Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2616

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
200.271.238/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Spoed) machtiging uithuisplaatsing. De vader maakt door zijn gedrag alle noodzakelijke hulp onmogelijk. Het lukt de moeder niet om alleen voor het kindje te kiezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.271.238/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 128482, 128611 en 169436)

beschikking van 24 maart 2020

inzake

[verzoekster] en [verzoeker],
wonende te [A] ,
verzoekers in hoger beroep,
verder te noemen: de ouders,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,

en


de raad voor de kinderbescherming,

regio Noord Nederland, locatie Groningen,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad,


alsmede

de gecertificeerde instelling:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
kantoorhoudend te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als informanten zijn aangemerkt:

de verzorgers en opvoeders van [de minderjarige] ,

wonende op een geheim te houden adres.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, van 12 oktober 2019 en 16 oktober 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (verder ook te noemen: de bestreden beschikkingen).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van het geding blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 18 december 2019;

- het verweerschrift van de raad met productie(s);
- het verweerschrift van de GI.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 februari 2020 te Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn de ouders en hun advocaat, namens de raad mevrouw [B] en namens de GI mevrouw [C] .


3. De vaststaande feiten

3.1

De moeder is [in] 2019 in het ziekenhuis te [D] bevallen van [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ), over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Na de geboorte van [de minderjarige] zijn de moeder en [de minderjarige] enige dagen in het ziekenhuis gebleven.

3.2

Beide ouders kampen met persoonlijke problematiek en een belaste voorgeschiedenis. In verband daarmee heeft de raad al voor de geboorte van [de minderjarige] een onderzoek ingesteld naar zijn opvoedingssituatie bij de ouders. De aanleiding daarvoor vormde een melding van [E] ( [E] ). [E] maakte zich vanwege verschillende meldingen zorgen over de veiligheid en het welzijn van de toen nog ongeborene [de minderjarige] . De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 23 september 2019.

3.3

Vlak nadat de toen nog ongeboren [de minderjarige] onder toezicht is gesteld, is er door de raad een verzoek tot uithuisplaatsing met ingang van de geboorte ingediend. Op dat verzoek was nog niet beslist toen [de minderjarige] werd geboren. De GI heeft daarom op de dag van de geboorte van [de minderjarige] de kinderrechter verzocht (met spoed) een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter heeft bij de (bestreden) beschikking van 12 oktober 2019 dat verzoek van de GI toegewezen voor de duur van vier weken (en de beslissing voor langere duur aangehouden). Bij de (bestreden) beschikking van 16 oktober 2019 heeft de kinderrechter de verzoeken van de raad en de GI toegewezen voor de duur van een half jaar (en de beslissing voor langere duur aangehouden).

3.4

[de minderjarige] verblijft vanaf 15 oktober 2019 in een voorziening voor pleegzorg (geheime plaatsing).

4
4. De omvang van het geschil

4.1

Het gaat in deze procedure om de uithuisplaatsing van [de minderjarige] vanaf zijn geboorte tot
16 april 2020.

4.2

In de bestreden beschikking van 12 oktober 2019 heeft de kinderrechter de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken en de beslissing voor het overige aangehouden met bepaling dat de belanghebbenden zullen worden gehoord ter terechtzitting op 16 oktober 2019.

4.3

In de bestreden beschikking van 16 oktober 2019 heeft de kinderrechter machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot uiterlijk 16 april 2020 met aanhouding van iedere verdere beslissing in afwachting van nadere informatie van de GI omtrent de mogelijkheden van een opname bij [F] en van mr. Witteveen omtrent de mogelijkheden van een opname in [G] in [H] . De zaak is verwezen naar de zitting van 1 april 2020 voor verdere behandeling.

4.4

De ouders verzoeken het hof, zakelijk weergegeven, de bestreden beschikkingen te vernietigen en alsnog de verzoeken om machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen af te wijzen, althans de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen en de verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] onrechtmatig te verklaren.

4.5

De raad verzoekt het hof de verzoeken van de ouders in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen. De GI is het ook eens met de beschikkingen van de kinderrechter.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Overeenkomstig het tweede lid kan de machtiging eveneens worden verleend op verzoek van de raad.

5.2

Op grond van artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige alleen dan aanstonds worden verleend, indien de behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.

5.3

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikkingen geoordeeld dat in het onderhavige geval van [de minderjarige] aan de gronden voor de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan.

5.4

De ouders kunnen zich daar niet in vinden. Zij voeren aan dat de zorgen over de mogelijkheden van de ouders om zelf verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen, vooral zijn gebaseerd op hun belaste verleden. De ouders erkennen dat zij een belast verleden hebben en op diverse vlakken ondersteuning krijgen, maar zij vinden dat zij geen eerlijke kans hebben gekregen. De enige concreet genoemde en onderbouwde zorg betreft volgens de ouders de emotieregulatie van de vader maar dat vinden zij onvoldoende voor deze ingrijpende maatregelen. De ouders merken op dat zij nog steeds achter een ouder-kind-opname staan, bijvoorbeeld bij [G] in [H] of een
24-uurs zorg in [A] , om te laten zien dat zij voor [de minderjarige] kunnen zorgen. Daarbij zullen zij eveneens open staan voor begeleiding en adviezen. Dat er bij het gesprek bij [I] op
15 oktober 2019 een incident is geweest kan de vader niet worden tegengeworpen, aldus de ouders. De ouders betwisten verder dat de situatie ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] zodanig spoedeisend was dat de behandeling ter zitting niet kon worden afgewacht. Dat blijkt volgens de ouders in de eerste plaats uit het feit dat de spoedmachtiging pas drie dagen na verlening ervan ten uitvoer is gelegd. Bovendien stonden de ouders ten tijde van de verleende spoedmachtiging open voor het ouder-kind-traject en waren zij bereid om afspraken te maken met de GI. Er is daarom volgens de ouders oneigenlijk gebruik gemaakt van de spoedmachtiging, namelijk als pressiemiddel om de ouders tot bepaalde stappen te bewegen. Zij verzoeken het hof daarom hun verzoeken toe te wijzen.

De overwegingen van het hof
5.5 Bij alle beslissingen over kinderen dient op grond van het Kinderrechtenverdrag het belang van het kind de eerste overweging te vormen. Dat belang is in het geval van [de minderjarige] , nu hij nog maar een baby is en daarom volledig afhankelijk is van zijn verzorgers, in de eerste plaats gelegen in een goede verzorging vanuit een veilige omgeving.

5.6

Het hof kijkt bij de beoordeling van de maatregelen naar de actuele situatie, en naar de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van de bestreden beschikkingen voordeden. Dat de geldigheidsduur van de in geding zijnde machtigingen inmiddels deels is verstreken doet volgens vaste jurisprudentie niet af aan het belang bij een rechterlijke toetsing ervan.

5.7

De maatregelen vormen een inbreuk op het door artikel 8 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde gezinsleven tussen de ouders en [de minderjarige] . Deze maatregelen zijn daarom alleen gerechtvaardigd wanneer een minder vergaande maatregel onvoldoende bescherming biedt en voldaan is aan de wettelijke criteria.

5.8

Het hof heeft de stukken gelezen en ter zitting naar de standpunten van de ouders en de andere belanghebbenden geluisterd en vragen daarover gesteld. Het hof is van oordeel dat de kinderrechters goede beslissingen hebben genomen in overeenstemming met de wet. Daarvoor is het volgende redengevend.

5.9

Uit het raadsrapport van 23 september 2019 blijken ernstige zorgen over de mogelijkheden van de ouders om zelfstandig voor [de minderjarige] te zorgen. De ouders hebben aangevoerd dat die zorgen alleen op hun belaste verleden zijn gebaseerd en dat de enige concrete zorg de emotieregulatie bij de vader betreft en dat die zorg overigens onvoldoende concreet of onderbouwd is. Het hof vindt dat de ouders hiermee uit het oog verliezen dat de raad juist ook de huidige leefsituatie en problematiek van de ouders uitgebreid heeft beschreven na raadpleging van verschillende bronnen. Zo leest het hof bijvoorbeeld in het raadsrapport dat de ouders op dat moment begeleiding nodig hadden op meerdere gebieden om hun leven op orde te houden. Bovendien moet de raad alle voor de minderjarige relevante omstandigheden in zijn onderzoek betrekken, waarbij ook de zorgen en positieve punten uit het verleden een rol van betekenis kunnen spelen.

5.10

Van de vader is onder meer bekend dat hij als kind slachtoffer is geweest van mishandeling en getuige van de vechtscheiding tussen zijn ouders. Als gevolg daarvan heeft de vader veel moeite gehad om zijn eigen leven adequaat in te richten. Zo heeft de vader de afgelopen jaren op verschillende plekken gewoond, waaronder in een gesloten setting en meerdere malen in detentie. Vader is regelmatig in aanraking geweest met de politie vanwege zaken als diefstal, vernieling, rijden zonder rijbewijs en bedreiging. Vader staat nog onder toezicht van de reclassering. Daarnaast lijkt bij de vader sprake van een verstandelijke beperking, is er zorg over zijn gewetensontwikkeling en kan hij zijn emoties onvoldoende onder controle houden. De vader kan verbaal agressief reageren wanneer dingen niet gaan zoals hij wil of vanuit impulsiviteit. Verschillende bronnen hebben tijdens het raadsonderzoek verklaard dat de vader onevenredig heeft gereageerd wanneer de situatie van de ouders besproken werd, daar vragen over gesteld werden of hij zich zorgen maakte over [de minderjarige] . Hoewel de vader het beste met [de minderjarige] voor heeft is zijn reactie niet passend bij de situatie en komt deze de samenwerking niet ten goede. Het hof heeft ook zelf ter zitting kunnen vaststellen dat de vader zich voortdurend 'opvliegend' gedroeg door telkens, gevraagd en ongevraagd, zijn mening te ventileren. Aan het eind van de behandeling heeft de vader zich vervolgens dreigend uitgelaten. Het hof kan zich daarom goed voorstellen dat vaders gedrag door anderen als intimiderend of bedreigend wordt ervaren. Voor zover de ouders hebben aangevoerd dat dit komt door de stressvolle situatie doet dat niets af aan de gerechtvaardigde zorgen hierover nu het zorgen voor een baby doorgaans eveneens gepaard gaat met stressvolle momenten. De vader heeft laten zien dat hij hierbij nog niet in staat is het belang van [de minderjarige] voorop te stellen.

5.11

Dit laatste geldt ook voor de moeder. Hoewel de GI de moeder heeft gestimuleerd om (zonder aanwezigheid van de vader) contact met [de minderjarige] te hebben, heeft zij uit onvrede met de afscherming van [de minderjarige] voor het risicovolle gedrag van de vader, elk contact met [de minderjarige] geweigerd. Ten aanzien van de moeder blijkt uit het raadsonderzoek verder onder meer dat zij een verstandelijke beperking heeft en een reactieve hechtingsstoornis (Accare 2014). Haar draagkracht is beneden gemiddeld. De moeder begrijpt relatief weinig van sociale regels. Zij kan zaken onvoldoende onder woorden brengen en daardoor niet goed oplossingen bedenken voor alledaagse problemen. Hierdoor kunnen sociale situaties lastig te begrijpen zijn voor haar. Vanwege moeders jeugd is haar basale vertrouwen in zichzelf en in anderen beschadigd. Bij de moeder is sprake van existentiële angst, waarbij iedereen wordt ervaren als bedreigend. Relaties zijn voor de moeder functioneel. Zij lijkt onvoldoende inzicht te hebben in haar gedrag en de gevolgen daarvan voor zichzelf en haar omgeving. De moeder wordt vanwege een sterk voorkomen gemakkelijk overschat. Er zijn daarom grote zorgen over de mogelijkheden van de moeder om voor [de minderjarige] een stabiele, voorspelbare ouder te zijn die de signalen van [de minderjarige] goed kan lezen (sensitiviteit) en daarop adequaat kan reageren (responsiviteit).

5.12

Bijkomende zorg is het beperkte netwerk van de ouders en onduidelijkheid over de huidige woonsituatie van de ouders. De moeder heeft geen contact met haar ouders en hoewel de vader dat nog wel heeft, is vanuit de hulpverlening gemeld dat dit geen beschermende factor betreft. De ouders hebben hun begeleide woonvoorziening verlaten en verblijven naar eigen zeggen op de zitting bij het hof inmiddels bij de vader van de vader.

5.13

Het hof is het eens met het standpunt van de raad dat meteen vanaf de geboorte van [de minderjarige] een ouder-kind-opname vanuit een veilige setting nodig was om duidelijkheid te krijgen of de ouders binnen aanvaardbare termijn in staat zijn opvoedingsverantwoordelijkheid voor [de minderjarige] te dragen. Een opname is echter niet van de grond gekomen. Er was gelegenheid voor een ouderschapsbeoordeling bij [I] maar die opname heeft niet door kunnen gaan door toedoen van de vader. Al op 26 september 2019 heeft [I] (via [J] ) de raad laten weten, na interne bespreking van de aanmelding van de ouders, dat er bij [I] twijfels waren gerezen over de motivatie van met name de vader (vanwege zijn uitlating dat hij alleen mee wilde werken omdat het moest). Dat was voor de raad aanleiding om op 4 oktober 2019 het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing in te dienen. Voor het geval de opname niet tijdig rond zou zijn zou [de minderjarige] in een pleeggezin geplaatst moeten worden in afwachting van de opname. Dat verzoek van de raad zou op 15 oktober 2019 behandeld worden door de rechtbank. [de minderjarige] werd echter eerder geboren dan verwacht. Daarbij kwam dat de jeugdzorgwerker, als gevolg van het gedrag van de vader in het ziekenhuis rondom de geboorte (die [de minderjarige] het liefst meteen mee wilde nemen), de veiligheid van [de minderjarige] niet kon garanderen. Ook deze zag zich genoodzaakt om een verzoek om een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in te dienen bij de rechtbank. Het hof is van oordeel dat in deze omstandigheden terecht en op goede gronden de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing is verleend zonder eerst de behandeling ter zitting af te wachten. Het hof oordeelt het risico dat de ouders [de minderjarige] tegen de adviezen in mee zouden nemen reëel. Daardoor was er sprake van een onmiddellijk en ernstig gevaar voor de gezondheid van [de minderjarige] . Dat de ouders vervolgens pas op 15 oktober 2019 terecht konden bij [I] en [de minderjarige] zolang in het ziekenhuis heeft moeten blijven, doet daar niets aan af. Het verzoek van de ouders om de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] onrechtmatig te verklaren zal het hof dan ook afwijzen.

5.14

Uit de toelichting van de GI blijkt dat op 15 oktober 2019 beide ouders aanwezig waren voor de opname bij [I] . Vader was volgens de GI vanaf de start van het gesprek snel geïrriteerd en nam een agressieve houding aan naar de jeugdzorgwerker. Het is nog wel gelukt om een veiligheidsplan te maken maar meteen werd duidelijk dat het de vader niet lukte zich daaraan te houden. De vader verhief zijn stem in het bijzijn van [de minderjarige] , hij was het niet eens met de afgesproken tijd dat hij het ouder-kind-huis weer zou verlaten en gaf ook aan dat hij niet zou vertrekken op de afgesproken tijd. Hij liet zich niet corrigeren, niet door de jeugdzorgwerker en niet door zijn eigen begeleiders. Tijdens een rondleiding bleef de vader verbaal agressief en zorgde hij voor veel spanning in het ouder-kind-huis. De dreigende houding van vader was zo verstorend dat de andere aanwezige moeders en kinderen naar een ander deel van het gebouw zijn gebracht. De vader is volgens de GI op een gegeven moment ook fysiek agressief geworden naar een begeleidster van [I] . De begeleider van de vader is hier tussen gesprongen en dit heeft tot een handgemeen geleid. De situatie was dermate onveilig dat 112 is gebeld. Op dat moment is direct door [I] besloten dat opname bij [I] met deze mate van agressie onmogelijk is. Deze agressie was ook in het bijzijn van [de minderjarige] waardoor de kraamverzorgster [de minderjarige] in veiligheid heeft moeten brengen door hem op te pakken en met hem naar een afgesloten ruimte te gaan. Weliswaar heeft de vader de toedracht bestreden, maar gezien de hiervoor gedane constateringen over zijn agressieregulatieproblematiek ziet het hof weinig aanleiding aan deze lezing te twijfelen. Daar komt nog het volgende bij.

5.15

De vader heeft op 29 oktober 2019 tijdens een taakstraf die hij nog moest uitvoeren, een doodsbedreiging richting de jeugdzorgwerker geuit tegen zijn werkbegeleider. Deze

bedreiging is dermate ernstig opgevat dat hiervan aangifte is gedaan door de GI. De politie heeft daarop een huiszoeking gedaan en heeft een nepwapen gevonden die

op de lijst met verboden wapens staat. Vader is daarop meegenomen naar het politiebureau

en is een dag later heengezonden waarna hij direct voor andere vergrijpen weer is opgepakt.

De vader heeft vervolgens van 1 november 2019 tot 31 december 2019 in detentie gezeten. Op 5 december is de vader voorgeleid voor de aangifte die de jeugdzorgwerker heeft gedaan en waarvan de uitspraak van de rechter is dat vader schuldig is bevonden aan bedreiging. Hij

heeft hiervoor een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van drie

jaar gekregen. Tevens moet de vader meewerken aan begeleiding vanuit reclassering

Nederland en moet hij meewerken aan onderzoek en behandeling van AFPN of een soortgelijke instelling. Dat de vader zijn agressieproblematiek ook nu nog niet onder controle heeft en hij een ernstig gevaar is voor anderen staat voor het hof wel vast. Het is schadelijk voor [de minderjarige] wanneer hij met dit gedrag van de vader wordt geconfronteerd. Dat de GI daarom van de moeder eist dat zij zonder aanwezigheid van de vader contact heeft met [de minderjarige] acht het hof volstrekt begrijpelijk.

5.16

Nadat bleek dat een opname bij [I] niet meer mogelijk was, is door de jeugdzorgwerker aan de moeder nog de mogelijkheid geboden om samen met haar kindje op een geheim adres te worden opgenomen. Moeder heeft toen de keuze gemaakt om met de vader mee te gaan. Op dat moment is naar het oordeel van het hof terecht besloten om [de minderjarige] naar een pleeggezin over te brengen.

5.17

Ook nadien is het niet gelukt een ouder-kind-opname te organiseren voor een ouderschapsbeoordeling. De moeder lijkt de voortgang af te laten hangen van (toestemming van) de vader, maar dat zorgt voor vertraging, waardoor de grens van de voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn wordt bereikt. Gelet op zijn leeftijd en duur van het verblijf in het pleeggezin dringt de tijd.

5.18

Ten tijde van de zitting van het hof heeft het hof nog niet een kentering in de zorgelijke situatie van de ouders kunnen bespeuren. De moeder vindt nog niet de kracht om voor [de minderjarige] te kiezen. Lichtpuntje is dat de moeder zich ter zitting, nadat zij bij herhaling was gewezen op het belang van [de minderjarige] bij een onbelast contact met de moeder, bereid was na de zitting een afspraak te maken met de GI over hervatting van de omgang.

5.19

De noodzaak voor de in geding zijnde machtiging tot uithuisplaatsing en het voorduren ervan is gelet op alles wat hiervoor is overwogen voor het hof evident.

5.20

Het hof concludeert dat het hoger beroep van de ouders geen doel treft.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikkingen bekrachtigen.

7. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 oktober 2019 en 16 oktober 2019;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, M.P. den Hollander en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 24 maart 2020
in het openbaar uitgesproken.