Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:2538

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
21-003655-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelijktijdige snelheidsmeting van meerdere motorrijders. Het gedetailleerde en consistent gevoerde verweer van verdachte wordt onvoldoende door het dossier weerlegd. Volgt vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003655-18

Uitspraak d.d.: 25 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 juni 2018 met parketnummer 96-159542-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, bewezenverklaring van het tenlastegelegde en oplegging van een geldboete van € 300,- te vervangen door zes dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De kantonrechter heeft bij vonnis van 14 juni 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het niet de inhoud van de tenlastelegging bevat, terwijl artikel 395, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 2, onder a, van de Regeling aantekening mondeling vonnis (etc.) dit wel voorschrijven. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 9 september 2016 te [gemeente] als bestuurder van een motorvoertuig (motorfiets) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straatnaam] , geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 95 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen omtrent het bewijs

De officier van justitie heeft zich in de appelschriftuur op het standpunt gesteld dat de kantonrechter verdachte ten onrechte heeft vrijgesproken. Hij wijst erop dat de snelheidsmeting plaatsvond met behulp van een mobiele trajectsnelheidsmeter, waarbij over een afstand van 449 meter de snelheid van het politievoertuig werd gemeten (het hof begrijpt: aan de hand van de afgelegde afstand van 449 meter en de daarvoor verstreken tijd de snelheid van het politievoertuig is berekend). De afstand tussen het voertuig en de motor van verdachte bedroeg bij aanvang van de meting 50 meter en bij het einde van de meting 80 meter. Op deze manier kon de snelheid van de motoren van verdachte en van de medeverdachte, die gelijk op reden, worden vastgesteld. Dit verklaart ook waarom de gegevens van de snelheidsmeting in het proces-verbaal exact overeenkomen met de gegevens in het proces-verbaal van de medeverdachte [medeverdachte] . Tot twijfel aan de juistheid van de meting leidt dit wat de officier van justitie betreft niet. Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal zich bij dit standpunt aangesloten.

Verdachte heeft net als bij de kantonrechter verklaard dat hij aanvankelijk deel uitmaakte van een groep van ongeveer tien motorrijders. Op enig moment viel de groep uiteen. Toen een aantal van de laatste rijders probeerde om op hoge snelheid de achterstand in te lopen, werden meerdere van hen staandegehouden en hebben zij hun rijbewijs moeten inleveren. Verdachte reed samen met de medeverdachte en een derde persoon aan kop. Op de [straatnaam] geldt een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. Verdachte stelt deze snelheid wel te hebben overschreden, maar niet met meer dan 30 kilometer per uur en zeker niet in de mate die door de verbalisant is verklaard. Het bevreemdt verdachte dat in het proces-verbaal in het geheel niet over de andere twee motorrijders van de kopgroep wordt gerept, terwijl alle drie gelijktijdig zouden zijn gemeten. Verder is de verklaring van de verbalisant volgens verdachte op meerdere onderdelen onjuist. Zo heeft er op de [straatnaam] op geen enkel moment een voertuig op 50 – 80 meter afstand achter hen gereden en is er geen voertuig geweest tussen de achterste groep motorrijders en de kopgroep. Verder is verdachte pas 20 kilometer verderop staandegehouden, op een plek waar verdachte met de andere twee rijders een rookpauze hield. De politie arriveerde daar pas ettelijke minuten later.

Het hof constateert met de kantonrechter dat het proces-verbaal in deze zaak wat betreft de gegevens van de meting exact overeenkomt met het proces-verbaal in de zaak van de medeverdachte, zonder dat wordt vermeld dat er meerdere voertuigen gelijktijdig zouden zijn gemeten. In een aanvullend proces-verbaal heeft de verbalisant verklaard zich de situatie niet meer te herinneren, maar wel uitgelegd dat een meting van twee voertuigen gelijktijdig in principe mogelijk is. Op hetgeen verdachte heeft opgemerkt over de achterste groep motorrijders is in het aanvullend proces-verbaal niet in gegaan. Ook over de derde persoon in de kopgroep vermeldt het aanvullend proces-verbaal niets. Het hof is van oordeel dat het dossier, waaronder het in algemene bewoordingen opgestelde aanvullende proces-verbaal, het gedetailleerde en consistent gevoerde verweer van verdachte, dat erop neer komt dat mogelijk de snelheid van een ander dan verdachte is gemeten, in onvoldoende mate weerlegt. Bij die stand van zaken heeft het hof niet de overtuiging gekregen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, zodat het hof verdachte zal vrijspreken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 21 september 2016 onder CJIB-nummer 4132542002718826.

Aldus gewezen door

mr. P.W.J. Sekeris, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Sekeris is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.