Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2650

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
200.266.968/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening. Lener wordt toegelaten tot leveren tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.266.968/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6604121)

arrest van 31 maart 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M. Bou-Asrar, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen in hoger beroep.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 27 maart 2018, 16 oktober 2018 en 25 juni 2019 die de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 20 september 2019,

- de verstekverlening op 8 oktober 2019 tegen [geïntimeerde] ,

- de memorie van grieven d.d. 17 december 2019.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten:

3.1

In een schriftelijk stuk, gedateerd op 3 oktober 2016 (hierna: de leningsovereenkomst), staat, voor zover in dit geding van belang:

“(…)

[geïntimeerde] (...)

Hierna te noemen "uitlener""

en

[appellant] (...)

Hierna te noemen "lener"

Komen het volgende overeen:

Artikel 1

Hoofdsom

De uitlener stelt aan de lener ter beschikking een bedrag van € 4.894,-. Hierna te noemen “de hoofdsom” (…)

Artikel 5

Looptijd en terugbetaling van de hoofdsom

De schuld (hoofdsom en rente) dient te zijn afgelost op 01-11-19. Aflossing van de uitstaande hoofdsom gebeurt door betaling van 36 gelijke termijnen van € 136,- en dient plaats te vinden per de eerste dag van een maand. (…) De eerste termijn is verschuldigd op de eerste dag van de maand november 2016. (...)

Artikel 8

Opeisbaarheid

Alles uit hoofde van de lening verschuldigde bedragen kunnen met onmiddellijke ingang worden opgeëist, en de lening geldt bij opeising als opgezegd indien:

- De lener achter is met betalen en veertien dagen na sommatie per aangetekend schrijven nog niet heeft betaald wat hij diende te betalen. (…)”

3.2

De leningsovereenkomst is voorzien van twee handtekeningen, één van de handtekeningen is geplaatst onder het kopje handtekening uitlener en de andere handtekening is geplaatst onder het kopje lener en daarbij staat tevens de naam “ [appellant] ” vermeld.

3.3

[geïntimeerde] heeft [appellant] op 8 februari 2017 en 8 maart 2017 aangeschreven met het verzoek de openstaande bedragen te betalen. [appellant] is niet tot betaling tot enig bedrag aan [geïntimeerde] overgegaan, ook niet na aanmaning door de door [geïntimeerde] ingeschakelde incassogemachtigde.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd de veroordeling van [appellant] tot betaling van € 5.713,58 aan hoofdsom, wettelijke rente tot 17 januari 2018 en buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.894,- vanaf 17 januari 2018, en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten.

4.2

De kantonrechter heeft in het vonnis van 16 oktober 2018 na het verweer van [appellant] dat hij de geldleningsovereenkomst niet heeft ondertekend en de daarin onder zijn naam voorkomende handtekening niet de zijne is, een onderzoek bevolen door een handschriftdeskundige naar de echtheid van de op de leningsovereenkomst van

3 oktober 2016 voor [appellant] geplaatste handtekening en [geïntimeerde] belast met het voorschot ter zake. In het vonnis 25 juni 2019 heeft de kantonrechter overwogen dat door het niet door [appellant] meewerken aan het onderzoek door de deskundige van de echtheid van de handtekening moet worden uitgegaan. Het door [geïntimeerde] gevorderde is vervolgens toegewezen en [appellant] is belast met de proceskosten, daaronder begrepen de kosten van de deskundige.

5 De vordering in hoger beroep

[appellant] heeft in hoger beroep gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

6 De beoordeling van de grieven en de vordering

6.1

[appellant] heeft drie grieven tegen het vonnis van 25 juni 2019 opgeworpen. Grief I keert zich tegen het oordeel dat de geldlening tussen partijen is komen vast te staan. De grieven II en III komen op tegen de toegewezen buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente en tegen zijn veroordeling in de proceskosten.

6.2

In de toelichting op grief I heeft [appellant] , anders dan in eerste aanleg, erkend dat hij de geldleningsovereenkomst heeft ondertekend. Hij heeft daartoe betoogd dat hij die overeenkomst onder druk van [geïntimeerde] heeft ondertekend, die zich met de overeenkomst tegenover haar echtgenoot wilde beschermen, maar dat feitelijk tussen hem en [geïntimeerde] is afgesproken dat hij het geld niet hoefde terug te betalen.

6.3

[appellant] heeft erkend dat [geïntimeerde] op meerdere momenten voor hem betalingen heeft gedaan en hij heeft daarnaast bevestigd dat hij met de pinpas van de bankrekening van [geïntimeerde] een aantal schulden heeft voldaan. Nu in de overeenkomst is vermeld dat [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van € 4.894,- ter beschikking heeft gesteld en [appellant] in hoger beroep heeft erkend dat hij de overeenkomst heeft ondertekend, heeft [geïntimeerde] haar stelling dat zij genoemd bedrag aan [appellant] heeft geleend en dat [appellant] zich heeft verplicht dat bedrag (in termijnen) terug te betalen, in beginsel bewezen. Deze overeenkomst, die als een onderhandse akte in de zin van artikel 156 lid 3 Rv is aan te merken, levert immers tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van de verklaring van [appellant] dat hij van [geïntimeerde] geld ter beschikking heeft gekregen en moet terugbetalen, tenzij daartegen tegenbewijs wordt geleverd (artikel 157 lid 2 Rv).

6.4

[appellant] heeft echter tegenbewijs aangeboden en in dat verband aangeboden [geïntimeerde] te doen horen. Gelet op artikel 151 lid 2 Rv zal het hof hem tot dit tegenbewijs toelaten.

6.5

Het hof zal de verdere beoordeling aanhouden tot na deze bewijslevering. Dat betreft ook de grieven II en III.

7 De slotsom

Het hof zal [appellant] toelaten tot het leveren van tegenbewijs, zoals hierna omschreven en zal elke verdere beslissing aanhouden.

8 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellant] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het uit de akte van geldlening van 3 oktober 2016 voortvloeiende dwingende bewijs dat hij op grond van een overeenkomst van geldlening aan [geïntimeerde] € 4.894,- moet terugbetalen;

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W.F. Boele, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat [appellant] in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dient te zijn opdat hem naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van zichzelf, zijn advocaat en van de getuigen zal/zullen opgeven op de roldatum 14 april 2020, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, J. Smit en M. Willemse en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

31 maart 2020.