Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2539

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
21-003480-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WED/Wet milieubeheer. Aanwezig hebben van begeleidingsformulier bij vervoer bedrijfsafvalstoffen. Problematiek van door ontvanger geweigerde en naar ontdoener te retourneren afvalstoffen. Ondanks de leemte in de regelgeving had verdachte op andere wijze kunnen en moeten voorkomen dat inbreuk werd gemaakt op het stelsel van traceerbaarheid van afvalstoffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003480-18

Uitspraak d.d.: 25 maart 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 juni 2018 met parketnummer 84-160929-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [plaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot – kort gezegd – bevestiging van het vonnis van de economische politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte naar voren is gebracht door haar vertegenwoordiger, P.H. van Wijk, en haar raadsman, mr. W.R. Jonk.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter heeft verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 2000,- waarvan € 1000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 8 maart 2017 in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, als degene die bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen vervoert, te weten UCO, niet heeft voldaan aan haar verplichting zolang zij die afvalstoffen onder zich had, een begeleidingsbrief, als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet milieubeheer bij die afvalstoffen aanwezig te hebben.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 8 maart 2017 in de gemeente [gemeente] opzettelijk als degene die bedrijfsafvalstoffen, te weten UCO, vervoert, niet heeft voldaan aan haar verplichting zolang zij die afvalstoffen onder zich had een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet milieubeheer bij die afvalstoffen aanwezig te hebben.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Standpunt van verdachte

Verdachte stelt dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is, dan wel dat zij daarvoor niet strafbaar is. De wet voorziet niet in een duidelijke regeling hoe te handelen in gevallen als deze waarbij de beoogde ontvanger van een afvalstof weigert die afvalstof in ontvangst te nemen, waardoor het materiaal retour moet worden gebracht naar de locatie van herkomst. Betoogd wordt dat verdachte heeft gedaan wat gezien de situatie van haar kon worden verlangd, namelijk het aantekenen op het begeleidingsformulier dat de stof is geweigerd en het via dezelfde route als de heenweg terug transporteren van de afvalstof. Verdachte heeft met haar handelen het doel van de strafrechtelijke norm, het bewaken van de traceerbaarheid van afvalstoffen, zo goed mogelijk nageleefd. Daarmee is wat de verdediging betreft sprake van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid dan wel – zo begrijpt het hof – afwezigheid van alle schuld. (Meer) subsidiair kan een en ander worden aangemerkt als een situatie van overmacht-noodtoestand, aldus de raadsman. Ter onderbouwing van het betoog wordt verwezen naar een begeleidingsbrief ter zake van een internationaal transport van verdachte, waarop met toestemming van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is aangetekend dat de lading was afgekeurd en terug mocht worden vervoerd naar de herkomstlocatie.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft betoogd dat het bewezenverklaarde een strafbaar feit oplevert en dat verdachte een strafbare dader is. Verdachte had in de visie van het openbaar ministerie aan artikel 10.44 Wet milieubeheer (Wm) kunnen voldoen door haar chauffeur een nieuw begeleidingsformulier te laten opmaken met daarin alle gegevens van de retourrit. Aan de hand van de twee begeleidingsbrieven is dan achteraf het afgelegde traject inzichtelijk waarmee de traceerbaarheid van de afvalstoffen is gegarandeerd.

Oordeel van het hof

In artikel 10.38 Wm is bepaald dat de ontdoener van een bedrijfsafvalstof of een gevaarlijke afvalstof een aantal gegevens met betrekking tot de afgifte registreert. Het gaat onder meer om de naam en het adres van degene aan wie de afvalstoffen worden afgegeven en de plaats waar dat gebeurt.

In artikel 10.39 Wm is bepaald dat de ontdoener van zodanige afvalstof een begeleidingsbrief met voormelde gegevens verstrekt aan degene die opdracht heeft de stof te vervoeren.

In artikel 10.44 Wm is bepaald dat degene die dergelijke afvalstoffen vervoert, zolang hij deze onder zich heeft, een begeleidingsbrief als voormeld aanwezig moet hebben.

Niet in geding is dat een correcte begeleidingsbrief is opgemaakt ten behoeve van het vervoer van 28.700 kilogram van de bedrijfsafvalstof UCO van verdachte als ontdoener vanuit [plaats] naar [naam bedrijf] als beoogd ontvanger in [plaats] . Na bemonstering concludeerde [naam bedrijf] dat de afvalstof niet aan de door haar gehanteerde eisen voldeed, zodat de lading werd geweigerd. De chauffeur is na overleg met een leidinggevende, werkzaam bij verdachte, de terugreis naar verdachtes vestiging in [plaats] aangevangen. Op de oorspronkelijke begeleidingsbrief is aangetekend: ‘lading afgekeurd door [naam bedrijf] ’.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit de regelgeving niet volgt dat in gevallen als deze een nieuwe begeleidingsbrief moet worden opgemaakt. Verdachte heeft daartegen terecht als bezwaar aangevoerd dat een nieuw document hoe dan ook onjuiste informatie zou bevatten; zowel wanneer [naam bedrijf] daarop als ontdoener zou worden vermeld als wanneer verdachte daarop zou worden aangeduid als ontdoener én ontvanger. Verdachte is immers altijd houder van de afvalstof gebleven. De locatie van herkomst van de afvalstof is, doordat [naam bedrijf] de afvalstof heeft geweigerd, ook niet [plaats] .

Met verdachte constateert het hof dat de Wet milieubeheer niet voorziet in een situatie als de onderhavige. Bij een dergelijke leemte in de regelgeving moet worden gehandeld op een manier die zoveel als mogelijk in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever, namelijk het voorkomen van een inbreuk op het stelsel van traceerbaarheid van afvalstoffen. Wanneer het handelen van verdachte, hoewel feitelijk in strijd met de strafbepaling, wel met de strekking en bedoeling daarvan in overeenstemming is, kan sprake zijn van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

Naar het oordeel van het hof doet die situatie zich hier niet voor. Uit het enkel vermelden van ‘lading afgekeurd door [naam bedrijf] ’ volgt niet dat er geen andere (tijdelijke) bestemming van de afvalstoffen kon zijn dan de vestigingslocatie van verdachte. Dat de vrachtauto met de lading op de route tussen [naam bedrijf] en verdachtes vestiging in [plaats] werd aangetroffen, is daarvoor evenmin voldoende. Verdachte had aan de strekking van de regelgeving kunnen voldoen door op de begeleidingsbrief de toevoeging: ‘retour ontdoener’ te vermelden. In dat geval konden aan de hand van het begeleidingsformulier de heen- en terugrit geheel worden verantwoord zodat aan het stelsel van traceerbaarheid van afvalstoffen geen afbreuk was gedaan. Nu verdachte het plaatsen van die toevoeging heeft nagelaten, slaagt het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid niet. Het hof merkt nog op dat op de begeleidingsbrief met betrekking tot een ander (internationaal) transport dat door de raadsman is overgelegd en waaraan de ILT kennelijk zijn goedkeuring heeft verleend wél de toevoeging ‘Rückführung nach [verdachte] [plaats] ’ is vermeld.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat ook de beroepen op overmacht-noodtoestand en afwezigheid van alle schuld niet kunnen slagen.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.44, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet voorhanden hebben van een adequate begeleidingsbrief bij het vervoer van afvalstoffen. Daarmee heeft zij een inbreuk gemaakt op het wettelijk stelsel dat beoogt de traceerbaarheid van afvalstoffen te waarborgen.

Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat verdachte zich geconfronteerd zag met een bijzondere situatie waar in de regelgeving niet specifiek is voorzien. Het hof wil aannemen dat verdachte oprecht heeft geprobeerd te handelen op een manier die in haar ogen gegeven de omstandigheden het meest was aangewezen. In het bijzonder met het oog daarop zal het hof volstaan met het geheel voorwaardelijk opleggen van de in eerste aanleg opgelegde geldboete met een proeftijd van twee jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.44 van de Wet milieubeheer.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.000,00 (tweeduizend euro).

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. P.W.J. Sekeris en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Sekeris is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.