Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2664

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
Wahv 200.227.809/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 7:18, tweede lid, Awb. Aanvullende stukken moeten vóór de hoorzitting minstens een week ter inzage liggen en worden toegestuurd als om de stukken is verzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.227.809/01

CJIB-nummer

: 201904712

Uitspraak d.d.

: 1 april 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 12 oktober 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] (België).

De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

Het tussenarrest

Bij tussenarrest van 31 oktober 2019 heeft het hof de griffier van de rechtbank in de gelegenheid gesteld om het proces-verbaal van de zitting van 28 september 2017 aan de griffier van het hof te verstrekken. De inhoud van dat arrest wordt hier als ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

Op 7 november 2019 heeft het hof een gewaarmerkt afschrift ontvangen van het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter en aan het dossier toegevoegd. De griffier van de rechtbank heeft meegedeeld dat een afschrift daarvan ook is verzonden aan de gemachtigde van de betrokkene en de CVOM.

Beoordeling

1. Nu het dossier (alsnog) een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter bevat, faalt het verweer van de gemachtigde dat niet is gebleken dat een proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de kantonrechter is opgemaakt.

2. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard en de inleidende beschikking ten onrechte in stand heeft gelaten. Hij voert daartoe diverse gronden aan.

3. De gemachtigde vindt de overweging van de kantonrechter dat voor zover de gemachtigde zich heeft uitgelaten over stukken waarom hij heeft verzocht, dit punt geen bespreking hoeft nu de desbetreffende stukken op 18 augustus 2017 met de oproeping voor de zitting zijn verzonden, niet juist voor zover het de bijlage(n) bij de beslissing van de officier van justitie betreft. Bovendien was in het administratief beroepschrift van 19 oktober 2016 om veel meer stukken verzocht.

4. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift heeft verzocht om hem op grond van artikel 7:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een groot aantal stukken toe te zenden. De gemachtigde heeft bij schrijven van 10 januari 2017 de gronden van het beroep aangevuld. Hij schrijft onder andere het zaakoverzicht te hebben ontvangen, maar de rest van de gevraagde stukken nog niet. Bij schrijven van 8 februari 2017 heeft de officier van justitie om aanvullende informatie van de verbaliserend ambtenaar verzocht. De ambtenaar heeft op 22 februari 2017 een proces-verbaal opgemaakt dat op 27 februari 2017 bij de CVOM is ingekomen. Op 17 maart 2017 is de gemachtigde telefonisch gehoord en heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard. In die beslissing wordt voor het bewijs verwezen naar bijlage(n). Het proces-verbaal is een op de zaak betrekking hebbend stuk geworden dat de officier van justitie ingevolge artikel 7:18, tweede lid, van de Awb voorafgaand aan het horen gedurende tenminste één week ter inzage had moeten leggen en waarvan de gemachtigde op grond van het vierde lid een afschrift had kunnen vragen.

5. Uit het dossier blijkt niet dat genoemd proces-verbaal voorafgaand aan de hoorzitting aan de gemachtigde is toegezonden. De officier van justitie heeft dan ook zijn informatieplicht geschonden. De kantonrechter had de beslissing van de officier van justitie niet in stand mogen laten. Het hof zal de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige bezwaren tegen deze beslissingen hoeven nu niet meer te worden besproken.

6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde met het zaakoverzicht en het proces-verbaal thans beschikt over de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 7:18, vierde lid van de Awb. De verzochte stukken betreffende de verbaliserend ambtenaar behoren daar niet toe (vgl. het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:10797).

7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1).” Deze gedraging zou zijn verricht op 1 oktober 2016 om 21:05 uur op het Sint Servaasklooster in Maastricht met het voertuig met het kenteken [0-YYY-000] .

8. De ambtenaar verklaart in zijn proces-verbaal zakelijk weergegeven het volgende. Sint Servaasklooster is gelegen binnen de parkeerverbodszone die is aangegeven middels borden E1 met onderbord “zone” van bijlage I bij het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Deze borden zijn geplaatst op alle toegangswegen naar het centrum van Maastricht. Hij zag op de onder 7 genoemde datum, tijd en locatie genoemd voertuig geparkeerd staan op de rijbaan binnen deze zone, buiten de aldaar gelegen parkeervakken voor vergunninghouders ter hoogte van de trap richting Vagevuur.

9. De gemachtigde voert aan dat de locatie waar de gedraging zou zijn verricht niet exact is vermeld en dat deze ook met het aanvullende proces-verbaal onvoldoende is opgehelderd om deugdelijk verweer te kunnen voeren en om na te kunnen gaan of de gedraging is verricht. Het verbod E1 geldt immers slechts op de rijbaan. De verbalisant stelt weliswaar dat het voertuig op de rijbaan stond, maar het is de vraag of dat de rijbaan is zoals het hof dat bedoelt in het kader van de reikwijdte van het verbod E1 (c.q. carriageway). De betrokkene beschikt bovendien over een ontheffing in verband met haar werk als zorgverlener. Deze was op de autoruit bevestigd.

10. De omstandigheid dat de pleeglocatie niet exact is genoemd in de inleidende beschikking vormt geen aanleiding om aan te nemen dat de plaatsaanduiding zo ruim is dat bij de betrokkene misverstand kan zijn ontstaan omtrent de gedraging die bij inleidende beschikking is opgelegd.

De betrokkene schrijft in de overgelegde correspondentie dat zij een cliënt moest verzorgen die aan het Sint Servaasklooster woont, dat zij over een parkeervergunning beschikt, geen plek kon vinden en dat haar auto niet geheel in een parkeervak stond. Er is bij haar dus ook geen misverstand ontstaan over de locatie waar zij haar auto had geparkeerd.

11. De enkele door de gemachtigde opgeworpen vraag of de door de ambtenaar gebezigde term rijbaan overeenkomt met de jurisprudentie van het hof over de reikwijdte van het verbod E1, geeft het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. De stelling dat de betrokkene over een ontheffing of parkeervergunning beschikt, is niet onderbouwd. De betrokkene spreekt zelf over een parkeervergunning. De omstandigheid dat zij daarover beschikt betekent niet dat de gedraging niet is verricht. Een parkeervergunning is niet een ontheffing in de zin van artikel 87 van het RVV 1990.

12. Gelet op het vorenstaande staat vast dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond.

13. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

14. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken, zijnde de griffier buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.