Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2542

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
21-001223-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WED. Wnb. Gebruik van jachtgeweer op te kleine gronden. Niet relevant of het geweer werd gebruikt voor jacht of voor schadebestrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001223-19

Uitspraak d.d.: 25 maart 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 25 februari 2019 met parketnummer 84-176123-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot bevestiging van het vonnis van de economische politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. T. Bruinsma, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter heeft verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 500,- te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 20 september 2017 in de gemeente [gemeente] , al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen, ter uitoefening van het bepaalde in artikel 3.26 lid 1 onder b van de Wet natuurbescherming een geweer heeft gebruikt op gronden, niet zijnde een jachtveld, immers had/hadden de grond/gronden niet een aaneengesloten oppervlakte van tenminste 40 hectare en/of konden de afmetingen van die grond/gronden niet met een cirkel van een straal van tenminste 150 meter beschreven worden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft hij enerzijds aangevoerd dat het verbod om een geweer te gebruiken op gronden die niet aan de afmetingseis voldoen zich beperkt tot de jacht. Daarvan was in dit geval geen sprake, nu verdachte zijn geweer slechts heeft aangewend in het kader van schadebestrijding. Daarvoor zou de provincie een ontheffing hebben verleend. Verder is aangevoerd dat het perceel in kwestie weliswaar niet aan de afmetingseis voldoet, maar dat het perceel deel uitmaakt van een uitgestrekt terrein van honderden hectares waarop verdachte het recht heeft van schadebestrijding. Een en ander in samenhang beschouwd leidt wat de raadsman betreft tot de conclusie dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Artikel 3.26, eerste lid, aanhef en onder b Wet natuurbescherming (Wnb) verbiedt het gebruik van een geweer ter uitoefening van het bij of krachtens die wet bepaalde op gronden, niet zijnde een jachtveld dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. Het betoog van de raadsman berust op de veronderstelling dat dit verbod onderscheid maakt tussen het gebruik van een geweer voor de jacht of voor schadebestrijding. Dat is niet het geval. Onder uitoefening van het bij of krachtens de Wnb bepaalde dient zowel de in § 3.4 Wnb geregelde schadebestrijding als de in § 3.5 Wnb geregelde jacht te worden verstaan. Het in § 3.6 Wnb geregelde gebruik van middelen voor het vangen en doden van dieren is mitsdien ook toepasselijk op schadebestrijding. In zoverre kan het verweer dan ook niet slagen.

Het tweede argument van de raadsman is dat voor de uitleg van artikel 3.26 Wnb bepalend is de gezamenlijke oppervlakte van de verschillende percelen waarop verdachte gerechtigd was schadebestrijding uit te oefenen. Ook dit verweer kan niet slagen.

Ingevolge artikel 3.12 van het Besluit natuurbescherming heeft een jachtveld als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel b van de Wnb - voor zover hier van belang - een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 40 hectare per jachthouder die in zijn hoedanigheid als jachthouder gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in dat jachtveld.

Niet is gebleken dat het perceel waarop verdachte een geweer heeft gebruikt deel uitmaakte van een aaneengesloten gebied van tenminste 40 hectare waarop verdachte als jachthouder gerechtigd was tot het uitoefenen van de jacht. Verdachte heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Integendeel blijkt uit de verklaring van hoofdagent van politie [verbalisant] , die daartoe kadastrale gegevens heeft geraadpleegd, dat het perceel in kwestie samen met twee andere percelen deel uitmaakte van een (jacht)veld van 27,435 hectare groot. Daarmee voldeed het niet aan de gestelde oppervlakte-eis. Aan een en ander kan niet afdoen dat verdachte blijkens het dossier gebruiksovereenkomsten met diverse grondeigenaren heeft afgesloten ten behoeve van schadebestrijding op diverse verspreide percelen die ruimschoots groter zijn dan 40 hectare.

Dat ten tijde van het plegen van het feit op grond van artikel 3.26, lid 3 Wnb een ontheffing of vrijstelling was verleend van het verbod om op te kleine gronden een geweer te gebruiken, is het hof niet gebleken. Op een daartoe in zijn verhoor gestelde vraag heeft verdachte verklaard daar verder niets van te hebben, hetgeen er in zijn ogen - gelet op zijn in de strafzaak gevoerde verweer - ook niet toe doet.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 september 2017 in de gemeente [gemeente] opzettelijk tezamen en in vereniging met een ander ter uitoefening van het bepaalde in de Wet natuurbescherming een geweer heeft gebruikt op gronden, niet zijnde een jachtveld, immers hadden de gronden niet een aaneengesloten oppervlakte van tenminste 40 hectare en konden de afmetingen van die gronden niet met een cirkel van een straal van tenminste 150 meter beschreven worden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3.26, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overtreden van het verbod om een geweer te gebruiken op een perceel waar dat vanwege de geringe omvang ervan niet was toegestaan. Het gebruik van een geweer brengt risico’s mee, zodat van jachtaktehouders wordt verwacht dat zij zich te allen tijde houden aan de voorschriften en voorwaarden waaraan het gebruik van een dergelijk middel is onderworpen. Verdachte heeft dit in onvoldoende mate gedaan.

Uit het strafblad van verdachte blijkt niet van relevante recente recidive. Het hof acht net als de economische politierechter de oplegging van een geldboete van € 500,- te vervangen door 10 dagen hechtenis, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 3.26 van de Wet natuurbescherming en artikel 3.12 van het Besluit natuurbescherming.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. P.W.J. Sekeris, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Sekeris is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.