Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2588

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
Wahv 200.227.314/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bebording aanwezig? Flitspaal in de bebouwde kom. Het hof herhaalt dat de gedraging kan worden vastgesteld wanneer de toegangsweg die de betrokkene heeft gevolgd om de bebouwde kom te bereiken was voorzien van een bord H1. De enkele stelling dat juiste bebording ontbrak, leidt niet tot twijfel aan de aanwezigheid van dit bord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.227.314/01

CJIB-nummer

: 198880673

Uitspraak d.d.

: 27 maart 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 17 augustus 2017, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] (België).

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

Het tussenarrest

Bij tussenarrest van 30 oktober 2019 heeft het hof de griffier van de rechtbank in de gelegenheid gesteld om het proces-verbaal van de zitting van 3 augustus 2017 aan de griffier van het hof te verstrekken. De inhoud van dat arrest wordt hier als ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

Op 8 november 2019 heeft het hof een gewaarmerkt afschrift ontvangen van het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter en aan het dossier toegevoegd. De griffier van de rechtbank heeft meegedeeld dat een afschrift daarvan ook is verzonden aan de gemachtigde van de betrokkene en de CVOM. De griffier van het hof heeft een afschrift ervan verzonden aan de advocaat-generaal.

Beoordeling

1. Nu het dossier (alsnog) een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter bevat, faalt het verweer van de gemachtigde dat niet is gebleken dat een proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de kantonrechter is opgemaakt.

2. De beslissing van de kantonrechter is volgens de gemachtigde op een aantal punten ontoereikend dan wel geheel niet gemotiveerd.

3. De kantonrechter heeft de grond ter zake de bevoegdheid van de medewerker om op het administratief beroep te beslissen ten onrechte niet besproken, aldus de gemachtigde.

4. Het hof gaat hieraan voorbij bij gebrek aan belang. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd wegens schending van de hoorplicht en hoefde dit verweer daarom niet meer te bespreken.

5. De overige bezwaren hebben betrekking op de inleidende beschikking. Daarbij is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 129,- voor: “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 15 km/h.” Deze gedraging zou zijn verricht op 8 juni 2016 om 20:57 uur op de Kerkweg, ter hoogte van perceel 10, in Puth met het voertuig met het kenteken

[0-YYY-000] . De snelheid is gemeten met radarapparatuur die is gemonteerd in een flitspaal.

6. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte weigert de beroepsgrond ter zake van de ‘automatische oplegging van sancties’ te behandelen.

7. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gemachtigde enkel heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016) en een vraag die advocaat-generaal [D] daarover opwerpt in diens artikel in Verkeersrecht 3 van 2016 getiteld ‘Geautomatiseerde handhaving en de sanctieopleggende ambtenaar.’ De kantonrechter heeft geoordeeld dat dit volstrekt onvoldoende is om te kunnen spreken van een onderbouwde stelling die beoordeling behoeft. Dat is een juiste beslissing. Het opwerpen van een vraag, zoals in dat artikel gebeurt, kan niet worden beschouwd als beroepsgrond waarop de kantonrechter moet ingaan. Dit verweer treft dan ook geen doel.

8. De gemachtigde voert verder aan dat de kantonrechter de beroepsgrond ter zake van de schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) ten onrechte niet heeft behandeld.

9. Dit verweer faalt. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de enkele verwijzing naar jurisprudentie over nummerplaatherkenning en het gebruik van camera’s op de werkplek zonder nadere toelichting een onvoldoende onderbouwde stelling is die om die reden geen nadere beoordeling behoeft.

10. Het argument dat er bij een snelheidscontrole als de onderhavige sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM heeft de gemachtigde in vele zaken aan het hof voorgelegd. De rechtspraak van het hof op dit punt wordt inmiddels bekend verondersteld bij de gemachtigde.

11. De gemachtigde voert voorts aan dat de kantonrechter ten onrechte meent dat bebording niet hoeft te worden gecontroleerd als een snelheidsmeting binnen de bebouwde kom plaatsvindt. Om een overtreding als zodanig te kunnen aanmerken dient ook de geldende regel en de kenbaarheid daarvan te zijn geconstateerd. Voor de kenbaarheid ter zake de maximumsnelheid maakt het geen verschil of die volgt uit een bord A1 of uit een bord dat het begin van de bebouwde kom aanduidt. Uit het dossier blijkt niet dat in casu de bebording vooraf is gecontroleerd op juiste plaatsing en waarneembaarheid aldus de gemachtigde.

12. De kantonrechter heeft onder meer overwogen dat de stelling dat de plaatsing van de juiste bebording ontbrak niet is onderbouwd en dat gesteld noch gebleken is dat in dit geval een uitzondering op de regel van artikel 20 van het RVV 1990 geldt.

13. Dat is een juiste beslissing en het verweer faalt. De toegestane maximumsnelheid moet aan weggebruikers kenbaar worden gemaakt. Dat kan door middel van een bord A1 of een bord H1 (bebouwde kom) van bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Bord A1 geldt slechts voor het wegvak waar het is geplaatst. Bord H1 geldt echter voor een gebied waarvan de grenzen door middel van meerdere verkeersborden worden aangegeven. Iedere voor motorvoertuigen openstaande toegangsweg tot de bebouwde kom moet van een bord H1 zijn voorzien. Om vast te kunnen stellen dat de onder 5 genoemde gedraging is verricht, is niet noodzakelijk dat de aanwezigheid van alle borden H1 kan worden vastgesteld. Voldoende is dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de bebouwde kom is ingereden, is voorzien van een bord H1 (vgl. ov. 8 van het arrest van 28 februari 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2020:1803). Het is om die reden dat het hof, ook wanneer de overschrijding van de maximum snelheid binnen de bebouwde kom is vastgesteld met in een flitspaal gemonteerde radarapparatuur, van oordeel is dat de enkele niet onderbouwde stelling dat de plaatsing van de juiste bebording wordt betwist, zonder daarbij aan te geven via welke route de betrokkene de bebouwde kom van Puth binnen is gekomen, geen aanleiding geeft te twijfelen aan de gegevens in het zaakoverzicht dat de gedraging plaatsvond binnen de bebouwde kom en dat daar een maximumsnelheid van 50 km/h gold.

14. De gemachtigde heeft het hof ten slotte verzocht om een oordeel over het feit dat het openbaar ministerie geen verweerschrift heeft ingediend. De vaste rechtspraak van het hof op dit punt wordt inmiddels bekend verondersteld bij de gemachtigde.

15. De bezwaren treffen geen doel. De kantonrechter heeft een juiste beslissing genomen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.