingen van [de opdrachtgever] geleid. In het licht van deze omstandigheden heeft [de opdrachtgever] te weinig aangevoerd aan de hand waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat Verkerke onduidelijk is geweest over het terrein van haar deskundigheid en heeft [de opdrachtgever] evenmin voldoende toegelicht dat hij als gevolg van onjuiste informatie en/of het ontbreken van nadere informatie een verkeerd beeld van haar deskundigheid heeft gekregen. Het enkele feit dat [de interieurarchitect] na de beëindiging van de samenwerking zichzelf in de e-mail van 14 oktober 2014 als “architect” heeft aangeduid, weegt onvoldoende zwaar om tot een ander oordeel te komen. De overeenkomst van opdracht was toen immers al beëindigd, zodat [de opdrachtgever] tijdens de uitvoering van de werkzaamheden niet op die uiting kan hebben vertrouwd. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. [de opdrachtgever] heeft bovendien niet een op dit punt voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan.

3.7

Het hof verwerpt ook [de opdrachtgever] stelling dat de door hem verstrekte opdracht de deskundigheid van [de interieurarchitect] te boven ging en dat zij daarom de opdracht had moeten weigeren. In de eerste plaats heeft [de opdrachtgever] onvoldoende weersproken het verweer van [de interieurarchitect] , aan de hand van citaten uit de publicatie van dr. Barbara Heebels en prof. dr. Robert C. Kloosterman en haar lijst met eerder uitgevoerde opdrachten, dat het niet ongebruikelijk is dat een interieurarchitect een opdracht als die van [de opdrachtgever] uitvoert. In de tweede plaats heeft [de opdrachtgever] niet en in ieder geval onvoldoende uitgewerkt gesteld dat [de interieurarchitect] op vakinhoudelijk vlak tekort is geschoten. Het enige bezwaar van [de opdrachtgever] is immers dat [de interieurarchitect] voor een soberder opzet van de renovatie had moeten kiezen, althans tijdig had moeten waarschuwen dat het beschikbare budget zou worden overschreden. Bovendien heeft [de opdrachtgever] ook op dit punt geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, zodat ook om die reden niet aan bewijslevering wordt toegekomen.

3.8

Het hof is verder van oordeel dat [de interieurarchitect] ten aanzien van haar verplichtingen tot voorlichting van haar klant over de kosten van de renovatie niet is tekortgeschoten. Uitgangspunt is dat er nog geen verplichtingen waren aangegaan, behalve dan de opdracht van [de opdrachtgever] aan [de aannemer] , waarbij [de interieurarchitect] niet was betrokken, tot uitvoering van sloopwerkzaamheden op het perceel. Voor [de opdrachtgever] was het renovatiebudget van € 500.000 à 550.000 niet een werkelijk plafond. Hij heeft in zijn e-mail aan [de interieurarchitect] van 12 september 2014 immers geschreven dat hij geleidelijk het gevoel had gekregen dat het renovatieplan een paar ton duurder zou uitvallen. Kennelijk was dat gevoel voor hem eerder geen aanleiding om [de interieurarchitect] te herinneren aan het budget van € 500.000 à 550.000 en kennelijk was een overschrijding van het budget met een paar ton geen aanleiding om het renovatieplan niet uit te voeren. Verder heeft Verkerke BV onvoldoende betwist gesteld dat uit de offertes van bijvoorbeeld Van Hengstum B.V. voor de levering van stalen kozijnen van ± € 100.000 en van Aesy Liften B.V. voor een lift in het gebouw van ± € 25.000 en de door [de aannemer] gemaakte sloopkosten van € 130.000 ook voor [de opdrachtgever] duidelijk had moeten zijn dat de kosten van de renovatiewerkzaamheden boven het budget van € 500.000 à 550.000 zouden uitkomen. Deze offertes, van juli resp. maart 2014, waren voor [de opdrachtgever] kennelijk geen reden om zich zorgen te maken over de oplopende kosten of om zich bij Verkerke BV te vergewissen van de haalbaarheid van de plannen van Verkerke BV binnen het door hem beoogde budget. Voorts heeft [de opdrachtgever] uitsluitend [de aannemer] om een offerte gevraagd, waardoor een mogelijk scherpere offerte van een andere aannemer (of van [de aannemer] zelf) niet tot stand is gekomen. Belangrijker is dat [de opdrachtgever] niet samen met Verkerke heeft onderzocht of het renovatieplan door middel van schrapping, vereenvoudiging of uitstel van onderdelen voor hem wel financieel haalbaar zou kunnen worden. [de interieurarchitect] heeft erop gewezen dat offertes van bouwprojecten vaker boven het budget uitkomen en dat dan wordt onderzocht in hoeverre het bouwplan kan worden bijgesteld. [de opdrachtgever] heeft zelf in zijn e-mail van 12 september 2014 een besparing van ± € 200.000 genoemd die zou ontstaan door de bouw van het bijgebouw (het Atelier) te schrappen. [de opdrachtgever] heeft onvoldoende uitgewerkt waarom aanvullende schrappingen, vereenvoudigingen of uitstel van onderdelen van het plan niet zouden hebben kunnen leiden tot een definitief plan dat ook voor hem financieel aanvaardbaar was. Ter zitting heeft [de opdrachtgever] verklaard dat de renovatie uiteindelijk voor een bedrag van ± € 850.000 tot stand is gekomen. Dat hij daardoor naar eigen zeggen geen schenkingen meer aan zijn kinderen heeft kunnen doen, is een door hem gemaakte keuze die niet voor rekening van Verkerke BV komt. De slotsom is daarom dat er geen sprake is van een tekortkoming van Verkerke BV.

3.9

In nr. 3.56 van de memorie van grieven heeft [de opdrachtgever] betwist dat [de interieurarchitect] de uren heeft gemaakt die zij bij factuur van 14 oktober 2014 heeft gedeclareerd. Dit verweer wordt door het hof verworpen, omdat uit de toelichting door [de opdrachtgever] volgt dat hij niet betwist dat [de interieurarchitect] de uren heeft gemaakt, maar dat hij van oordeel is dat de uren zonder noodzaak zijn gemaakt, met name omdat het overleg met de aannemer nutteloos was omdat dit gedoemd was te mislukken. Hierboven is geoordeeld dat [de opdrachtgever] onvoldoende de mogelijkheid van bezuinigingsmaatregelen met [de interieurarchitect] heeft onderzocht en dat daarom ook niet kan worden gezegd dat het overleg met de aannemer op voorhand zinloos was. De conclusie is dat de grieven 2 en 3 falen.

3.10

Het voorgaande betekent dat ook grief 4, die uitgaat van een tekortkoming van Verkerke BV, faalt. In aanvulling hierop overweegt het hof nog kort het volgende. Voor de verdere uitvoering van het renovatieplan was nader tekenwerk en nadere constructieberekeningen vereist. De werkzaamheden die [C] van Ebbinge Bouwbegeleiding en Constructiebureau De Prouw B.V. hebben verricht, zijn daarom niet als schade te beschouwen. De kosten van Ivacon B.V. wegens werkzaamheden ter bestrijding van wateroverlast in de kelder komen niet voor rekening van Verkerke BV, omdat zij er onder meer terecht op heeft gewezen dat [de opdrachtgever] , als er sprake zou zijn van niet-nakoming door haar, haar niet in gebreke heeft gesteld en haar dus niet in de gelegenheid heeft gesteld tot herstel over te gaan. Bovendien heeft Verkerke BV eveneens terecht aangevoerd dat [de opdrachtgever] door hierover pas te klagen in de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 12 oktober 2016, twee jaar na de gestelde tekortkoming, niet binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 BW heeft geklaagd en dat zij daarom in haar bewijspositie is geschaad. Ten slotte is Verkerke BV niet aansprakelijk voor gederfde huurinkomsten die [de opdrachtgever] stelt te hebben geleden, omdat de renovatie later is opgeleverd dan waarmee hij – naar zijn zeggen - rekening had gehouden waardoor hij de appartementen pas 6 maanden later dan beoogd heeft kunnen verhuren. Verkerke BV heeft onvoldoende betwist aangevoerd dat zij zich niet heeft gebonden aan een opleverdatum van het renovatieproject en dat zij op dit punt bovendien niet in gebreke is gesteld door [de opdrachtgever] .

3.11

Op grond van het voorgaande faalt ook grief 5.

4 Slotsom

4.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

4.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [de opdrachtgever] veroordelen in de kosten van het hoger beroep. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Verkerke BV zullen worden vastgesteld op € 716 voor griffierecht en op € 3.918 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x tarief IV).

4.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) van 26 juli 2017;

veroordeelt [de opdrachtgever] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Verkerke BV vastgesteld op € 716 voor verschotten en op € 3.918 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na heden;

veroordeelt [de opdrachtgever] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval [de opdrachtgever] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, H.E. de Boer en M.F.A. Evers, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2020.